RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
RK nummer: 25-025938
Datum beschikking: 9 december 2025
BESCHIKKING
op het klaagschrift ex artikel 5.4.10 in verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:
[klaagster]
geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1999,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
domicilie kiezende te [adres 2] ,
hierna: klaagster.
1. Procesgang
Het klaagschrift is op 10 oktober 2025 ingediend ter griffie van deze rechtbank.
De rechtbank heeft op 25 november 2025 het klaagschrift behandeld en de raadsman van klaagster, mr. E.G.S. Roethof, advocaat in Amsterdam (telefonisch) en de officier van justitie,
mr. W.L.M. van Poll, in openbare raadkamer gehoord.
Klaagster is niet verschenen. De raadsman heeft desgewenst laten weten gemachtigd te zijn om voor klaagster op te treden.
2. Feiten en omstandigheden
De Belgische autoriteiten hebben door middel van een Europees onderzoeksbevel (EOB) van 21 maart 2025 verzocht om een huiszoeking bij klaagster te verrichten en daarbij mobiele telefoontoestellen, alle digitale gegevensdragers en alle relevante documenten in beslag te nemen, in verband met een strafrechtelijk onderzoek tegen haar ter zake van de verdenking dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het EOB.
Op 7 oktober 2025 is ter uitvoering van het EOB – op grond van artikel 94 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – het volgende voorwerp in beslag genomen onder klaagster:
- Apple iPhone zwart (goednummer: PL1300-2025246308-6719586).
3. Inhoud klaagschrift en standpunt klaagster
Het klaagschrift strekt tot teruggave van de Apple iPhone omdat er volgens klaagster geen valide argumenten zijn voor de stelling dat de inbeslaggenomen mobiele telefoon aan enig crimineel handelen gekoppeld kan worden en klaagster haar mobiele telefoon nodig heeft voor belangrijke applicaties, zoals DigiD en internetbankieren. Daarnaast stelt klaagster dat zij haar mobiele telefoon nodig heeft om zaken voor haar zoontje te regelen.
In aanvulling daarop heeft de raadsman in raadkamer nog aangevoerd dat het beslag inmiddels al geruime tijd voortduurt zodat het mogelijk was geweest om een digitale kopie te maken van de telefoon en deze kopie over te dragen aan de Belgische autoriteiten. Daarom is er geen enkele reden voor de voortduring van het beslag. Daarnaast stelt de raadsman dat een ander toetsingskader moet worden gehanteerd bij inbeslagnames in het kader van een EOB dan het door de Hoge Raad uiteengezette toetsingskader. De raadsman doet daarbij een beroep op het ongestoorde genot van eigendom, wat de rechtbank opvat als een beroep op artikel 1 van het Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4. Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard. Het is niet aan de rechtbank om de materiële gronden voor het beslag, noch de proportionaliteit daarvan te toetsen. De officier van justitie stelt daarnaast dat er geen gronden zijn voor weigering van de erkenning van het EOB zoals bedoeld in artikel 5.4.3 Sv. Evenmin doen zich de weigeringsgronden zoals weergegeven in artikel 5.4.4 Sv voor. Tot slot is bij de uitvoering van de inbeslagname aan alle formaliteitseisen voldaan.
5. Het oordeel van de rechtbank
Toetsingskader
Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is.
In (onder meer) zijn arrest van 21 december 2021 heeft de Hoge Raad het toetsingskader in beklagzaken ex artikel 5.4.10 Sv in verbinding met artikel 552a Sv uiteengezet.
Bij de behandeling van een dergelijk klaagschrift wordt geen onderzoek gedaan naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB. Evenmin wordt de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen getoetst.
Daarentegen moet wel worden beoordeeld of zich – gelet op de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan, indien aan de orde, ook worden beoordeeld of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast, welke beoordeling overigens is beperkt tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verder staat aan de rechtbank ter beoordeling of de in beslag genomen voorwerpen het bewijsmateriaal betreffen waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.
Bij de beoordeling van een klaagschrift dat betrekking heeft op inbeslagneming op grond van een EOB is ten slotte niet de vraag aan de orde of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Aan het systeem van het EOB ligt immers ten grondslag dat met de uitvaardiging van een EOB het belang van strafvordering in de uitvaardigende staat wordt verondersteld aanwezig te zijn.
Voor zover de ter uitvoering van het EOB inbeslaggenomen voorwerpen gegevensdragers betreffen, is nog van belang dat deze gegevensdragers worden overgedragen aan de uitvaardigende autoriteit. Dat is slechts anders als uit de inhoud van het EOB blijkt of door de uitvaardigende autoriteit is aangegeven dat de overdracht van een kopie volstaat. Daarnaast is het niet aan de rechter die over het klaagschrift oordeelt, om te bepalen dat kopieën van de op inbeslaggenomen gegevensdragers opgeslagen gegevens aan klager ter beschikking worden gesteld.
Oordeel van de rechtbank
In het licht van het hiervoor geschetste toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt.
Gelet op het EOB en de daarin omschreven verdenkingen is de rechtbank van oordeel dat het in beslag genomen voorwerp het bewijsmateriaal betreft waarop het EOB betrekking heeft en die de uitvaardigende autoriteit met dat bevel beoogt te verkrijgen.
In het bovengenoemde arrest van de Hoge Raad wordt beschreven dat het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. In de onderhavige zaak toont het feit dat de Belgische autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd ten aanzien van de genoemde goederen dat zij strafvorderlijk belang zien bij het beslag van het genoemde goed.
Het goed is in beslag genomen met het oog op de waarheidsvinding in het genoemde Belgische strafrechtelijk onderzoek. Het is niet aan de rechtbank om te beoordelen of, en in hoeverre, deze goederen daadwerkelijk aan de waarheidsvinding kunnen bijdragen en evenmin of de inbeslagneming tot dat doel in een redelijke verhouding staat. Dat staat ter beoordeling van de Belgische autoriteiten. Het standpunt van klaagster, en wat de raadsman heeft aangevoerd in de openbare raadkamer, maakt dit niet anders. De rechtbank ziet in de enkele verwijzing naar het recht op ongestoord genot van eigendom geen reden om af te wijken van het door de Hoge Raad uiteengezette toetsingskader.
Het voorliggende EOB voldoet aan de in artikel 5.4.3. Sv gestelde eisen, er doen zich geen van de in artikel 5.4.4 Sv genoemde weigeringsgronden voor en er is geen sprake van één van de in artikel 5.4.6 Sv genoemde situaties.
Gelet hierop zal de rechtbank het klaagschrift ongegrond verklaren.
6. Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag ONGEGROND.
Deze beslissing is op 9 december 2025 gegeven en in het openbaar uitgesproken door:
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier.