ECLI:NL:RBAMS:2025:9562

ECLI:NL:RBAMS:2025:9562, Rechtbank Amsterdam, 03-12-2025, 13-271312-25

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 03-12-2025
Datum publicatie 10-12-2025
Zaaknummer 13-271312-25
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0016664

Samenvatting

Vervolgings-EAB Tsjechië. Overlevering toegestaan. Artikel 6 OLW. Gelijkstellingsverweer gehonoreerd, gelet op een eerdere uitspraak in een andere overleveringszaak ten aanzien van deze opgeëiste persoon waarin is geoordeeld dat de opgeëiste persoon aan alle voorwaarden voldoet. Terugkeergarantie gegeven en voldoende bevonden. Artikel 13 OLW. Feiten zijn geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied gepleegd, maar afzien van toepassing weigeringsgrond. Samenloop van Europese aanhoudingsbevelen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op artikel 26, derde lid, OLW voorrang moet worden gegeven aan het onderhavige Tsjechische EAB.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-271312-25

Datum uitspraak: 3 december 2025

UITSPRAAK

op de vordering van 22 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 9 oktober 2025 door de Stedelijke rechtbank te Praag (Městský soud v Praze), Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1965 in [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[BRP-adres] ,

nu uit anderen hoofde gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 november 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, advocaat in Amsterdam.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Kroatische nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB (in samenhang gelezen met het A-formulier) vermeldt een aanhoudingsbevel afgegeven op 9 april 2025 door de Stedelijke Rechtbank te Praag met referentienummer 73 T 5/2025.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Tsjechisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Tsjechië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

Gelijkstelling

Standpunt partijen

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. Hij beschikt al sedert 1987 over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en woont dus ook al meer dan 10 jaar in Nederland. Recent is een beroep op gelijkstelling in het kader van een ander EAB gehonoreerd. De brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 5 november 2025 bevat geen gegevens die ertoe zouden moeten leiden dat nu anders geoordeeld wordt. Ook nu dient hij gelijkgesteld te worden.

De officier van justitie stelt zich eveneens op het standpunt dat het beroep op gelijkstelling van de opgeëiste persoon moet worden gehonoreerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft op 19 augustus 2025 uitspraak gedaan in een andere overleveringszaak ten aanzien van deze opgeëiste persoon.Daarin is reeds geoordeeld dat de opgeëiste persoon aan alle voorwaarden van artikel 6, eerste lid, OLW voldoet, zodat hij op grond van artikel 6, derde lid, OLW kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Sedertdien zijn er geen wijzigingen opgetreden in de omstandigheden en het IND-advies van 11 november jl. biedt geen nieuwe gezichtspunten. De rechtbank stelt de opgeëiste persoon gelijk aan een Nederlander.

Garantie

De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.

Bij brief van 9 oktober 2025 heeft the Presiding Judge of senate 73 T, Municipal Court in Prague de volgende garantie gegeven:

“If [de opgeëiste persoon] is surrendered from the Netherlands on condition order that he shall be returned to the Netherlands in the event a custodial sentence or detention order is imposed on him in the Czech Republic, the competent authority of the Netherland will be informed of such final decision without undue delay. Furthermore, all necessary cooperation for the enforcement of the decision will be provided, so that [de opgeëiste persoon] is enabled to serve the custodial sentence or detention order in the territory of the Netherlands.”

Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Inleiding

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.

Standpunt raadsvrouw

De raadsvrouw bepleit dat de overlevering op grond van artikel 13 OLW moet worden geweigerd. Zij voert daartoe aan dat het, in het belang van een goede rechtsbedeling, wenselijk is dat vervolging ter zake van de in het EAB genoemde feiten in Nederland plaatsvindt. De feiten hebben zich grotendeels op Nederlands grondgebied voorgedaan, de bewijsmiddelen bevinden zich overwegend in Nederland, in ieder geval één medeverdachte (zoon van de opgeëiste persoon) verblijft in Nederland en de Nederlandse autoriteiten hebben rechtsmacht. Daarnaast wordt bij een eventuele strafoplegging in Tsjechië geen rekening gehouden met de samenhang van de feiten in de Nederlandse strafzaak (waarin hij recent veroordeeld is) en die weliswaar op een andere pleegdatum zien, maar wel soortgelijk zijn, waardoor een onevenredig hoge straf dreigt opgelegd te worden.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan. Het onderzoek is in Tsjechië aangevangen, de verdovende middelen zijn deels op Tsjechisch grondgebied geproduceerd en verhandeld en aldaar vervoerd, de bewijsmiddelen bevinden zich in Tsjechië, een aantal medeverdachten is in Tsjechië aangehouden en de Nederlandse autoriteiten zijn niet voornemens om de opgeëiste persoon voor deze feiten te vervolgen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat:

- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;

- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.

