RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/759434 / HA ZA 24-1247
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[eiser] W.L.L.,
te [vestigingsplaats] (Qatar),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh,
tegen
STRYKER EMEA SUPPLY CHAIN SERVICES B.V.,
te Waardenburg,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Stryker,
advocaat: mr. A. Haan.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 oktober 2024 met producties
- de conclusie van antwoord met producties
- het tussenvonnis van 5 februari 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte overlegging producties van [eiser] met producties
- de akte herstel productie 13 dagvaarding van [eiser]
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 oktober 2025 en de daarin vermelde stukken
- de zittingsaantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling die zich in het dossier bevinden.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] houdt zich onder meer bezig met distributie van medische apparatuur in het Midden-Oosten.
Stryker is een onderneming die actief is in medische technologieën, waaronder het produceren van implantaten en medische apparatuur. De producten van Stryker worden wereldwijd verkocht.
[eiser] en Stryker hebben jarenlang samengewerkt, waarbij [eiser] optrad als geautoriseerd distributeur van de producten van Stryker in de staat Qatar.
In ieder geval sinds 2012 hebben [eiser] en Stryker de tussen hen geldende afspraken vastgelegd in een overeenkomst die telkens is aangegaan voor de duur van twee jaar, waarbij de overeenkomst steeds eindigde op 31 december van het tweede jaar.
De laatste tussen partijen gesloten overeenkomst, getiteld ‘Indirect Channel – Non-Exclusive Distribution Agreement’ (hierna: de overeenkomst), vermeldt op de voorpagina dat deze aanvangt op 1 januari 2021 en eindigt op 31 december 2022.
Artikel 12 van de overeenkomst bepaalt onder meer:
12. Term and termination
Term
This Agreement shall be effective as from the Effective Date and automatically expiring on the Expiry Date, as provided for on the Cover page, unless earlier terminated in accordance with its terms.
The Distributor understands that following the date of expiration or termination, it shall have no right whatsoever to continue as a distributor or distributor or otherwise regardless of any undocumented continuation of the relationship with Stryker or be entitled to any compensation in connection with such expiration or termination
(…)
In een brief van 21 juni 2022 schreef Stryker aan [eiser] met betrekking tot de overeenkomst:
(…)
This letter is to notify you that, pursuant to its terms, the Agreement shall expire on December 31, 2022 (the “Expiry Date”). Stryker shall not renew the Agreement.
(…)
Pursuant to its terms, the Agreement will have no further force and effect (…) on the Termination Date.
(…)
Stryker is ready to transparently discuss the details for the transition period of this decision. We believe that, we may collaborate to, reduce the effects of the implementation of this decision, on your business and customers.
(…)
This notice is not a requirement of the Agreement for the expiration to be effective. We are giving you this notice for your convenience and information.
(…)
Met ingang van 1 januari 2023 treedt [eiser] niet langer op als geautoriseerd distributeur van Stryker-producten in Qatar.
3. Het geschil
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
voor recht verklaart dat Stryker aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade als gevolg van de opzegging van de overeenkomst;
Stryker veroordeelt een bedrag te betalen van 27.849.052,71 Qatarese rial (QAR) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2023;
Stryker veroordeelt om de nog lopende garantieverplichtingen jegens derden van [eiser] over te nemen, en voor recht verklaart dat Stryker aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden schade en gemaakte kosten als gevolg van die garantieverplichtingen;
voor recht verklaart dat de uit de Overeenkomst voortvloeiende verkooptargets in de periode 2021-2022 wegens onvoorziene omstandigheden neerwaarts dienen te worden bijgesteld tot het bedrag van de daadwerkelijk door [eiser] in die periode gerealiseerde verkopen;
Stryker veroordeelt in de kosten van het geding.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen [eiser] en Stryker gold een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Deze is door Stryker opgezegd met een te korte opzegtermijn van zes maanden zonder dat daarvoor een goede reden was en zonder [eiser] te compenseren voor de daardoor geleden schade. Op grond van de redelijkheid en billijkheid had Stryker wegens het eindigen van de overeenkomst een schadevergoeding aan [eiser] moeten betalen. Daarnaast is Stryker aansprakelijk voor de schade die [eiser] heeft geleden doordat Stryker onrechtmatig heeft gehandeld en de overeenkomst niet is nagekomen. Stryker heeft namelijk tijdens de looptijd van de overeenkomst goederen niet of te laat geleverd, heeft na het einde van de overeenkomst de voorraden van [eiser] niet willen terugnemen en heeft de lopende garanties niet willen overnemen. Deze garanties moeten alsnog door Stryker worden overgenomen en de daarmee samenhangende kosten en schade moeten door Stryker worden vergoed. Tenslotte stelt [eiser] dat de verkoopdoelstellingen uit de overeenkomst wegens de onvoorziene gevolgen van de Covid-19 pandemie niet zijn gehaald en daarom met terugwerkende kracht moeten worden gewijzigd.
Stryker voert verweer. Stryker concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Stryker betwist dat er sprake was van een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Partijen werkten samen op basis van overeenkomsten voor bepaalde tijd (telkens twee jaar), die steeds van rechtswege eindigden. Ook de laatste overeenkomst met [eiser] eindigde op die manier per 31 december 2022. Uit artikel 12.1 van de overeenkomst volgt dat [eiser] geen recht heeft op schadevergoeding in verband met het eindigen van de overeenkomst. Voor toepassing van artikel 6:248 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is geen plaats omdat de overeenkomst geen leemte laat. Van onrechtmatig handelen of een tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst door Stryker is geen sprake. Ten aanzien van de garanties is Stryker bereid geweest deze over te nemen voor wat betreft de standaard garantietermijn, die inmiddels is verstreken, maar niet voor de door [eiser] aan afnemers gegeven langere termijn. De kosten daarvan komen voor rekening en risico van [eiser] . Voor wat betreft de voorraden geldt dat die onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van [eiser] en voor haar rekening en risico komen. Stryker heeft bovendien herhaaldelijk aangeboden om tot een regeling te komen voor het overnemen daarvan. [eiser] is daarop niet ingegaan. Inzake de gevraagde wijziging van de overeenkomst betwist Stryker dat de Covid-19 pandemie een onvoorziene omstandigheid was. Bovendien heeft de tegenvallende omzet geen rol gespeeld bij het niet aanbieden van een nieuwe overeenkomst.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Samenvatting
Deze zaak betreft het eindigen van een distributieovereenkomst. De rechtbank oordeelt hierna dat deze is te kwalificeren als een duurovereenkomst voor bepaalde tijd. De rechtbank oordeelt dat Stryker niet aansprakelijk is voor de door [eiser] gevorderde schade als gevolg van het einde van de overeenkomst, omdat de overeenkomst van rechtswege is geëindigd en voor schadevergoeding op grond van de redelijkheid en billijkheid geen grond bestaat. Ook de gevorderde schade wegens tekortschieten en onrechtmatig handelen door Stryker zal worden afgewezen, omdat het aan Stryker verweten handelen niet is komen vast te staan. De rechtbank wijst de vordering tot overname van de garantieverplichting(en) af, omdat niet is komen vast te staan dat Stryker de plicht heeft om deze over te nemen. Het verzoek om de overeenkomst te wijzigen wordt afgewezen omdat het instandhouden van de overeenkomst niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Rechtsmacht
Deze zaak heeft een internationaal karakter omdat [eiser] is gevestigd in Qatar. De rechtbank zal daarom (ambtshalve) toetsen of zij bevoegd is en zo ja, welk recht van toepassing is.
Artikel 25 lid 1 sub a Brussel I-bis bepaalt dat wanneer partijen bij overeenkomst een gerecht hebben aangewezen dit gerecht bevoegd is over de geschillen tussen partijen te oordelen. Partijen hebben in artikel 14.6 onder a. van de overeenkomst een forumkeuze voor de Nederlandse rechter opgenomen. Dit is volgens genoemd artikel van Brussel I-bis een exclusieve bevoegdheid. De rechtbank acht zich daarom bevoegd van de vordering kennis te nemen.
De overeenkomst bevat een rechtskeuze voor Nederlands recht.
De dagvaarding is voldoende duidelijk
Stryker heeft in haar verweer aangevoerd dat de vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op opzegging van de overeenkomst. Er was echter geen sprake van opzegging maar van het verstrijken van de looptijd en dus het regulier eindigen van de overeenkomst, zodat de vorderingen moeten worden afgewezen, aldus Stryker. De rechtbank zal eerst dit verweer beoordelen, nu zij niet aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering toekomt als dit verweer van Stryker slaagt.
