RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11568603 \ CV EXPL 25-3725
Vonnis van 9 december 2025
in de zaak van
[eiser] (H.O.D.N. [handelsnaam] ),
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. C.A.M.H. Vink,
tegen
COMFORTIES.COM LTD,
gevestigd te Varna 9000 (Bulgarije),
gedaagde partij,
hierna te noemen: Comforties,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 maart 2025, met producties;- de conclusie van antwoord;
- het instructievonnis van 25 maart 2025;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek, met producties;
- de akte uitlating producties van [eiser] .
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
De zaak in het kort
[eiser] vordert in dit geschil betaling van een hoofdsom van € 6.715,00, te vermeerderen met rente, buitengerechtelijke kosten en vertaalkosten. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij uit hoofde van een tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht werkzaamheden c.q. diensten heeft verricht voor Comforties. Nadat Comforties de overeenkomst heeft opgezegd, heeft zij geen rekening gehouden met een redelijke opzegtermijn. [eiser] vordert nakoming van de betalingsverplichting van Comforties.
Comforties erkent dat [eiser] als freelancer voor Comforties werkzaamheden heeft uitgevoerd, maar stelt primair dat noch de Nederlandse rechter bevoegd, noch dat Nederlands recht van toepassing is op dit geschil. [eiser] voerde namelijk alle werkzaamheden uit vanuit Spanje en Comforties is gevestigd in Bulgarije. Hierom is er geen basis om Nederlands recht toe te passen.
De bevoegdheid
De zaak heeft een internationaal karakter, nu [eiser] woonachtig is in Nederland en Comforties gevestigd is in Bulgarije. De vordering in de hoofdzaak betreft een burgerlijke of handelszaak en is ingesteld na 10 januari 2015. Dit betekent dat aan de hand van Verordening (EU) 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Brussel I-bis) onderzocht moet worden of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.
Partijen hebben geen schriftelijke overeenkomst gesloten. Noch is er sprake van een forumkeuze in de zin van artikel 25 Brussel I-bis. De bevoegdheid dient daarom te worden beoordeeld aan de hand van de algemene en bijzondere bevoegdheidsregels van Brussel I-bis.
Uit artikel 4 lid 1 Brussel I-bis volgt het uitgangspunt dat de rechter van de lidstaat waar gedaagde woonplaats heeft bevoegd is. Vast staat dat Comforties ten tijde van het aanhangig maken van het geding is gevestigd in Bulgarije. [eiser] heeft nog aangevoerd dat Comforties eerst in Nederland was gevestigd en gedurende de looptijd van de overeenkomst naar Bulgarije zou zijn verhuisd. Deze stelling kan, wat daar ook van zij, niet tot een andere toepassing van artikel 4 Brussel I-bis leiden. De internationale bevoegdheid van de rechter wordt op grond van dit artikel beoordeeld aan de hand van de huidige vestigingsplaats van de gedaagde. Dat is Bulgarije.
[eiser] beroept zich daarnaast op de bijzondere bevoegdheidsgrond van artikel 7 lid 1 Brussel I-bis en stelt dat de overeenkomst in overwegende mate in Nederland is uitgevoerd. [eiser] voert daartoe aan dat Comforties beschikt over een Nederlands btw-nummer, een magazijn in Delfgauw en dat periodieke gesprekken altijd fysiek in Amsterdam plaatsvonden. Comforties heeft deze stellingen betwist. Volgens Comforties verrichtte [eiser] zijn werkzaamheden vanuit Spanje, is Comforties in Bulgarije geregistreerd en vanuit daar werkzaam, en vonden de communicatie, het management en de betalingen volledig vanuit Bulgarije plaats. Het enkele feit dat Comforties een Nederlands btw-nummer heeft, maakt volgens Comforties nog niet dat de Nederlandse rechter bevoegd is.
[eiser] heeft zijn stelling dat de overeenkomst in Nederland werd uitgevoerd op geen enkele wijze met stukken onderbouwd. Hij heeft geen facturen, correspondentie, opdrachtbevestigingen, betalingsgegevens of andere stukken overgelegd waaruit feitelijke uitvoering in Nederland zou blijken. Het enkele feit dat Comforties beschikt over een Nederlands btw-nummer en een magazijn in Nederland, brengt geen rechterlijke bevoegdheid met zich mee, nu deze omstandigheden niet bepalend zijn voor de plaats van uitvoering van de overeenkomst in de zin van Brussel I-bis.
Comforties heeft de door [eiser] aangevoerde bevoegdheidsgrond gemotiveerd betwist. Nu niet kan worden vastgesteld dat de verbintenis die aan de vordering ten grondslag ligt in Nederland is uitgevoerd, slaagt het beroep op artikel 7 lid 1 Brussel I-bis niet.
Omdat de bijzondere bevoegdheidsgrond niet slaagt, resteert de algemene regel van artikel 4 lid 1 Brussel I-bis. Dat betekent dat de rechter van de lidstaat waar Comforties woonplaats heeft – Bulgarije – bevoegd is.
De conclusie
De conclusie is dat er geen grondslag voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter aanwezig is. De kantonrechter zal zich daarom onbevoegd verklaren om van het geschil kennis te nemen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Comforties worden begroot op nihil.
3. De beslissing
De kantonrechter
verklaart zich onbevoegd de vorderingen te behandelen en daarover te beslissen,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025, in aanwezigheid van de griffier mr. S.H.I. Hoestra.
61289