De rechtbank stelt vast dat, in het licht van de door de officier van justitie gegeven argumenten, het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding geeft om de weigeringsgrond toe te passen. Hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen. Dat hij ook in Nederland veroordeeld is voor feiten die met de productie van amfetamine te maken hebben, maakt dat niet anders. Deze feiten hebben plaatsgevonden op 12 juli 2021 in Breda, dus buiten de periode die in het EAB genoemd wordt.

7. Samenloop van Europese aanhoudingsbevelen

Inleiding

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 26, derde lid, OLW in geval van samenloop van Europese aanhoudingsbevelen de officier van justitie kan vermelden aan welk aanhoudingsbevel, voor zover de overlevering op basis daarvan kan worden toegestaan, de rechtbank naar haar oordeel voorrang kan geven, waarbij rekening gehouden moet worden met het belang van een goede rechtsbedeling.

De rechtbank stelt vast dat naast het onderhavige Tsjechische EAB nog een Kroatisch EAB met parketnummer 13-171228-25 ten aanzien van de opgeëiste persoon is uitgevaardigd wegens het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Kroatisch recht strafbare feiten. De overlevering is op 19 augustus 2025 voor een deel van de feiten toegestaan.

Standpunt partijen

Volgens de officier van justitie dient voorrang te worden gegeven aan het onderhavige Tsjechische EAB. De opgeëiste persoon zit nog tot maart 2026 in Nederland vast om de straf uit te zitten die aan hem is opgelegd in de zaak met parketnummer 02-027217-22. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 9 oktober 2025 expliciet heeft verzocht om de opgeëiste persoon tijdelijk ter beschikking van Tsjechië te stellen (VTBS), zodat de opgeëiste persoon bij zijn strafzaak van 5 tot en met 9 januari 2026 aanwezig kan zijn. Tsjechië heeft daarom belang bij de voortgang en afdoening van de strafzaak. Daarnaast heeft opgeëiste persoon de Kroatische nationaliteit: indien hij eerst naar Kroatië overgeleverd wordt, is het de vraag of overlevering naar Tsjechië van daaruit zo eenvoudig is.

De raadsvrouw heeft geen bezwaar tegen voorrang aan het onderhavige Tsjechische EAB.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat gelet op artikel 26, derde lid, OLW voorrang moet worden gegeven aan het onderhavige Tsjechische EAB. Uit het dossier blijkt dat op zeer korte termijn, te weten op 5 tot en met 9 januari 2026, de strafzaak tegen de opgeëiste persoon in Tsjechië zal worden behandeld. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van de voorgeleiding van 21 oktober 2025 dat de opgeëiste persoon ook aanwezig wil zijn bij zijn strafzaak. Verderlevering vanuit Kroatië aan Tsjechië kan mogelijk geruime tijd in beslag nemen, omdat weliswaar in Kroatië een strafrechtelijk onderzoek loopt, maar onbekend is op welke termijn daar een zitting zal plaatsvinden. In het kader van een goede rechtsbedeling zal de rechtbank daarom bepalen dat voorrang dient te worden gegeven aan het onderhavige Tsjechische EAB.

8. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7, 13 en 26 van de Overleveringswet.

10. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Stedelijke rechtbank te Praag (Městský soud v Praze), Tsjechië voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

BEPAALT dat VOORRANG dient te worden gegeven aan het onderhavige EAB met parketnummer 13-271312-25 dat is uitgevaardigd door Tsjechië, boven het EAB met parketnummer 13-171228-25 dat is uitgevaardigd door Kroatië.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,

mrs. D.L.S. Ceulen en D.P. Hein, rechters,

in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 december 2025.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B.M. Vroom-Cramer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?