ECLI:NL:RBAMS:2025:9716

ECLI:NL:RBAMS:2025:9716, Rechtbank Amsterdam, 03-12-2025, C/13/767439 / HA ZA 25-928

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 03-12-2025
Datum publicatie 19-01-2026
Zaaknummer C/13/767439 / HA ZA 25-928
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Tussenvonnis. Partijen twisten over de gemaakte afspraken in het kader van de overname van een tandheelkundige praktijk. Het debat tussen partijen spitst zich met name toe op de vraag welke overnamesom is afgesproken. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het benoemen van een deskundige. Verder twisten partijen over de vraag of gedaagde zich mocht beroepen op verrekening, of de samenwerking voor het blijven werken in de praktijk terecht is beëindigd, of contante betalingen van patiënten zijn achtergehouden, en of sprake is geweest van onbevoegd verrichte behandelingen waarvoor is gedeclareerd.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/767439 / HA ZA 25-928

Vonnis van 3 december 2025

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. M.L. Cohen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. E.A. Kadijk.

1. De zaak en de beslissing in het kort

[eiseres] heeft haar tandheelkundige praktijk per 1 juni 2022 verkocht aan [gedaagde] , met de afspraak dat zij daarna in de praktijk zou blijven werken als mondhygiëniste. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] zowel te weinig betaald voor de overname als ten onrechte hun samenwerking in november 2022 beëindigd. [eiseres] vordert daarom in deze procedure onder meer betaling van de resterende overnamesom en doorbetaling van de maandelijkse vergoeding voor haar werkzaamheden.

[gedaagde] is het hier niet mee eens. Hij voert aan dat een lager bedrag voor de overname is afgesproken en dat hij dat bedrag ook heeft betaald. Verder betoogt [gedaagde] dat hij de samenwerking met [eiseres] mocht beëindigen. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] bovendien contante betalingen van patiënten achtergehouden en onterechte declaraties ingediend. [gedaagde] vordert daarom op zijn beurt onder meer betaling van die contante gelden en terugbetaling van het te veel aan [eiseres] betaalde omzetgerelateerde loon.

Het debat tussen partijen spitst zich met name toe op de vraag welke overnamesom is afgesproken. Op dit moment kan de rechtbank nog niet beslissen wie op dit punt gelijk heeft. Daarom wil de rechtbank eerst een deskundige benoemen die over de echtheid van de vermeende handtekening van [eiseres] op de ondertekende overeenkomst kan rapporteren. Partijen krijgen de gelegenheid om zich hierover uit te laten.

De vorderingen van [eiseres] die zien op de afspraak dat zij als mondhygiëniste in de praktijk zou blijven werken, zijn niet toewijsbaar. De tegenvordering van [gedaagde] dat hij te veel aan [eiseres] heeft betaald als omzetgerelateerd loon is deels toewijsbaar. De overige tegenvorderingen van [gedaagde] zijn niet toewijsbaar. Hierna worden deze beslissingen nader uitgelegd.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 maart 2025, met producties,

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, met producties,

- de conclusie van antwoord in reconventie, met één productie,

- het tussenvonnis van 30 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken, alsmede de door de griffier gemaakte zittingsaantekeningen die zich in het dossier bevinden.

3. De feiten

[eiseres] is mondhygiëniste (zonder BIG-registratie) en was voorheen eigenaar van de tandheelkundige praktijk [bedrijf 1] (hierna ook: de praktijk) te [vestigingsplaats] .

[gedaagde] is eigenaar van de tandheelkundige praktijk [bedrijf 2] te [vestigingsplaats] .

[eiseres] had begin 2022 de wens om de praktijk te verkopen. Partijen zijn via een gezamenlijke kennis met elkaar in contact gekomen over de mogelijke overname van de praktijk door [gedaagde] . Het gesprek hierover verliep aanvankelijk tussen [gedaagde] en [naam 1] , de partner van [eiseres] . Op 1 mei 2022 hebben [eiseres] en [gedaagde] ook rechtstreeks, in het bijzijn van [naam 1] , met elkaar gesproken over de overname.

Op 20 mei 2022 heeft [eiseres] per e-mail aan [gedaagde] , voor zover relevant, het volgende geschreven:

“We hebben op 1 mei een uitert aangename gesprek gehad op de praktijk met betrekking tot de overname van [bedrijf 1]

We hebben toen de nodige punten besproken en bij deze doe ik kort verslag van waar we afspraken over hebben gemaakt en wat de status op dit moment is;

Per 1 juni 2022 neemt [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ) [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ) volledig over.

(…)

Overname-prijs bedraagt 150.000 euro

Waarvan 50.000 euro bij de overname op 01.06 wordt overgemaakt

Restantbedrag (100.000 euro) zal maandelijks (5000,- euro p/m) door [bedrijf 2] aan [eiseres] worden uitbetaald.

[eiseres] zal als ZZP-mondhygienist blijven werken bij [bedrijf 2] op 50% omzetbasis. (…)”

Op 21 mei 2022 heeft [gedaagde] als volgt op deze e-mail gereageerd:

“(…) Ik heb de inhoud van de brief gelezen en er zijn aantal punten die moeten met [naam 2] gesproken worden onder andere omzet 2021 overnam en contract van de pand.”

Op 1 juni 2022 heeft de overdracht van de praktijk van [eiseres] aan [gedaagde] plaatsgevonden. [gedaagde] heeft daarna de naam van de praktijk gewijzigd naar [bedrijf 3] .

[gedaagde] heeft in deze procedure een ondertekend document, gedateerd 1 juni 2022, overgelegd. Hierin staat, voor zover relevant:

“Betreft: overname praktijk [bedrijf 1] , te [vestigingsplaats]

Bij deze bevestigen wij de overname overeenkomst tussen [bedrijf 2] (…) ( partij A) en [bedrijf 1] , (…) ( partij B )

Per 01 juni 2022 neemt partij A de praktijk over van mevrouw [eiseres] , praktiserend onder de naam [bedrijf 1] , voor een bedrag van 30.000,00 € (dertigduizend euro).

(…)

Partij A neemt de praktijk over per 01 juni 2022 van partij B, vrij van schulden en verplichtingen aan derden. (…)

Partij B ontvangt tot 1-09-2022 30.000,00 euro.

Aldus opgemaakt en ondertekend in tweevoud.”

De ondertekening van het document van 1 juni 2022 ziet er als volgt uit:

Om privacy redenen is de afbeelding verwijderd.

Op 19 juni 2022 om 16:09 uur heeft [gedaagde] via Whatsapp aan [eiseres] geschreven: “Ik stuur de contracten naar de email van [bedrijf 1] , ik wil niet dat iemand anders ziet (…)”. Op 19 juni 2022 om 16:49 uur heeft [gedaagde] een e-mail aan [eiseres] gestuurd met de tekst: “Zie bijlagen”. De bijlagen bevatten verschillende op 20 juni 2022 gedateerde, ongetekende stukken. In één van de documenten staat onder meer het volgende:

“(…) Per 01 juli 2022 neemt partij A de praktijk over van mevrouw [eiseres] , (…) voor een bedrag van 200.000,00 € (tweehonderdduizend euro).

De over name som is gebaseerd op het patiëntenbestand van 4550, waarvan actieve patiënten 2500 bedraagt.

De over name som is uitgegaan van 80,00 € per patiënt.

(…).”

In een ander document, aangeduid als ‘Overeenkomst’ staat:

“Overeengekomen is dat mevrouw [eiseres] een bedrag van € 70.000,- krijgt voor de praktijk. Dit bedrag wordt in 14 maandelijkse termijnen betaald van € 5.000,- en gaat per 30 juli 2022 in.”

In een derde document, eveneens aangeduid als ‘Overeenkomst’, staat:

“Overeengekomen is dat mevrouw [eiseres] van de tweehonderd euro welke zij ontvangt voor de overname van de tandartspraktijk, een bedrag van € 170.000,- terug betaald aan dhr. [gedaagde] voor de verbouwing van de praktijk.

Dit is een voorwaarde welke is afgesproken voor het overnemen van de praktijk. Mevrouw [eiseres] heeft geen rechten op dit bedrag.”

Op 4 juli 2022 heeft [gedaagde] € 10.000,- aan [eiseres] overgemaakt en op 31 augustus 2022 een bedrag van € 20.000,-.

In de maanden juni 2022 tot en met september 2022 heeft [eiseres] als mondhygiëniste in de praktijk van [gedaagde] gewerkt. Zij heeft een vergoeding van 45% van de door haar behaalde omzet over elk van die maanden in rekening gebracht aan [gedaagde] . Die in rekening gebrachte vergoedingen (in totaal € 20.334,88) heeft [gedaagde] aan [eiseres] betaald.

Op 21 september 2022 heeft [gedaagde] via e-mail aan zijn financieel adviseur laten weten dat de overnamesom voor de praktijk € 30.000,- bedraagt met een maandelijkse (management)vergoeding van € 5.000,- gedurende twaalf maanden.

Vanaf 1 oktober 2022 tot half januari 2023 is de praktijk gesloten geweest vanwege een in opdracht van [gedaagde] uitgevoerde verbouwing.

Omdat de inkomsten en uitgaven voor de praktijk nog enige tijd via de zakelijke bankrekening van [eiseres] verliepen, hebben partijen overleg gehad over de financiële afrekening hiervan.

Op 21 november 2022 heeft [gedaagde] per e-mail aan [eiseres] het volgende, voor zover relevant, geschreven:

“Naar aanleiding van ons gesprek op 15-11-2022 wil ik al onze schriftelijke afspraken op een rij zetten:

1) Voor de overname van de praktijk ( [bedrijf 1] ) inclusief inboedel, materialen en de volledige patiëntenbestand zult u in totaal € 100.000 ontvangen. Van dit bedrag ontvangt u € 30.000 voor 01-09-2022 en het resterende bedrag van totaal € 70.000 zult u gespreid ontvangen. Er is overeengekomen dat het resterende bedrag in termijnen zal worden overgemaakt. (…)

2) De termijnbetalingen zouden plaatsvinden in termijnen van € 5.000 per maand. De eerste maandelijkse betaaltermijn ging in per 30-07-2022.

(…)

12) Tot mijn spijt ben ik genoodzaakt elk samenwerkingsverband met u te verbreken. Uw toegang tot mijn praktijken ( [bedrijf 3] en [bedrijf 2] ) is vanaf vandaag, 22 november 2022, ontzegt.

13) In de komende maanden zal een controle uitgevoerd worden op de juistheid van uw declaraties wat betreft uw werk als mondhygiënist en nevenverrichten die plaatsvonden vanaf 01-06-2022 tot en met 29-09-2022 in de praktijk [bedrijf 1] . Opvallend is, dat de verrichtingen die werden uitgevoerd door de tandtechnicus de heer [naam 3] , tandartsassistent [naam 4] en tandarts [naam 5] werden gedeclareerd onder uw naam. Als u deze bedragen geïncludeerd heeft in de declaraties die u naar mij verstuurt heeft, dan bent u mij dit bedrag verschuldigd aangezien dit totaalbedrag toebehoort aan de praktijkeigenaar [gedaagde] . (…)”

Bij brief van 9 december 2022 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde] aangeschreven en onder meer het standpunt ingenomen dat een overnamesom van € 150.000,- is overeengekomen, waarvan € 50.000,- bij de overname moest worden betaald en dat dit niet is gebeurd. Daarom is [gedaagde] gesommeerd om onder andere tot betaling van het resterende bedrag hiervan over te gaan.

Partijen hebben vervolgens gecorrespondeerd over onder andere de omvang van de over en weer verschuldigde bedragen.

[gedaagde] heeft vanaf 31 juli 2022 veertien maandelijkse termijnbedragen van € 5.000,- betaald aan [eiseres] met uitzondering van een viertal maanden waarbij hij een lager of geen bedrag heeft betaald, omdat hij op de betreffende maandbetaling het volgende in mindering heeft gebracht:

- oktober 2022: € 2.593,47,

- mei 2023: € 2.221,33,

- juni 2023: € 5.000,00,

- juli 2023: € 2.443,95 of € 2.556,05 (zie r.o. 5.23).

4. Het geschil

de vorderingen (in conventie)

[eiseres] vordert - samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. een verklaring voor recht dat het e-mailbericht van [eiseres] van 20 mei 2022 de overeengekomen afspraken bevat over de praktijkovername door [gedaagde] ,

II. [gedaagde] te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst door betaling van € 75.193,53, bestaande uit de restant hoofdsom van € 59.777,38 en de wettelijke handelsrente tot 31 maart 2025 van € 15.416,15, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 april 2025 tot de dag van volledige betaling,

III. een verklaring voor recht dat tussen partijen sprake is van een overeenkomst van opdracht althans een duurovereenkomst, welke niet rechtsgeldig is opgezegd en voortduurt, dan wel dat deze ten onrechte niet met inachtneming van een opzegtermijn door [gedaagde] is opgezegd, zodat [gedaagde] een vergoeding aan [eiseres] verschuldigd is,

IV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een maandelijkse vergoeding van € 5.196,22 vanaf 22 november 2022 tot en met het einde van de overeenkomst, althans € 72.747,08, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente steeds vanaf de verschillende momenten van opeisbaarheid, althans vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling,

V. met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[eiseres] legt aan haar vorderingen I en II ten grondslag dat partijen een overnamesom voor de praktijk van € 150.000,- zijn overeengekomen, waarvan € 50.000,- bij de overdracht op 1 juni 2022 zou worden betaald en het resterende bedrag in twintig maandelijkse termijnen van € 5.000,-. Omdat [gedaagde] in totaal € 87.629,15 heeft betaald en [eiseres] heeft ingestemd met een verrekening van € 2.593,47 in verband met de financiële afrekening, moet [gedaagde] nog € 59.777,38 betalen.