De rechtbank stelt voorop dat het voorschrift dat de dagvaarding een duidelijk en bepaald petitum moet bevatten, er toe strekt dat het voor een gedaagde voldoende duidelijk moet zijn wat wordt beoogd, zodat hij zich daartegen kan verdedigen. In het verlengde hiervan hoeft de rechtbank een vordering niet buiten beschouwing te laten om de enkele reden dat deze niet in het petitum staat vermeld, of te algemeen is omschreven. Als uit de dagvaarding voldoende duidelijk wordt dat de eisende partij een bepaalde vordering heeft willen instellen en de gedaagde partij zich daartegen dus ook voldoende heeft kunnen verweren, dan kan de rechtbank alsnog tot een inhoudelijke beoordeling van die vordering komen. De gedaagde is dan immers niet in zijn verdediging geschaad.
Naar het oordeel van de rechtbank was het voor Stryker duidelijk wat de vordering van [eiser] is. In het lichaam van de dagvaarding bij de omschrijving van het geschil heeft [eiser] haar vordering gebaseerd op het eindigen van de overeenkomst en de schade die zij daardoor stelt te hebben geleden. Dat zij het eindigen van de overeenkomst in het lichaam van de dagvaarding en in het petitum heeft gekwalificeerd als ‘opzegging’ staat aan het beoordelen van de vordering niet in de weg. Daarbij speelt mee dat een van de geschilpunten in deze zaak de vraag betreft of sprake is van opzegging of van het verstrijken van een overeengekomen termijn, zoals Stryker meent. Verder speelt mee dat Stryker bij antwoord verweer heeft gevoerd tegen de vordering van [eiser] en daarop ook op de zitting nog heeft kunnen reageren. De rechtbank begrijpt de vordering van [eiser] daarom als gebaseerd op opzegging dan wel beëindiging en stelt vast dat Stryker niet in haar verdediging is geschaad.
De contractuele relatie tussen partijen is een distributieovereenkomst voor bepaalde tijd
Niet in geschil is dat er tussen partijen sprake was van een distributieovereenkomst die is te kwalificeren als een duurovereenkomst. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of het daarbij ging om een duurovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet de overeenkomst worden uitgelegd.
Bij deze uitleg is van belang wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid (de Haviltex-maatstaf). Daarbij speelt in dit geval mee dat beide partijen beroepsmatig bij de contractuele relatie zijn betrokken. Dit brengt mee dat aan de tekst van de overeenkomst grote betekenis toekomt.
Vast staat dat tussen partijen meerdere jaren lang een contractuele relatie heeft bestaan, op grond waarvan [eiser] de producten van Stryker kocht en deze in Qatar als distributeur doorverkocht aan derden. [eiser] heeft met een autorisatiebrief van 3 april 1984 aangetoond dat die relatie - destijds als agent van Stryker - toen is ontstaan. Ook staat vast dat partijen vanaf 2012 elke twee jaar een nieuwe distributieovereenkomst sloten met een looptijd van twee jaren, zo ook de laatste in dat kader tussen partijen gesloten overeenkomst (zie 2.5).
Zowel uit het voorblad als uit artikel 12.1 van de overeenkomst (zie 2.6) volgt dat deze eindigt per 31 december 2022. Ook de door Stryker ten behoeve van [eiser] afgegeven Letter of Authorization van 4 januari 2021, waarin zij [eiser] aanwijst als distributeur, noemt deze einddatum. Deze bewoordingen, en het feit dat in voorgaande jaren steeds vergelijkbare overeenkomsten zijn aangegaan, wijzen er zeer sterk op dat tussen partijen geen duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.
Dat, zoals [eiser] naar voren heeft gebracht, partijen al lang samenwerkten en hun inspanningen waren gericht op de lange termijn maakt dat niet anders. Daaruit volgt zonder nadere toelichting, die [eiser] niet heeft gegeven, niet dat de contractuele relatie geen einddatum zou kunnen hebben. Gezien de duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen van de overeenkomst mocht [eiser] daaruit daarom redelijkerwijs niet afleiden dat tussen partijen een overeenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan.
[eiser] heeft nog betoogd dat de tweejaarlijkse ondertekening van een nieuwe distributieovereenkomst een formaliteit en een automatisme was. Dit standpunt, dat door Stryker gemotiveerd is betwist, is niet te rijmen met de verklaring van [eiser] ter zitting dat een nieuwe distributieovereenkomst voor twee jaar steeds eerst door Stryker aan [eiser] ter beoordeling en goedkeuring werd voorgelegd. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake was van een automatische verlenging, maar van een bewust op het tot stand komen van een nieuwe distributieovereenkomst gericht handelen van partijen. [eiser] moest dan ook rekening blijven houden met de mogelijkheid dat de handelsrelatie niet zou worden voortgezet en zou eindigen op de overeengekomen einddatum van de overeenkomst.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de contractuele relatie tussen partijen heeft bestaan uit successievelijk gesloten distributieovereenkomsten voor bepaalde tijd. De lopende overeenkomst is zodoende niet opgezegd maar geëindigd door het verstrijken van de bepaalde tijd, te weten op 31 december 2022.
