RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/778322 / KG ZA 25-907 MdV/EV
Vonnis in kort geding van 8 december 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1]
eisende partij bij dagvaarding van 13 november 2025,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.A. Bloembergen en mr. E.W. van Waasbergen,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
verschenen in persoon.
1. De procedure
Op de mondelinge behandeling van 24 november 2025 is [eiser] verschenen met mr. Bloembergen en mr. Van Waasbergen. [gedaagde] is in persoon verschenen. [eiser] heeft de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding en de daarbij behorende producties toegelicht aan de hand van een pleitnota. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
[eiser] heeft op 6 september 2024 een bedrag van € 75.000,00 uitgeleend aan ACM CAPITAL LTD (hierna: ACM). Daarbij werd afgesproken dat ACM uiterlijk op 18 september 2024 € 100.000,00 zou (terug)betalen aan [eiser] . [gedaagde] heeft zich borg gesteld voor deze betaling. Op afroep zou hij aan [eiser] een hypotheekrecht verlenen op een woning aan de [adres] (‘de woning’).
ACM heeft niet betaald. Op vordering van [eiser] is [gedaagde] bij vonnis van 23 mei 2025 door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot het vestigen van een hypotheekrecht op de woning voor een bedrag van € 100.000,00. [gedaagde] is deze veroordeling niet nagekomen. Hij heeft daardoor dwangsommen verbeurd voor een bedrag van € 25.000,00. Op 26 juli 2025 heeft [eiser] executoriaal beslag gelegd ten laste van [gedaagde] .
Ter vervanging van de verplichtingen uit het vonnis van 23 mei 2025 hebben partijen op 25 juli 2025 een vaststellingsovereenkomst (VSO) gesloten. De VSO verplicht [gedaagde] uiterlijk 31 juli 2025 € 150.000,00 aan [eiser] te betalen, op straffe van een (ongelimiteerde) contractuele boete van € 10.000,00 per dag dat nakoming door [gedaagde] uitblijft. [gedaagde] heeft niet (tijdig) betaald.
3. Het geschil
Samengevat vordert [eiser] :
I. betaling van € 150.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2025 tot en met de dag van algehele voldoening;
II. betaling van de contractuele boete van € 10.000,00 per dag vanaf 1 augustus 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;
III. betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;
IV. betaling van de proceskosten, in geval van betekening van dit vonnis te vermeerderen met wettelijke rente.
[eiser] vordert, kort gezegd, nakoming van de VSO.
[gedaagde] erkent de vordering in hoofdsom en doet een beroep op matiging van de boete.
4. De beoordeling
De gevorderde hoofdsom van € 150.000,00 is door [gedaagde] erkend en is daarmee toewijsbaar. Ook is erkend dat [gedaagde] met betaling hiervan sinds 1 augustus 2025 in verzuim is, zodat ook de wettelijke rente wordt toegewezen.
De voorzieningenrechter ziet, ook bij een terughoudende beoordeling, aanleiding om de contractuele boete te matigen en wel tot nihil. Weliswaar is [gedaagde] destijds akkoord gegaan met deze boete, maar dat deed hij met de rug tegen de muur, in een ultieme poging verkoop van de woning te voorkomen en in de (ijdele) hoop dat ACM alsnog aan haar betalingsverplichting zou voldoen. De boete bedraagt € 10.000,00 (6,7% van de hoofdsom) per dag, was ten tijde van de mondelinge behandeling opgelopen tot het astronomische bedrag van € 1.160.000,00 (op de vonnisdatum nog eens € 140.000,00 hoger) en kan tot het oneindige blijven oplopen. Een prikkel tot nakoming kan dit niet meer worden genoemd. De boetebedragen staan in geen enkele verhouding tot de hoofdsom en evenmin tot de geleden schade, want over de hoofdsom is al de wettelijke rente verschuldigd. Toepassing van de boete leidt daarmee tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zo onaanvaardbaar om dergelijke woekerafspraken te maken met een particulier, dat de boete tot nihil moet worden teruggebracht. De boetevordering wordt dus in zijn geheel afgewezen.
[eiser] vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incasso-kosten. Niet aangetoond is dat aan [gedaagde] een zogenoemde veertiendagenbrief is verstuurd conform de Wet Incassokosten (WIK). Dat betekent dat de gevorderde kosten niet kunnen worden toegewezen.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
2.723,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.152,47
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 150.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover met ingang van 1 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, begroot op € 4.152,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de derde dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.P.M. Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025.