RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-239964-25
Datum uitspraak: 3 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 16 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 mei 2025 door the Circuit Court in Poznań (Sąd Okręgowy W Poznaniu), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier in Nederland,
gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De zitting van 11 november 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 11 november 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst voor bepaalde tijd om de raadsvrouw in de gelegenheid te stellen de aanvullende informatie met betrekking tot artikel 12 OLW te bespreken met de opgeëiste persoon.
De zitting van 19 november 2025
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op de zitting van 19 november 2025 – na toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar in, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van 21 juli 2021 van the District Court in Trzcianka met kenmerk II K 354/21.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd bij dit vonnis, met een proeftijd van 3 jaren. Bij beslissing van 29 augustus 2024 van the District Court in Trzcianka met kenmerk II Ko 554/24 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen maanden en negentien dagen.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt op grond van het EAB vast dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis van 21 juli 2021 van the District Court in Trzcianka (met kenmerk II K 354/21) heeft geleid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat artikel 12 OLW ten aanzien van dit vonnis niet aan de orde is.
Zoals reeds hiervoor onder 3 vermeld, is de in het vonnis opgelegde vrijheidsstraf aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon is opgelegd. Bij beslissing van the District Court in Trzcianka van 29 augustus 2024 (met kenmerk II Ko 554/21) is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 25 september 2025 aanvullende informatie verstrekt. Uit deze informatie blijkt dat de tenuitvoerlegging is bevolen omdat de opgeëiste persoon strafbare feiten heeft gepleegd in de proeftijd en daarvoor is veroordeeld bij het vonnis met de kenmerk II K 750/21, alsook in een tweetal vonnissen van de Politierechter in Nederland, respectievelijk van 30 mei 2022 (parketnummer 08-087336-22) en van 4 december 2023, waarvoor een viertal parketnummers worden genoemd. De rechtbank stelt vast dat uit de Nederlandse justitiële documentatie van opgeëiste persoon blijkt dat de parketnummers 08-245278-21, 08-121603-23 en 08-146940-23 ter terechtzitting zijn gevoegd bij parketnummer 08-210466-23.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 29 augustus 2024 zelf (kenmerk II Ko 554/24) is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. De processen die hebben geleid tot de uitspraken waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld voor de nieuwe triggerende strafbare feiten moeten op grond van voormeld arrest van het HvJ EU wel worden getoetst aan artikel 12 OLW.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd nu de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen in de procedures die tot de veroordelingen van de “triggerende feiten” hebben geleid. Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 750/21 merkt zij op dat - hoewel de opgeëiste persoon in Polen een adresinstructie heeft ontvangen - hij niet juist is opgeroepen. Hij had namelijk zijn nieuwe adres in Nederland opgegeven en is daar ten onrechte niet opgeroepen. De opgeëiste persoon is dan ook in zijn verdedigingsrechten geschaad. Ten aanzien van de veroordelingen in Nederland door de Politierechter, merkt zij op dat de aktes (met daarin de oproep voor de zitting) niet goed zijn uitgereikt. Ten aanzien van het vonnis met parketnummer 08-245278-21 bepleit de raadsvrouw dat de opgeëiste persoon alleen voor dat parketnummer is gedagvaard en niet voor de zaken met parketnummers 08-210466-23, 08-121603-23 en 08-146940-23.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW ten aanzien van de vonnissen waarbij de opgeëiste persoon voor “triggering facts” is veroordeeld, niet van toepassing. Ten aanzien van het vonnis met kenmerk II K 750/21 is volgens de officier van justitie niet gebleken dat zich één van de in artikel 12, aanhef en onder a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan, maar kan er worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond. De Poolse autoriteiten hebben namelijk een adresinstructie aan de opgeëiste persoon verstrekt. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de strafprocedure en de verdenking. Bovendien heeft hij in aanloop naar de zitting een handgeschreven brief over de zitting naar de rechtbank in Polen gestuurd dat hij in het buitenland verbleef. De opgeëiste persoon heeft daarom ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest. Ten aanzien van de vonnissen met parketnummers 08-087336-22 en 08-210466-23 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De opgeëiste persoon is in persoon gedagvaard en is daarbij geïnformeerd over de datum en plaats van de procedures. De officier van justitie merkt op dat uit de akte van uitreiking van de dagvaarding van 22 augustus 2023 inzake 08-210466-23 volgt dat de opgeëiste persoon is gedagvaard is in alle vier de zaken.
Oordeel van de rechtbank
Het vonnis met kenmerk II K 750/21
De rechtbank heeft, nadat eerst op 11 juni 2024 tussenuitspraak is gewezen, op 27 juni 2024 uitspraak gedaan in een andere overleveringszaak ten aanzien van deze opgeëiste persoon waarin dit vonnis mede ten grondslag lag. In die uitspraak is reeds geoordeeld dat ten aanzien van dit vonnis de weigeringsgrond van artikel 12 OLW aan de orde is, maar dat van toepassing van de weigeringsgrond kon worden afgezien. De opgeëiste persoon heeft namelijk ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel is in dit kader kennelijk onzorgvuldig geweest door, ondanks de aan hem gegeven adresinstructie, niet bereikbaar te zijn voor de autoriteiten. De rechtbank neemt derhalve dit oordeel over. Overigens is in de aanvullende informatie van 22 oktober 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit nogmaals uitgelegd dat de opgeëiste persoon zijn adres heeft opgegeven en op 19 augustus 2021, in de periode voorafgaand aan het proces, een adresinstructie heeft ontvangen, waarna hij op 15 januari 2022 zelf een brief heeft gestuurd aan the District Court waarin hij zich verdedigde tegen het feit en aangaf dat hij niet naar de zitting kon komen, omdat hij in het buitenland woonde, een en ander zonder daarbij een adres in het buitenland of een correspondentieadres op te geven. De inhoud van de brief is in vertaling bijgevoegd. Hieruit blijkt dat – anders dan de raadsvrouw heeft betoogd – hij zijn adres niet – althans niet aan de juiste autoriteiten – heeft doorgegeven.
