RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/070415-25
Datum uitspraak: 26 juni 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] ,
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.I.P. Hofstee, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.Q. Zaat, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 4 maart 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
feit 1
medeplegen van het aanwezig hebben van 1,52 kilogram cocaïne;
feit 2
medeplegen van het in voorraad hebben van 14,83 kilogram ketamine, terwijl hij daar geen registratie voor had;
feit 3
medeplegen van het opzettelijk in voorraad hebben van bankbiljetten, waarvan de valsheid hem bekend was toen hij ze ontving, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst te doen uitgeven.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Vrijspraak
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten.
Feit 1: aanwezigheid cocaïne
Ten aanzien van feit 1 stelt de officier van justitie dat niet is gebleken dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in zijn woning. Bovendien kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de aangetroffen goederen ook cocaïne bevatten. Zij stelt om die redenen dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1.
Feit 2: in voorraad hebben ketamine
Ten aanzien van feit 2 stelt de officier van justitie dat niet is gebleken dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de ketamine in zijn woning. Verdachte dient van dit feit eveneens te worden vrijgesproken.
Feit 3: in voorraad hebben vals geld
Met betrekking tot feit 3 stelt de officier van justitie dat er geen nader onderzoek naar het aangetroffen (vermoedelijk) valse geld heeft plaatsgevonden. Daarnaast is onduidelijk hoeveel coupures er zijn aangetroffen. Gelet op voorgaande bevat het dossier bevat onvoldoende wettig bewijs voor een bewezenverklaring van feit 3.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Verdachte is kort voor de ten laste gelegde datum voor een lange tijd op vakantie geweest en slaapt wanneer hij in Nederland is ook regelmatig niet in zijn eigen huis. Hij had dan ook geen wetenschap van de aanwezigheid van en geen beschikkingsmacht over de cocaïne, ketamine en het (vermeende) valse geld in de woning.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat in onderhavig geval niet is gebleken dat verdachte wetenschap had van de (vermeende) cocaïne, de ketamine en het (vermeende) valse geld die bij hem thuis zijn aangetroffen. Verdachte en zijn stiefzoon, tevens medeverdachte, hebben beiden verklaard dat verdachte niets af wist van de aangetroffen goederen. Over het aangetroffen geld heeft de medeverdachte verklaard dat dat van hem was. Over de aangetroffen verdovende middelen heeft de medeverdachte verklaard dat toen verdachte voor langere periode in het buitenland was, hij een vriend heeft laten logeren die na zijn vertrek nog wat spullen had achtergelaten in de kamer die werd gebruikt als opslagruimte. De goederen waar feit 1 en 2 betrekking op hebben, zijn aangetroffen in een kamer in de woning die als opslagruimte werd gebruikt. Verdachte en zijn stiefzoon hebben verklaard dat verdachte hier nauwelijks kwam. Bovendien lagen de goederen niet in het zicht. Hij heeft telkens verklaard dat hij na zijn vakantie één keer de opslagruimte is geweest om zijn koffer terug te zetten en dat hij toen de goederen niet heeft gezien omdat de ruimte rommelig was en vol stond met spullen. Het geld is aangetroffen in de keuken en in de woonkamer, een nadere omschrijving van de vindplaats ontbreekt. De rechtbank oordeelt dat uit het dossier niet is gebleken dat verdachte enige wetenschap had van de aanwezigheid van de tenlastegelegde goederen in zijn woning. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken.
4. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
Onttrekking aan het verkeer
Het bezit van onderstaande voorwerpen is strafbaar gesteld in de Opiumwet. Hoewel verdachte is vrijgesproken, stelt de rechtbank vast dat, gelet op de aanwezigheid van deze voorwerpen in de woning van verdachte, door een andere, nog onbekende dader, een strafbaar feit is begaan. De voorwerpen zijn daarnaast van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Daarom worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Bewaren voor de rechthebbende
Onderstaande voorwerpen behoren niet aan verdachte toe en zullen worden bewaard voor de rechthebbende.
5. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart de ten laste gelegde feiten niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. van Hall, voorzitter,
mrs. E, Biçer en D. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2025.
[(...)]