Voor vorderingen III en IV stelt [eiseres] dat partijen hebben afgesproken dat zij na de overname als mondhygiëniste in de praktijk zou blijven werken tegen een vergoeding van 45% van haar omzet. Omdat [gedaagde] deze samenwerking per 21 november 2022 ten onrechte heeft beëindigd, zonder doorbetaling van de maandelijkse vergoeding, heeft [eiseres] hier alsnog recht op vanaf 22 november 2022. Dit bedrag moet worden berekend aan de hand van het gemiddelde van de maanden waarin zij wel een vergoeding ontving. [eiseres] vordert dan ook nakoming van de gemaakte afspraken.

[gedaagde] is het niet eens met de vorderingen en voert aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] betwist dat partijen een overnamesom van € 150.000,- zijn overeengekomen en voert aan dat een bedrag van € 100.000,- is afgesproken, waarbij € 30.000,- bij de overdracht zou worden betaald en het resterende bedrag in veertien maandelijkse termijnen van € 5.000,-. Daarnaast doet [gedaagde] een beroep op verrekening voor een aantal maandelijkse termijnen, omdat [eiseres] ten onrechte werkzaamheden van anderen als omzet op haar naam heeft gedeclareerd en bij de financiële afrekening ten onrechte bepaalde uitgaven in rekening heeft gebracht. Daarom is volgens hem geen sprake van een openstaand bedrag waar [eiseres] aanspraak op kan maken. Verder betwist [gedaagde] dat hij de samenwerking voor het door [eiseres] verrichten van werkzaamheden als mondhygiëniste ten onrechte heeft beëindigd en dus ook dat hij daarvoor een vergoeding aan [eiseres] verschuldigd is.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

de tegenvorderingen (in reconventie)

[gedaagde] vordert - samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. [eiseres] te veroordelen tot betaling van € 4.598,34, welk bedrag moet worden verrekend met € 1.455,92, waarna nog een bedrag resteert van € 3.142,42, vermeerderd met de wettelijke rente,

II. [eiseres] te veroordelen tot betaling van € 989,24, vermeerderd met de wettelijke rente,

III. een verklaring voor recht dat [eiseres] onrechtmatig tegenover [gedaagde] heeft gehandeld door onterechte declaraties/behandelingen en daarvoor een omzet gerelateerde vergoeding te ontvangen, met verwijzing naar de schadestaatprocedure om de schade nader op te maken bij staat,

IV. met veroordeling van [eiseres] in de proces- en nakosten.

[gedaagde] legt aan zijn vordering I ten grondslag dat [eiseres] contante betalingen van patiënten van in totaal € 4.598,34 heeft achtergehouden, terwijl dit aan [gedaagde] toekomt, zodat zij gehouden is om dit alsnog aan [gedaagde] te betalen. Hij stelt dat [eiseres] hierdoor ongerechtvaardigd is verrijkt en voor zover dit niet slaagt, dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld. Omdat [gedaagde] per abuis te veel heeft verrekend op de maandelijkse termijnen van mei tot en met juli 2023, komt aan [eiseres] nog een bedrag van € 1.455,92 toe, zodat dit in mindering moet worden gebracht op de vordering.

Voor vordering II stelt [gedaagde] dat [eiseres] omzet op haar naam heeft gefactureerd voor behandelingen waarvoor zij onbevoegd was, zodat zij onrechtmatig tegenover [gedaagde] heeft gehandeld en [gedaagde] hierdoor is benadeeld. Daarom is [eiseres] gehouden om de schade van € 989,24 aan [gedaagde] te vergoeden. Voor zover dit niet slaagt, is dit bedrag onverschuldigd aan [eiseres] betaald.

Daarnaast vordert [gedaagde] dat wordt vastgesteld dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door ten onrechte declaraties op haar naam te zetten en door behandelingen uit te voeren waarvoor zij onbevoegd was (vordering III).

[eiseres] is het niet eens met de vorderingen en voert aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. [eiseres] betwist dat zij contante betalingen heeft achtergehouden: zij heeft het contante geld ten tijde van de overdracht aan [gedaagde] overhandigd. Ook voert [eiseres] als verweer dat de door [gedaagde] gestelde omvang van de contante betalingen niet te verifiëren valt. Verder betwist zij dat zij onbevoegd was om de gedeclareerde behandelingen te verrichten. Er waren tandartsen in de praktijk aanwezig, zodat zij deze behandelingen onder hun toezicht wel mocht uitvoeren. Tot slot betwist [eiseres] dat [gedaagde] schade heeft geleden.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

de vordering (in conventie)

De afspraak over de overnamesom

Tussen partijen is in geschil wat zij met elkaar hebben afgesproken, in het bijzonder welke prijs zou worden betaald voor de praktijkovername. Volgens [eiseres] is een overnamesom van € 150.000,- overeengekomen, waarbij € 50.000,- bij de overdracht zou worden betaald en het restant van € 100.000,- in twintig maandelijkse termijnen van € 5.000,-. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar haar e-mail van 20 mei 2022 waarin zij dit aan [gedaagde] heeft bevestigd. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat de overnamesom € 100.000,- bedroeg, waarbij € 30.000,- voor 1 september 2022 moest worden betaald en het restant van € 70.000,- in veertien maandelijkse termijnen van € 5.000,-. Daarbij verwijst hij naar het ondertekende document van 1 juni 2022, de e-mail aan zijn financieel adviseur van 21 september 2022 en de door hem opgestelde stukken die hij op 19 juni 2022 naar [eiseres] heeft gestuurd.

De bewijslast van de afspraak over de overnamesom ligt bij [eiseres]

Omdat [eiseres] zich beroept op de afspraak dat de overnamesom € 150.000,- bedraagt en zij nakoming van die door haar gestelde afspraak verlangt, rust de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast dat partijen deze overnamesom zijn overeengekomen op [eiseres] . Nu [gedaagde] de afspraak dat de overnamesom € 150.000,- bedraagt gemotiveerd betwist, kan de rechtbank op dit moment nog niet vaststellen of de door [eiseres] gestelde afspraak tussen partijen is gemaakt en moet [eiseres] deze afspraak in beginsel bewijzen. Voordat de rechtbank een beslissing neemt over aan [eiseres] op te dragen bewijs, acht de rechtbank het van belang dat er eerst duidelijkheid komt over de vraag of de handtekening onder het document van 1 juni 2022 (zie 3.7) afkomstig is van [eiseres] .

Is de handtekening onder het document van 1 juni 2022 van [eiseres] ?

