ECLI:NL:RBAMS:2025:9596

ECLI:NL:RBAMS:2025:9596, Rechtbank Amsterdam, 21-11-2025, 13/220152-25 en 13/218848-25

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 21-11-2025
Datum publicatie 10-12-2025
Zaaknummer 13/220152-25 en 13/218848-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Diefstal, belediging en enig goed onbruikbaar maken. ISD maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/220152-25 (A) en 13/218848-25 (B) (ter terechtzitting gevoegd) Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 18/081974-23

Datum uitspraak: 21 november 2025

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] ,

thans gedetineerd te: [Penitentiaire Inrichting] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 november 2025.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.H. Heeg, naar voren hebben gebracht. Daarnaast is reclasseringsmedewerker, [reclassseringsmedewerker] , als deskundige gehoord.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak A

Feit 1

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland één of meerdere flessen alcoholische drank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

Feit 2

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk één of meerdere ambtenaren, te weten: [ambtenaar 1] en/of [ambtenaar 2] (beide werkzaam als hoofdagent bij de Politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheidmondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd door hem/haar/hun meermaals, althans eenmaal de woorden toe te voegen:

- ' Homo' en/of

- ‘ Je bent een kankerhomo.' en/of

- ' Je kankermoeder, je bent een kankerhomo.’ en/of ,

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of door te spugen op/tegen het lichaam, althans in de richting van die [ambtenaar 2] ;

Zaak B

hij, op of omstreeks 17 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ophoudcel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Nationale Politie, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Bewijsoverwegingen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.

Stanpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van zaak A feit 1 op het standpunt gesteld dat geen sprake was van inklimming. Ten aanzien van zaak A feit 2 en zaak B heeft de verdediging vrijspraak bepleit omdat verdachte ontkent.

Oordeel van de rechtbank

Zaak A

Feit 1

Gelet op de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte en de aangifte van [aangever 1] , namens [benadeelde partij] , acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 28 juli 2025flessen alcoholische drank heeft gestolen doormiddel van braak en/of verbreking. De rechtbank acht niet bewezen dat sprake is geweest van inklimming en spreekt verdachte van dat deel vrij.

Feit 2

Op grond van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [ambtenaar 1] en [ambtenaar 2] van 28 juli 2025, de aangifte van [ambtenaar 2] en de foto op pagina 14 (met als titel: ‘Spuug op hand’) acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 28 juli 2025 ambtenaren [ambtenaar 1] en [ambtenaar 2] heeft beledigd.

Zaak B

Op grond van de aangifte van [aangever 2] , namens politie Amsterdam-Amstelland, en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [aangever 2] acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 17 juli 2025 een ophoudcel van de politie onbruikbaar heeft gemaakt.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Zaak A

Feit 1

op 28 juli 2025 te Amsterdam, flessen alcoholische drank, die aan [benadeelde partij] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om ze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Feit 2

op 28 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk ambtenaren, te weten: [ambtenaar 1] en [ambtenaar 2] (beiden werkzaam als hoofdagent bij de Politie Eenheid Amsterdam), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid mondeling en door feitelijkheden heeft beledigd door hen de woorden toe te voegen:

- ' Homo' en

- ‘ Je bent een kankerhomo.' en

- ' Je kankermoeder, je bent een kankerhomo.’ en

- door te spugen op/tegen het lichaam, van die [ambtenaar 2] ;

Zaak B

op 17 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ophoudcel, die aan de Nationale Politie toebehoorde, onbruikbaar heeft gemaakt.

5. Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om een ISD-maatregel van één jaar op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de tijd in voorlopige hechtenis van de duur van de ISD-maatregel af te trekken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal, belediging en vernieling. Dit zijn vervelende feiten waarmee verdachte overlast heeft veroorzaakt.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van verdachte van 24 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, waarbij zowel onvoorwaardelijke als voorwaardelijke straffen zijn opgelegd. Op het moment van plegen van de onderhavige feiten liep verdachte in een proeftijd van een eerdere veroordeling. Dit alles heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw over te gaan tot het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 24 oktober 2025, opgemaakt door [reclassseringsmedewerker] . Uit het rapport volgt onder meer dat verdachte dakloos is en geen werk heeft. Ook blijkt dat er sprake is van overmatig alcoholgebruik, een verstandelijke beperking en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Verdachte bevindt zich in een vicieuze cirkel waarbij hij, onder invloed van alcohol, conflicten krijgt met anderen en agressie vertoont. Daardoor komt verdachte steeds in contact met justitie. Eerdere drangkaders zijn negatief verlopen en de reclassering ziet geen mogelijkheid tot het inzetten van reclasseringsinterventies. Het recidiverisico blijft daardoor hoog. De reclassering is van oordeel dat verdachte aan zowel de harde als de zachte criteria van de ISD-maatregel voldoet en adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

Ter terechtzitting heeft de deskundige het advies toegelicht en onderschreven.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad van verdachte van 24 september 2025 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de onderhavige feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf/maatregel, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen/maatregelen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht op basis van het reclasseringsrapport en de toelichting van de reclasseringsmedewerker en legt aan verdachte de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op. De rechtbank heeft van verdachte begrepen dat de ISD-maatregel volgens hem niet zinvol zal zijn, maar de rechtbank ziet geen alternatieven ter voorkoming van aanhoudende recidive en heeft er geen vertrouwen in dat verdachte op eigen kracht zijn problematiek kan aanpakken.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

9. Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij, [aangever 1] , vordert € 2.053,19 aan vergoeding van materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door de benadeelde partij gevorderde materiële schade bestaat uit € 1.753,29 voor de reparatie van de ruiten en € 300,- aan kosten van de flessen alcoholische drank. De verdediging heeft ter terechtzitting betwist dat [aangever 1] gerechtigd is om een vordering tot schadevergoeding in te dienen. Daarnaast heeft de verdediging de hoogte van de vordering betwist.

De rechtbank overweegt dat [aangever 1] de eigenares is van [benadeelde partij] en derhalve gerechtigd is tot het indienen van een schadevergoeding als benadeelde partij. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank oordeelt dat de gevorderde schade voor de flessen alcoholische drank niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat de benadeelde partij deze flessen heeft teruggekregen. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat de schade voor vergoeding aanmerking komt. De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 1.753,29, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2025.

Voor het overige verklaart de rechtbank de materiële schadevordering niet-ontvankelijk.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling van het schadevergoedingsbedrag aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Verdachte wordt verder veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt. Deze kosten begroot de rechtbank tot op heden op nihil.

10. Vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18/081974-23 dient te worden afgewezen. De tenuitvoerlegging van deze vordering is niet opportuun, gelet op de oplegging van de ISD-maatregel.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 57, 267, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

12. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A

feit 1:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking

feit 2:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd

Zaak B

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van €1.753,29 (duizend zevenhonderddrieënvijftig euro en negenentwintig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Verklaart de vordering voor het meerdere niet-ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 1] aan de Staat € 1.753,29 (duizend zevenhonderddrieënvijftig euro en negenentwintig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 27 (zevenentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 18/081974-23 af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C.E. Krikke, voorzitter,

mrs. C.C.J. Maas – van Es en G. Oldekamp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M.S. Kamp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 november 2025.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.C.E. Krikke

Griffier

  • mr. K.M.S. Kamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?