RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-254214-25
Datum uitspraak: 3 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 6 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 juni 2025 door the Circuit Court in Jelenia Góra, 3rd Criminal Division (Sąd Okręgowy w Jeleniej Górze, Wydzial 111 Karny), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier in Nederland,
nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Circuit Court [Sąd Okręgowy] in Jelenia Góra van 5 juli 2022 met referentie: III K 24/21, zoals gewijzigd door het arrest van the Court of Appeal [Sąd Apelacyjny] in Wrocław van 18 januari 2024 met kenmerk II Aka 372/22.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreffen feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt raadsman
De raadsman bepleit dat de zaak moet worden aangehouden, om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Hij voert daartoe aan dat de opgeëiste persoon stellig ontkent dat een gemachtigd raadsman namens hem de verdediging op de zitting in hoger beroep heeft gevoerd. De opgeëiste persoon zegt daarentegen (op de zitting van 19 november 2025) dat hij nooit een advocaat heeft gehad in deze procedure(s). Vanaf 2021 is hij in Nederland, zodat hij noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, aanwezig kon zijn. Hierdoor is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW.
Standpunt officier van justitie
Volgens de officier van justitie is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Door de Poolse autoriteiten is in het EAB onder d) ingevuld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in hoger beroep, een gemachtigd advocaat had om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. Bovendien is er een toelichting gegeven in het EAB. De opgeëiste persoon heeft bij de rechter-commissaris bovendien niet ontkend dat hij een advocaat had. Gelet op het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank uitgaan van de juistheid van de verstrekte informatie.
Oordeel van de rechtbank
Het arrest van the Court of Appeal in Wrocław met referentienummer II Aka 372/22
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank gaat ervanuit dat hetgeen onder d) van het EAB is ingevuld, ziet op de procedure in hoger beroep. Hier is ingevuld dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was. De rechtbank stelt dus vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
Uit de toelichting die eveneens in het EAB wordt gegeven, blijkt dat de opgeëiste persoon vanuit de penitentiaire inrichting in Polen, waar hij destijds was gedetineerd vanwege een andere strafzaak, naar een zitting in eerste aanleg is gebracht waar hij ook verklaringen heeft afgelegd. De opgeëiste persoon werd daarnaast bijgestaan door een toegevoegd raadsman, die alle zittingen heeft bijgewoond. Deze raadsman heeft vervolgens hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De opgeëiste persoon werd op de hoogte gebracht dat het door de raadsman ingediende beroep ter behandeling naar het Court of Appeal werd gestuurd. Uit de toelichting blijkt ook dat de opgeëiste persoon niet op de zitting in hoger beroep aanwezig was, maar dat zijn belangen werden behartigd door zijn advocaat.
Op grond van het EAB stelt de rechtbank vast dat ten aanzien van de procedure in hoger beroep sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De opgeëiste persoon was -zo is aangekruist - immers op de hoogte van het voorgenomen proces, heeft een advocaat gemachtigd om hem op de zitting te verdedigen en deze advocaat heeft ter terechtzitting daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon gevoerd. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom ten aanzien van dit vonnis niet van toepassing.
De door de opgeëiste persoon ter zitting afgelegde verklaring, inhoudende dat hij in hoger beroep niet is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat en dat hij zelfs nooit een advocaat heeft gehad, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van de informatie die door de Poolse autoriteiten is verstrekt. Er zijn geen objectieve stukken overgelegd, noch is er nadere onderbouwing gegeven, waaruit zou blijken dat deze informatie onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende. Bovendien heeft de opgeëiste persoon ten tijde van zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat hij dacht dat hij wél een toegevoegd advocaat had, die op de zittingen aanwezig was geweest. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht dan ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
5. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Jelenia Góra, 3rd Criminal Division (Sąd Okręgowy w Jeleniej Górze, Wydzial 111 Karny), Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en D.P. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.