In het door [gedaagde] in het kader van zijn betwisting overgelegde stuk, dat volgens hem ook door [eiseres] is ondertekend, staat dat de praktijk wordt overgenomen voor € 30.000,-. Om dit stuk aan te kunnen merken als een onderhandse akte in de zin van artikel 156 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en daaraan bewijskracht toe te kennen, is het nodig dat het stuk is ondertekend door de partij tegen wie het wordt gebruikt. Een onderhandse akte levert dwingend bewijs op van de waarheid van een verklaring van een partij over datgene waarvoor de akte bedoeld is om voor de andere partij te bewijzen (artikel 157 lid 2 Rv). Omdat [eiseres] stellig ontkent dat zij dat stuk heeft ondertekend, levert de inhoud daarvan geen bewijs op, zolang niet is bewezen van wie de ondertekening afkomstig is. Als komt vast te staan dat de handtekening van [eiseres] is, dan komt aan de inhoud van de akte dwingende bewijskracht toe (behoudens tegenbewijs). Het antwoord op de vraag of [eiseres] het door [gedaagde] overgelegde stuk al dan niet heeft ondertekend kan mede van belang zijn voor de vraag of en in welke mate aan [eiseres] bewijs zal worden opgedragen over de door haar gestelde afspraak. Om die reden acht de rechtbank het van belang om eerst te weten of de handtekening onder het door [gedaagde] overgelegde stuk van [eiseres] afkomstig is.

Partijen mogen zich uitlaten over het benoemen van een deskundige

Daarom is de rechtbank voornemens om een deskundige te benoemen die onderzoek doet naar de echtheid van de handtekening. Partijen mogen zich uitlaten over:

de wenselijkheid van een deskundigenbericht;

het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n);

de persoon van de te benoemen deskundige;

de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één (handschrift)deskundige en dat de volgende vragen aan deze deskundige zouden kunnen worden voorgelegd:

Kunt u vaststellen of en zo ja met welke mate van waarschijnlijkheid de handtekening die staat onder de naam van [eiseres] op het door [gedaagde] als productie 2 bij de conclusie van antwoord overgelegde stuk van 1 juni 2022 is geplaatst door [eiseres] ? Kunt u uiteenzetten hoe u tot uw antwoord bent gekomen?

Heeft u verder nog opmerkingen waarvan u denkt dat die van belang zijn?

De rechtbank is voornemens te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) door [gedaagde] moet worden betaald. Hoewel [eiseres] zich op de rechtsgevolgen van de gemaakte afspraak beroept, heeft [gedaagde] in het kader van zijn verweer (de betwisting) een beroep gedaan op het ondertekende document en rust de bewijslast voor de vraag of de handtekening van [eiseres] afkomstig is op grond van artikel 159 Rv op [gedaagde] .

De voorschotbeslissing is een voorlopige beslissing. Dat wil zeggen dat de rechtbank pas in het eindvonnis zal beslissen wie van partijen uiteindelijk de kosten van de deskundige moet betalen. Dat laatste zal afhangen van de uitkomst van de procedure.

Indien partijen in onderling overleg overeenstemming bereiken over de persoon die als deskundige zou kunnen optreden, kunnen zij dat in hun akte laten weten. Als zij in onderling overleg niet tot een keuze van een deskundige kunnen komen, kunnen zij elk een of meer geschikte deskundigen voorstellen. Zij kunnen de keuze ook aan de rechtbank overlaten.

De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, zodat partijen zich bij akte kunnen uitlaten over wat hiervoor in r.o. 5.4 tot en met 5.8 is overwogen. Partijen moeten hun concept-akte uiterlijk één week voor de roldatum naar elkaar toesturen, zodat zij aan het slot van hun eigen definitieve akte een korte reactie kunnen opnemen op de akte van de wederpartij. [gedaagde] dient op dezelfde datum met een afzonderlijke akte van depot het originele exemplaar van de overeenkomst van 1 juni 2022 te deponeren indien hij over dat origineel beschikt.

Hierna zal de rechtbank ingaan op de andere vorderingen en discussiepunten tussen partijen.

[gedaagde] heeft zich deels terecht beroepen op verrekening

Los van de vraag welke overnamesom partijen zijn overeengekomen, meent [gedaagde] dat hij zich voor de maandelijkse termijnen van mei, juni en juli 2023 mocht beroepen op verrekening. Als dit beroep slaagt, moet hiermee rekening worden gehouden bij het vaststellen of en zo ja welk bedrag [gedaagde] eventueel nog aan [eiseres] moet betalen. Partijen zijn het erover eens dat voor de praktijkovername in totaal € 90.222,62 is betaald. [gedaagde] heeft namelijk € 87.629,15 aan [eiseres] betaald en niet in geschil is dat hij terecht op het maandelijkse termijnbedrag van oktober 2022 € 2.593,47 in mindering heeft gebracht. Dit laatste was uit hoofde van de financiële afwikkeling van de na 1 juni 2022 nog ontvangen en uitgegeven gelden ten behoeve van de praktijk via de bankrekening van [eiseres] . Partijen verschillen echter van mening of de door [gedaagde] toegepaste verrekeningen op de termijnbedragen van mei, juni en juli 2023 terecht zijn geweest. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit deels het geval is en overweegt daartoe het volgende.

Verrekening mei 2023

Ten eerste meent [gedaagde] dat hij op het termijnbedrag van mei 2023 een bedrag van € 1.984,97 mocht inhouden omdat [eiseres] in de periode van juni 2022 tot en met augustus 2022 omzet op haar naam heeft gedeclareerd, terwijl die werkzaamheden door tandtechnicus [naam 3] zijn uitgevoerd. Daarmee heeft [eiseres] [gedaagde] benadeeld, want hij heeft ten onrechte over dat deel van de omzet een percentage van 45% aan [eiseres] betaald als beloning voor haar werkzaamheden, aldus [gedaagde] .

[eiseres] betwist dat zij ten onrechte werkzaamheden op haar naam heeft gedeclareerd. Zij wijst erop dat het plaatsen van tandtechniek bestaat uit twee kostencomponenten, namelijk voor het vervaardigen van de tandtechniek en voor het daadwerkelijk plaatsen hiervan, inclusief nazorg. Zij betoogt dat tandtechnicus [naam 3] het plaatsen van de tandtechniek deed en zij de nazorg hiervan. Omdat deze verdeling niet kan worden verwerkt in de bestaande declaratiecodes werd de vergoeding daarvoor op haar naam gedeclareerd.

De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] ten onrechte voor werkzaamheden van [naam 3] omzet op haar naam heeft gedeclareerd. [gedaagde] heeft voldoende onderbouwd, aan de hand van de omzetlijst van [eiseres] en ingeplande afspraken in de agenda’s, dat [eiseres] behandelingen van patiënten als haar omzet heeft opgegeven, terwijl die afspraken in de agenda van [naam 3] stonden en de werkzaamheden ook door [naam 3] zijn uitgevoerd. [eiseres] heeft ook erkend dat [naam 3] degene was die de tandtechniek plaatste bij de patiënten. [eiseres] declareerde de vergoeding voor het plaatsen van de tandtechniek en de nazorg daarvan. [eiseres] heeft hier weliswaar de toelichting voor gegeven dat de werkzaamheden waren verdeeld en dat zij feitelijk de nazorg van deze patiënten deed, maar dan is te verwachten dat in elk geval de afspraken voor de nazorg in haar agenda stonden, maar daar blijkt niets van.

