beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/778060 / FA RK 25/8414
kenmerk: ZM/IND/182119
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 24 november 2025 van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. J. Bravo Mougán te Amsterdam,
zorgaanbieder: GGZ inGeest.
1. Procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 3 november 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 24 november 2025 in het gebouw van de rechtbank.
Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene;
- de raadsvrouw;
- dhr. [naam] , arts.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.
2. Beoordeling
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van (nu stabiele fase van) schizoaffectieve stoornis. Voorheen stoornis in cannabisgebruik, nu enkele jaren in remissie, maar van belang mocht er een terugval plaatsvinden.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in: levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, maatschappelijke teloorgang en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. Van de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, alsmede gelet op hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk voor de duur van zes maanden:
toedienen van medicatie;
het verrichten van medische controles ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
beperken van de bewegingsvrijheid (telkens voor maximaal drie maanden);
insluiten (telkens voor maximaal zeven dagen);
uitoefenen van toezicht op betrokkene (telkens voor maximaal zeven dagen);
onderzoek aan kleding of lichaam (telkens voor maximaal drie maanden);
onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen (telkens voor maximaal drie maanden);
controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen en het nakomen van afspraken met het ambulant behandelteam;
opnemen in een accommodatie (telkens voor maximaal drie maanden).
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
De advocaat heeft verzocht om afwijzing van het verzoek gelet op de vrijwilligheid van betrokkene en zij doet daarbij een beroep op wilsbekwaam verzet. Betrokkene is volgens haar wilsbekwaam en in staat zelf het leven in te richten zoals hij wil. Betrokkene is al langere tijd stabiel en ook de medicatie switch is goed verlopen. Het opgenomen ernstig nadeel levensgevaar en de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is, is niet voldoende gemotiveerd. Het is ook niet waargenomen door de onafhankelijke psychiater, maar alleen op basis van het dossier gemotiveerd. Betrokkene heeft ziekte inzicht en realiseert zich dat hij een behandeling nodig heeft. Subsidiair heeft de advocaat verzocht de zorgmachtiging in duur te beperken en te verlenen voor maximaal zes maanden.
De arts heeft ter zitting naar voren gebracht dat het momenteel goed gaat met betrokkene maar dat er een spannende periode aankomt met een verhuizing. Betrokkene woont nu bij zijn moeder en gaat een eigen huishouden opbouwen. In de thuissituatie is het ook makkelijker om drugs te nemen dan bij moeder thuis. Het komt dan boven op het medicatie gebruik en dat kan alsnog tot een ontregeling leiden. Dat is de reden dat er weer een zorgmachtiging is aangevraagd. De zorgmachtiging is voor één jaar aangevraagd, maar voor een half jaar zou ook kunnen.
Anders dan de advocaat namens betrokkene heeft bepleit is de rechtbank van oordeel, dat betrokkene ten tijde van het ernstig nadeel levensgevaar, niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. Gelukkig gaat het nu goed en is er nu geen sprake van levensgevaar, maar er is een risico als betrokkene bijvoorbeeld weer drugs gaat gebruiken.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de duur van zes maanden.
3. Beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , inhoudende dat gedurende de looptijd van de machtiging bij wijze van verplichte zorg de in rechtsoverweging 2.4 genoemde maatregelen kunnen worden getroffen;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 24 mei 2026.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 24 november 2025 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. A.E. van Montfrans, rechter, bijgestaan door D.L. Overduin als griffier en op 8 december 2025 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.