De vonnissen met kenmerken 08-087336-22 en 08-210466-23
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon in de zaken met parketnummer 08-087336-22 en 08-210466-23 door de Politierechter in de rechtbank Overijssel onherroepelijk is veroordeeld. Ook blijkt dat hij niet in persoon is verschenen bij de procedures die tot deze beslissingen hebben geleid. In het dossier bevinden zich ten aanzien van deze beslissingen aktes van uitreiking van de dagvaarding. Hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon respectievelijk op 7 april 2022 en 30 juni 2023 in persoon is gedagvaard en daarbij is geïnformeerd over de datum en plaats van de procedure. Uit de verstrekte informatie blijkt echter niet dat de opgeëiste persoon in beide procedures ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet op de zitting verschijnt.
De rechtbank stelt dan ook vast dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Verder is – kort gezegd – in beide zaken vonnis gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub b en c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Ten slotte is geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
Om die reden kan de overlevering ex artikel 12 OLW voor beide vonnissen worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de feiten waarvan hij werd verdacht en hij wist in beide zaken dat er sprake was van een zitting. De opgeëiste persoon heeft immers de dagvaardingen voor beide procedure in persoon ontvangen (vertaald in de Poolse taal) en ook voor ontvangst getekend. Door niet op de terechtzittingen te verschijnen, ook al is hij daarvoor in persoon opgeroepen, heeft hij stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij de procedures. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom in deze situaties worden vastgesteld dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.
5. Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
eenvoudige belediging
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn moeder.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Inleiding
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander en de overlevering te weigeren onder gelijktijdige strafovername. De raadsvrouw bepleit dat uit de op 18 november 2025 door haar ingediende stukken blijkt dat de opgeëiste persoon vijf jaar onafgebroken in Nederland heeft gewoond en gewerkt. Dat de opgeëiste persoon in Nederland in 2023 en 2024 gedetineerd is geweest, doet daar volgens de raadsvrouw niet aan af. De opgeëiste persoon heeft immers reeds voor zijn detentie duurzaam verblijfsrecht verworven.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de overgelegde stukken buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat deze niet tijdig zijn overgelegd. De raadsvrouw heeft immers pas één dag voor de zitting van 19 november 2025 stukken ingediend, terwijl de zaak al eerder op zitting heeft gestaan en zij reeds tien dagen voor die zitting (van 11 november 2025) stukken had moeten indienen. Door de te laat aangeleverde stukken is het voor het openbaar ministerie niet mogelijk geweest om de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te bevragen en, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gewezen in de zaak C.J. (C-305/22) (hierna C.J.)het certificaat en het veroordelend vonnis bij Poolse autoriteiten op te vragen. Subsidiair voert de officier van justitie aan dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander kan worden gelijkgesteld.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6a, negende lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft de noodzaak van een tijdige (en geordende) aanlevering van stukken ook in meerdere uitspraken benadrukt, mede gelet op de termijn waarbinnen de rechtbank geacht wordt een beslissing te nemen op het overleveringsverzoek. Uit de jurisprudentie van de rechtbank volgt, dat in beginsel een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting redelijk is. Indiening van de stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer na de tiende dag voorafgaande aan de zitting kan ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat.
De rechtbank stelt vast dat de raadsvrouw de stukken niet tijdig aan de rechtbank heeft doen toekomen. De rechtbank heeft de stukken immers pas één dag voor de zitting ontvangen. Bovendien ging het om een aanzienlijke hoeveelheid stukken (183 pagina’s). De rechtbank is dan ook met de officier van justitie van oordeel dat de stukken buiten beschouwing moeten worden gelaten. Daardoor slaagt het gelijkstellingsverweer van de raadsvrouw niet.
Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat zij in een eerdere uitspraak heeft overwogen dat tijdige aanlevering van gelijkstellingstukken des te belangrijker is geworden sinds het arrest C.J., omdat bij een beroep op gelijkstelling zoals bedoeld in artikel 6a OLW niet alleen een IND-advies moet worden opgevraagd, maar ook toestemming van de uitvaardigende lidstaat moet worden verkregen in de vorm van, kort gezegd, een WETS-certificaat en het veroordelend vonnis.
7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
8. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
Inleiding
Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de overlevering te weigeren op grond van artikel 13 OLW, omdat zowel de opgeëiste persoon als zijn moeder (de rechtbank begrijpt: tevens het slachtoffer in de zaak waarin het vonnis met kenmerk II K 354/21 is gewezen) in Nederland woonachtig zijn, het feit plaats heeft gevonden in Nederland en ook het strafdossier in Nederland is samengesteld. De strafzaak had daarom naar Nederlandse maatstaven moeten worden afgehandeld.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van de toepassing van de weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan. De bewijsmiddelen bevinden zich in Polen, zowel de opgeëiste persoon als het slachtoffer hebben de Poolse nationaliteit, de opgeëiste persoon is reeds onherroepelijk veroordeeld in Polen en de Nederlandse autoriteiten zijn niet voornemens om de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat, in het licht van de door de officier van justitie gegeven argumenten, het gegeven dat het feit wordt geacht gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. Daarbij komt dat de opgeëiste persoon ook veroordeeld is voor onderdelen van het feit die hebben plaatsgevonden in Polen.
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
9. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
10. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 266, 285, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7, 12 en 13 van de Overleveringswet.
11. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Poznań (Sąd Okręgowy W Poznaniu), Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en D.P. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.