Door omzet op haar naam te declareren voor werkzaamheden die feitelijk door een ander zijn uitgevoerd, heeft [eiseres] onrechtmatig gehandeld. [eiseres] moet de schade die [gedaagde] daardoor heeft geleden vergoeden. [eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde] niet is benadeeld, maar juist een voordeel heeft genoten omdat de werkzaamheden zijn gedeclareerd bij de zorgverzekeraar en die kosten door de zorgverzekeraar zijn vergoed. Dit verweer gaat niet op. [eiseres] gaat er daarbij kennelijk van uit dat de tandtechnicus de door hem gemaakte kosten niet zelf heeft gedeclareerd bij de zorgverzekeraar maar uitsluitend bij de tandarts, maar de juistheid hiervan is niet komen vast te staan. [gedaagde] heeft dit namelijk betwist. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de tandtechnicus zijn kosten op eigen naam declareert bij de zorgverzekeraar. Dat [gedaagde] geen schade heeft geleden, volgt de rechtbank dan ook niet.

Gelet op het voorgaande heeft [eiseres] over een te hoog bedrag aan omzet 45% vergoeding in rekening gebracht bij [gedaagde] . Het hiermee gemoeide bedrag is schade van [gedaagde] die hij mag verrekenen. [gedaagde] heeft aangegeven dat hij eerder is uitgegaan van een bedrag van € 2.221,33 aan te veel betaalde omzetvergoeding en dat hij dit bedrag heeft verrekend, terwijl dit bij nadere berekening € 1.984,97 had moeten zijn. Tegen de hoogte van het door [gedaagde] herberekende bedrag van € 1.984,97 heeft [eiseres] geen verweer gevoerd. [gedaagde] mocht daarom € 1.984,97 verrekenen en heeft dus per saldo een bedrag van € 236,36 te veel verrekend bij de maandbetaling over mei 2023. Dit laatste bedrag moet hij daarom alsnog aan [eiseres] betalen.

Verrekening juni 2023

Ten tweede betoogt [gedaagde] dat hij het volledige termijnbedrag van de maand juni 2023 van € 5.000,- mocht verrekenen, omdat hij een vordering van € 5.237,64 op [eiseres] had. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] bij de financiële afrekening namelijk uitgaven meegenomen waarvan zij heeft aangegeven dat deze vanaf haar zakelijke bankrekening zijn betaald voor de praktijk, maar heeft [eiseres] deze uitgaven nooit onderbouwd met bewijs. Daarom meent [gedaagde] dat [eiseres] deze uitgaven ten onrechte in de financiële afrekening heeft meegenomen.

Volgens [eiseres] hebben partijen hierover een vaststellingsovereenkomst gesloten en hebben zij dus over en weer niets meer van elkaar te vorderen. Hiertoe voert zij aan dat zij per e-mail van 14 november 2022 een eindafrekening met bewijsstukken aan [gedaagde] heeft gestuurd en dat die eindafrekening correct is bevonden. Op basis daarvan heeft de toenmalige gemachtigde van [gedaagde] bij brief van 17 januari 2023 laten weten dat [eiseres] nog een bedrag van € 2.593,47 aan [gedaagde] moest betalen en dat is vervolgens door onmiddellijke verrekening definitief gemaakt. Omdat [eiseres] hiermee heeft ingestemd, moet deze aangelegenheid als afgehandeld worden beschouwd.

De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar standpunt dat [gedaagde] niets meer mag vorderen wat ziet op de door [eiseres] gedane uitgaven. Of partijen hierover overeenstemming hebben bereikt, is een vraag van uitleg die moet plaatsvinden aan de hand van de zogeheten Haviltex-maatstaf. Daarbij komt het aan op wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden. Uit de brief van 17 januari 2023 blijkt niet dat [gedaagde] had ingestemd met de door [eiseres] gemaakte eindafrekening. Daarin staat (op de laatste pagina) weliswaar dat als onder andere wordt uitgegaan van een bedrag van € 18.059,57 aan uitgaven, dat [eiseres] dan nog € 2.593,47 aan [gedaagde] verschuldigd is, maar in de brief staat (op pagina 5) ook expliciet dat [gedaagde] de juistheid van het bedrag van € 18.059,60 betwist, omdat hij meermaals heeft verzocht om facturen als bewijs, en deze niet heeft ontvangen. Daarnaast staat in de brief dat verrekening pas kan plaatsvinden zodra duidelijk is wat partijen over en weer nog van elkaar te vorderen hebben. Dat maakt dat [eiseres] in die brief redelijkerwijs geen instemming van [gedaagde] heeft kunnen lezen met het door [eiseres] gestelde totaalbedrag aan uitgaven. Uit het feit dat [gedaagde] destijds een voorlopige verrekening van € 2.593,47 heeft toegepast, heeft [eiseres] tegen de hiervoor geschetste achtergrond evenmin als dergelijke instemming mogen opvatten. Daarbij is mede van belang dat in de brief van [gedaagde] van 21 november 2022 ook niet blijkt van instemming met het bedrag van de door [eiseres] gestelde uitgaven.

Het voorgaande betekent dat dus inhoudelijk kan worden beoordeeld of [gedaagde] in juni 2023 terecht een beroep op verrekening heeft gedaan. [gedaagde] stelt dat [eiseres] een bedrag van € 5.237,64 van de door haar gestelde uitgaven niet heeft verantwoord, omdat zij daarvan geen facturen of andere bewijsstukken heeft verstrekt. [eiseres] heeft hier uitsluitend tegenin gebracht dat zij destijds alle bewijsstukken aan [gedaagde] heeft verstrekt, maar zij heeft niets overgelegd waaruit dat blijkt en ook heeft zij de betreffende stukken niet in deze procedure overgelegd. Dit betekent dat ervan uit moet worden gegaan dat een bedrag van € 5.237,64 te veel als uitgaven in aanmerking is genomen bij de door [eiseres] opgestelde eindafrekening van 14 november 2022.

Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] zich er terecht op beroepen dat hij het gehele termijnbedrag van juni 2023 van € 5.000,- mocht verrekenen. Omdat [gedaagde] zijn beroep op verrekening heeft beperkt tot € 5.000,- en geen tegenvordering heeft ingesteld voor het meerdere (€ 237,64) blijft dat meerdere buiten beschouwing.

Verrekening juli 2023

[gedaagde] stelt dat hij in juli 2023 € 2.443,95 heeft ingehouden. Na het raadplegen van een expert blijkt dit bedrag foutief te zijn berekend en heeft hij toen € 1.457,20 te veel verrekend, aldus [gedaagde] . [gedaagde] meent dat de verrekening daarom tot een bedrag van € 986,75 juist was. Daaraan legt hij ten grondslag dat [eiseres] in de periode van juni 2022 tot en met september 2022 omzet op haar eigen naam heeft gedeclareerd, terwijl die werkzaamheden door tandartsassistent [naam 4] werden uitgevoerd. Daarbij verwijst hij naar een verklaring van [naam 4] , waaruit volgt dat de behandelingen in opdracht van [eiseres] werden uitgevoerd. Omdat [gedaagde] over dat deel van de omzet een percentage van 45% aan [eiseres] heeft betaald, meent hij dat hij hierdoor is benadeeld.

[eiseres] stelt dat [gedaagde] in juli 2023 € 2.556,05 heeft ingehouden. Volgens [eiseres] was er geen grond voor die verrekening. [eiseres] erkent dat de behandelingen door tandartsassistent [naam 4] zijn uitgevoerd, maar voert aan dat zij hem hiertoe opdracht heeft gegeven. Omdat [naam 4] deze behandelingen wel mag uitvoeren op basis van taakdelegatie, maar hij deze behandelingen niet op zijn eigen naam kan declareren bij de zorgverzekeraars, is het volgens [eiseres] gebruikelijk dat deze behandelingen op haar naam worden gedeclareerd.

Anders dan [gedaagde] betoogt, is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] de door tandartsassistent [naam 4] uitgevoerde werkzaamheden als omzet op haar naam mocht declareren. Tussen partijen staat vast dat [naam 4] de werkzaamheden in opdracht van [eiseres] uitvoerde. Verder heeft [eiseres] gemotiveerd betwist dat zij deze werkzaamheden niet op haar naam mocht declareren, met haar toelichting dat [naam 4] als assistent die werkzaamheden zelf niet kan declareren bij de zorgverzekeraars. Dat heeft [gedaagde] niet weersproken, zodat wordt uitgegaan van de juistheid hiervan. Dat betekent dat [gedaagde] geen beroep toekomt op verrekening. Het door hem ten onrechte verrekende bedrag moet hij alsnog aan [eiseres] betalen. Aangezien partijen het er niet over eens zijn welk bedrag in juli 2023 is ingehouden (€ 2.443,95 of € 2.556,05), kunnen zij zich hierover bij akte uitlaten. Dat kan dan in de akte als bedoeld in r.o. 5.9. Daarbij worden partijen verzocht om een betaalbewijs over te leggen van de betaling die [gedaagde] op 31 juli 2023 aan [eiseres] heeft gedaan.

Tussenconclusie

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] zich er terecht op heeft beroepen dat hij (€ 1.984,97 + € 5.000,- =) € 6.984,97 mocht verrekenen, maar ook dat hij een deel (€ 236,36 + het nog vast te stellen bedrag als bedoeld in 5.23) te veel heeft verrekend, zodat hij het te veel verrekende bedrag nog aan [eiseres] moet betalen.

De afspraak over de duur van de overeenkomst van opdracht

Verder verschillen partijen van mening over wat zij hebben afgesproken over het door [eiseres] verrichten van werkzaamheden in de praktijk als mondhygiëniste. Niet in geschil staat dát [eiseres] als mondhygiëniste in de praktijk zou blijven werken tegen een vergoeding van 45% van haar omzet en dat dit kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. De vraag is of partijen die overeenkomst voor bepaalde tijd zijn aangegaan, zoals [gedaagde] aanvoert, of voor onbepaalde tijd, zoals [eiseres] betoogt.

Er is sprake van een overeenkomst van onbepaalde tijd

De rechtbank is van oordeel dat een overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan. Uit niets blijkt namelijk dat partijen een beperking in de duur van de samenwerking zijn overeengekomen. Volgens [gedaagde] was afgesproken dat [eiseres] slechts vanaf 1 juni 2022 tot en met 30 september 2022 in de praktijk zou blijven werken, maar dit heeft [eiseres] gemotiveerd betwist. [eiseres] betoogt juist dat partijen geen nadere afspraken hebben gemaakt over de werkzaamheden die zij als mondhygiëniste voor de praktijk zou verrichten, en dus ook niet over de duur van deze werkzaamheden. Dat heeft zij onderbouwd met haar e-mail van 20 mei 2022 aan [gedaagde] , waarin alleen staat dat zij als mondhygiëniste zou blijven werken, zonder enige beperking in de tijd. Op die e-mail heeft [gedaagde] niet afwijzend gereageerd, hetgeen wel voor de hand had gelegen als de daarin opgenomen afspraak over de samenwerking niet goed zou zijn weergegeven. Weliswaar werd de praktijk vanaf 1 oktober 2022 verbouwd en staat vast dat gedurende die verbouwing niet zou worden gewerkt, maar daaruit volgt op zichzelf nog niet dat [eiseres] slechts tot die periode als mondhygiëniste zou blijven werken. Ook de omstandigheid dat de verbouwing tot doel had om de praktijk te veranderen naar een implantologie-praktijk, waardoor het volgens [gedaagde] niet logisch is dat [eiseres] na deze verbouwing als mondhygiëniste in de praktijk zou blijven werken, is onvoldoende. Dan is altijd nog vereist dat partijen hier afspraken over hebben gemaakt en dat blijkt nergens uit. Het verweer van [gedaagde] , dat de overeenkomst slechts een looptijd had tot 30 september 2022, slaagt dus niet.

Het verweer van [gedaagde] dat [eiseres] geen redelijk loon toekomt slaagt niet

[gedaagde] voert aan dat aan [eiseres] na 21 november 2022 geen redelijk loon toekomt omdat zij werd beloond aan de hand van een percentage van de door haar gegenereerde omzet en zij na 30 september 2022 geen omzet meer heeft behaald. Dit betoog is op zichzelf juist. In beginsel heeft [eiseres] alleen recht op loon als zij over een bepaalde periode omzet heeft behaald, waarbij [eiseres] wist dat de praktijk vanaf oktober 2022 enige tijd zou worden verbouwd en dus ook dat zij gedurende die periode niet tot nauwelijks inkomen zou genereren. Alleen, in dit geval heeft [eiseres] na 21 november 2022 geen omzet meer behaald doordat [gedaagde] op die datum de samenwerking eenzijdig heeft beëindigd en haar de toegang tot de praktijk heeft ontzegd. Dat [eiseres] vanaf die datum geen omzet meer heeft behaald komt dus doordat [gedaagde] haar hiertoe niet meer in de gelegenheid heeft gesteld. Dit verweer van [gedaagde] tegen de vorderingen III en IV gaat daarom niet op.

[gedaagde] mocht de overeenkomst met [eiseres] opzeggen

Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] de overeenkomst op 21 november 2022 heeft opgezegd. In geschil is of en zo ja, onder welke voorwaarden de overeenkomst mocht worden opgezegd. Uit artikel 7:408 BW volgt dat de opdrachtgever de overeenkomst van opdracht te allen tijde kan opzeggen. Dat betekent dat [gedaagde] in beginsel de overeenkomst mocht opzeggen, ongeacht welke reden hij daarvoor had. Wel kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat de opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor die opzegging bestaat, dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot betaling van een schadevergoeding.

[eiseres] stelt dat de overeenkomst alleen bij een zwaarwegende grond had mogen worden opgezegd, maar zij heeft onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan in dit geval het vereiste van een zwaarwegende grond zou hebben te gelden. De enkele omstandigheid dat het verbonden blijven aan de praktijk voor haar een voorwaarde was voor de praktijkovername omdat zij dan inkomsten zou blijven genereren, is onvoldoende. Die omstandigheid zou hooguit kunnen rechtvaardigen dat een opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat een (schade) vergoeding moet worden aangeboden, maar ook dat is hier niet aan de orde, zoals blijkt uit het navolgende.

Volgens [eiseres] had [gedaagde] een opzegtermijn van veertien maanden in acht moeten nemen. [gedaagde] heeft hiertegen ingebracht dat geen opzegtermijn in acht genomen hoefde te worden. Daartoe voert hij aan dat [eiseres] instructies niet wilde opvolgen en dat [eiseres] fraude heeft gepleegd door ten onrechte behandelingen van anderen op haar eigen naam te factureren. Dat [eiseres] instructies niet wilde opvolgen, is door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd en daarmee niet komen vast te staan. Uit de WhatsApp-berichten volgt immers niet welke concrete instructies aan [eiseres] zouden zijn gegeven en die zij niet zou hebben nageleefd. Dat [eiseres] aangeeft dat zij met respect wil worden behandeld en verzoekt om haar niet meer te commanderen, gaat over de bejegening en niet over de uitvoering van de werkzaamheden. Dat vormt dan ook geen reden om de samenwerking te beëindigen. Dat ligt anders voor de omstandigheid dat [eiseres] ten onrechte behandelingen van anderen op eigen naam heeft gefactureerd. Zo is komen vast te staan dat [eiseres] ten onrechte behandelingen van tandtechnicus [naam 3] op haar naam heeft gedeclareerd (zie r.o. 5.14). Dit is aan te merken als een ernstig handelen waarmee het noodzakelijke vertrouwen waarop de samenwerking was gebaseerd, is komen te vervallen. Dat maakt dat er voor [gedaagde] een valide reden was om de samenwerking met [eiseres] met onmiddellijke ingang te beëindigen, wat hij op 21 november 2022 heeft gedaan. Daarom heeft [gedaagde] in dit geval geen opzegtermijn in acht hoeven nemen en ook geen (schade)vergoeding hoeven aanbieden.

Het voorgaande brengt mee dat de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht dat sprake is van een overeenkomst van opdracht die niet is opgezegd en voortduurt (vordering III) en de vordering tot betaling van een maandelijkse vergoeding vanwege die overeenkomst (vordering IV) zullen worden afgewezen.

Conclusie

Uit al het voorgaande volgt dat op de vorderingen I en II van [eiseres] nog geen beslissing kan worden gegeven. Wel is komen vast te staan dat [gedaagde] een deel ten onrechte heeft verrekend met de maandelijkse termijnbedragen, zodat hij het te veel verrekende in ieder geval nog aan [eiseres] zal moeten betalen. De vorderingen III en IV van [eiseres] zullen worden afgewezen.

In afwachting van de aktewisseling zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

de tegenvordering (in reconventie)

[gedaagde] vordert op zijn beurt van [eiseres] betaling van € 4.598,34 vanwege het achterhouden van contante betalingen van patiënten, € 989,24 vanwege het indienen van declaraties voor behandelingen waartoe [eiseres] onbevoegd was en daarnaast een verklaring voor recht dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door onbevoegd behandelingen uit te voeren dan wel onrechtmatige declaraties in te dienen. Die vorderingen zullen hierna afzonderlijk worden beoordeeld.

De vordering van € 4.598,34 vanwege contante betalingen wordt afgewezen

Partijen zijn het erover eens dat sommige patiënten met contant geld betaalden en dat [eiseres] deze betalingen in ontvangst nam. Volgens [gedaagde] blijkt uit de kasboekregistratie dat [eiseres] dit ook heeft gedaan in de periode van 1 juni 2022 tot en met 30 september 2022, en dat zij contante betalingen van in totaal € 4.598,34 ten onrechte niet heeft afgedragen aan de praktijk en ook niet heeft meegenomen in de financiële afrekening. Omdat [eiseres] deze gelden heeft achtergehouden, terwijl dit aan [gedaagde] toekomt, vindt hij dat [eiseres] zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt (artikel 6:212 BW) dan wel onrechtmatig heeft gehandeld (artikel 6:162 BW).

[eiseres] heeft daartegen ingebracht dat zij de contante betalingen altijd heeft opgeborgen in een geldkistje in de praktijk en dat zij het contante geld op 28 september 2022, de dag waarop de praktijk is gesloten vanwege de verbouwing, heeft overhandigd aan [gedaagde] . [gedaagde] weerspreekt dit en betoogt dat hij toen slechts € 35,- heeft ontvangen.

Omdat [gedaagde] zich erop beroept dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking of onrechtmatig handelen, rust op hem de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van feiten waaruit blijkt dat [eiseres] contante betalingen heeft achtergehouden. [gedaagde] heeft zijn standpunt, tegenover de betwisting door [eiseres] , onvoldoende onderbouwd. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Onduidelijk is waarom [gedaagde] pas voor het eerst drie jaar na de overname deze vordering instelt en ook voorafgaand aan deze procedure hiervan nooit melding heeft gemaakt, terwijl hij bij de overname de kasboekregistratie (en dus het kasboek) al ter beschikking had. Daardoor was hij dus al in 2022 in de gelegenheid om één en ander te controleren en dat had ook van hem mogen verwacht, zeker omdat [gedaagde] niet de moeite heeft genomen om een kwitantie af te geven voor het bedrag dat hij bij de overname heeft ontvangen van [eiseres] . Gelet op de gemotiveerde betwisting van [eiseres] , waarbij zij niet alleen betwist dat zij contante betalingen heeft achtergehouden, maar ook dat de door [gedaagde] gestelde omvang van de contante betalingen niet te verifiëren valt en zij bovendien aanvoert dat in de periode na 1 juni 2022 meerdere contante betalingen zijn verricht die nog betrekking hadden op de periode vóór de overname en die dus nog aan [eiseres] toekwamen, heeft [gedaagde] zijn stelling onvoldoende onderbouwd. De vordering van [gedaagde] tot betaling van € 4.598,34 (vordering I) is dan ook niet toewijsbaar.

De vordering van € 989,24 in verband met het onbevoegd verrichten van behandelingen wordt deels toegewezen

[gedaagde] vordert daarnaast betaling van € 989,24 omdat [eiseres] declaraties heeft ingediend voor behandelingen waarvoor zij als mondhygiëniste onbevoegd was. Volgens [gedaagde] waren dit behandelingen die voorbehouden waren aan BIG-geregistreerde zorgverleners, zoals tandartsen. Omdat [eiseres] in totaal € 2.198,31 heeft gedeclareerd als omzet voor behandelingen die zij niet mocht uitvoeren, heeft [gedaagde] ten onrechte over dat deel een omzetvergoeding van 45% (€ 989,24) aan [eiseres] betaald.

[eiseres] betwist dat zij behandelingen heeft uitgevoerd waartoe zij niet bevoegd was en voert aan dat zij in verband met de aanwezigheid van tandartsen in de praktijk bepaalde handelingen wel mocht uitvoeren onder toezicht of op basis van taakdelegatie. Ook betwist [eiseres] dat [gedaagde] schade heeft geleden, omdat hij 55% van het declaratiebedrag van de behandelingen heeft ontvangen.

Ook voor deze vordering geldt dat het op de weg van [gedaagde] ligt om feiten aan te dragen en, bij voldoende betwisting, te bewijzen waaruit blijkt dat [eiseres] behandelingen heeft gedeclareerd waarvoor zij onbevoegd was. [gedaagde] vordert namelijk schadevergoeding op grond van een onrechtmatige daad en daarvoor is onder andere nodig dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld en dat [gedaagde] hierdoor schade heeft geleden. Hierin is [gedaagde] slechts deels geslaagd.

[gedaagde] heeft een overzicht overgelegd van behandelingen waarvoor [eiseres] niet bevoegd zou zijn en ten onrechte omzet zou hebben gedeclareerd. Voor een aantal van de in dat overzicht genoemde behandelingen heeft [eiseres] gemotiveerd betwist dat zij niet bevoegd was om deze behandelingen te verrichten. Het gaat daarbij om de declaratiecodes: V91 (voor enkelvlak vullingen), C002 (consult voor periodieke controle), C003 (consult niet zijnde periodieke controle) en X10 (maken en beoordelen kleine röntgenfoto). Daartoe voert [eiseres] aan dat zij deze handelingen mocht uitvoeren omdat er tandartsen in de praktijk aanwezig waren en zij deze handelingen in opdracht en onder toezicht van tandartsen heeft uitgevoerd. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiseres] informatie van de Nederlandse Vereniging van Mondhygiënisten overgelegd. [gedaagde] heeft hier niets concreets tegenin gebracht. Daarom wordt ervan uitgegaan dat [eiseres] wel bevoegd was om de hiervoor genoemde behandelingen (met de codes V91, C002, C003 en X10) te verrichten. Voor de overige behandelingen heeft [eiseres] onvoldoende toegelicht, terwijl dat wel op haar weg lag, waarom zij voor deze behandelingen bevoegd zou zijn geweest. Het gaat daarbij om het trekken van een tand (declaratiecode H11), verrichtingen met kronen (declaratiecode R75) en de overige declaratiecodes V94, C022, H16 en X21. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] aangegeven dat zij het trekken van een tand mocht uitvoeren omdat een tandarts in de praktijk aanwezig was. [eiseres] heeft echter zelf verwezen naar de website van de beroepsvereniging van mondhygiënisten in Nederland, de Nederlandse Vereniging van Mondhygiënisten, voor voorbehouden handelingen, dus handelingen die mogen worden uitgevoerd onder toezicht van een tandarts. Uit die informatie blijkt niet dat het trekken van een tand valt onder de voorbehouden handelingen. Dit heeft [eiseres] dan ook onvoldoende onderbouwd. Dat maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat [eiseres] onbevoegd was om de overige behandelingen te verrichten en zij dus ook ten onrechte hiervoor heeft gedeclareerd.

Omdat [eiseres] geen verweer heeft gevoerd tegen de omvang van de desbetreffende omzet, gaat de rechtbank uit van de juistheid hiervan. Dat betekent dat [eiseres] in totaal (€ 98,76 + € 23,45 + € 46,90 + € 46,29 + € 69,74 + € 69,74 + € 178,38 + € 46,29 + € 143,81 =) € 723,36 heeft gedeclareerd voor behandelingen waarvoor zij onbevoegd was. Nu [gedaagde] over dat deel een vergoeding van 45% aan [eiseres] heeft betaald, heeft [gedaagde] € 325,51 aan schade geleden.

[eiseres] heeft nog aangevoerd dat [gedaagde] niet benadeeld is omdat hij 55% van het declaratiebedrag heeft ontvangen, maar dit betoog gaat niet op. [gedaagde] heeft namelijk toegelicht dat de behandelingen die [eiseres] onbevoegd heeft uitgevoerd door een tandarts in loondienst hadden kunnen worden uitgevoerd, zodat hij geen extra kosten zou hebben gemaakt. Dan had hij namelijk geen omzetpercentage hoeven te betalen en had hij de omzet volledig zelf behouden. Dat heeft [eiseres] niet weersproken, zodat wordt uitgegaan van de juistheid van die stelling.

Gelet op het voorgaande kan de vordering van [gedaagde] tot betaling van € 989,24 (vordering II) slechts worden toegewezen tot een bedrag van € 325,51.

De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen

[gedaagde] vordert ten slotte een verklaring voor recht dat [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door onbevoegd behandelingen uit te voeren, dan wel onrechtmatige declaraties in te dienen en daarvoor een omzetgerelateerde vergoeding te ontvangen, met verwijzing naar de schadestaatprocedure. Volgens [gedaagde] is het nog niet gelukt om alle declaraties van [eiseres] te controleren en kan hij om die reden zijn schade nog niet volledig begroten.

[eiseres] heeft hiertegen ingebracht dat de praktijkovername inmiddels ruim drie jaar geleden heeft plaatsgevonden, zodat [gedaagde] voldoende tijd heeft gehad om alle declaraties te controleren.

Voor toewijzing van de vordering voor een verwijzing naar een schadestaatprocedure is vereist dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. In de onderhavige procedure zijn de verwijten die [gedaagde] heeft gemaakt over de te veel door [eiseres] ontvangen omzetgerelateerde vergoeding al beoordeeld. Dat er daarnaast nog andere declaraties zijn, die niet juist zouden zijn, heeft [gedaagde] in het geheel niet onderbouwd. Dat [gedaagde] zegt nog niet alle declaraties van [eiseres] te hebben gecontroleerd, komt voor rekening van [gedaagde] . Van hem had mogen worden verwacht, gelet op het tijdsverloop sinds 2022, dat hij inmiddels enige mate van nader onderzoek had gedaan. Dat heeft hij niet gedaan. Daardoor heeft hij de mogelijkheid dat hij verdere schade heeft geleden niet aannemelijk gemaakt. Daarom wordt de gevorderde verklaring voor recht met verwijzing naar de schadestaatprocedure (vordering III) bij gebrek aan belang afgewezen.

Conclusie

Uit al het voorgaande volgt dat [eiseres] slechts gehouden is om € 325,51 aan [gedaagde] te betalen, vanwege het declareren van een aantal behandelingen waartoe zij onbevoegd was. Dit bedrag zal daarom voor vordering II van [gedaagde] worden toegewezen. De overige vorderingen van [gedaagde] zullen worden afgewezen.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

6. De beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 31 december 2025 voor het gelijktijdig door beide partijen nemen van een akte als bedoeld in r.o. 5.9 en 5.23, evenals een akte van depot door [gedaagde] als bedoeld in r.o. 5.9,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.T. Kruis

Griffier

  • mr. V.W. de Leeuw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?