[eiser] heeft geen aanspraak op schadevergoeding wegens het einde van de overeenkomst
[eiser] heeft gesteld dat Stryker wegens het einde van de overeenkomst een schadevergoeding aan [eiser] dient te betalen. [eiser] heeft in dat kader een beroep gedaan op artikel 6:248 BW (de aanvullende respectievelijk beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid) en op de invulling die de Hoge Raad (HR) daaraan heeft gegeven in met name zijn arresten van 2 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:141, Goglio/SMQ Group) en 16 mei (2025 ECLI:NL:HR:2025:763, DPD/Get Moving). Dit beroep slaagt niet om de volgende redenen.
De door [eiser] ingeroepen arresten van de HR missen toepassing omdat het hier niet om de opzegging van een overeenkomst gaat, maar om het verstrijken van een overeengekomen looptijd (expiratie) van de overeenkomst. Ook als de door de HR geformuleerde maatstaf in dit geval wel zou gelden, baat dat [eiser] niet. De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 1 BW kan slechts aan de orde zijn als de overeenkomst een leemte bevat, wat door uitlegging van de overeenkomst moet worden vastgesteld. Daarnaast kan toepassing van een contractuele bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn zoals bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. In dat geval kan er op die contractsbepaling geen beroep worden gedaan, waardoor een leemte ontstaat.
Zoals hiervoor is overwogen, is in de overeenkomst expliciet voorzien in een expiratietermijn. Daarnaast bepaalt de overeenkomst in artikel 12.1 dat [eiser] geen aanspraak heeft op (schade)vergoeding bij het eindigen van de overeenkomst (zie 2.6). Van een leemte is geen sprake, zodat voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 1 BW geen plaats is.
Voor zover [eiser] een beroep doet op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (6:248 lid 2 BW) faalt ook dat beroep. De door [eiser] aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende voor het oordeel dat Stryker zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet op de genoemde bepalingen had mogen beroepen.
[eiser] heeft in dit kader in de eerste plaats gesteld dat Stryker de relatie niet heeft voortgezet wegens tegenvallende omzetten, welke reden onjuist was. Dit standpunt, dat door Stryker is betwist, miskent dat het voor het eindigen van de overeenkomst irrelevant was welke aanleiding Stryker had om de samenwerking met [eiser] niet voort te willen zetten. Vast staat immers dat de overeenkomst eindigde op de overeengekomen datum, zonder dat daar een nadere reden voor nodig was.
Daarnaast heeft [eiser] gewezen op de omstandigheid dat zij, in de verwachting dat de samenwerking zou voortduren, investeringen heeft gedaan ten behoeve van Stryker. [eiser] heeft echter nagelaten te concretiseren om welke investeringen het gaat. Stryker heeft deze stelling betwist en aangevoerd dat zij [eiser] niet heeft verzocht deze investeringen te doen en dat [eiser] deze voor eigen rekening en risico heeft gedaan. [eiser] had daarom niet kunnen volstaan met het enkel noemen van investeringen, maar nader moeten toelichten waaruit deze bestonden en waarom deze door Stryker zouden moeten worden vergoed.
Ook de omstandigheid dat [eiser] na het einde van de overeenkomst nog voorraden had leidt niet tot de conclusie dat het beroep van Stryker op de einddatum van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De rechtbank verwijst naar wat hierna (onder 4.255 e.v.) met betrekking tot deze voorraden wordt overwogen.
[eiser] heeft tenslotte ter zitting nog aangevoerd dat zij voor een groot deel van haar omzet (20 tot 30 procent) afhankelijk was van Stryker. Dat standpunt, dat door Stryker is betwist, kan niet afdoen aan het feit dat het de eigen keuze is geweest van [eiser] om haar bedrijfsvoering in deze mate van Stryker afhankelijk te maken. Daarnaast geldt, zoals hiervoor is overwogen, dat [eiser] er op grond van de afspraken tussen partijen rekening mee moest houden dat haar relatie met Stryker zou kunnen eindigen. Dat betekent dat [eiser] er ook rekening mee moest houden dat haar omzet daardoor zou dalen. De rechtbank wil wel aannemen dat [eiser] met een omzetdaling is geconfronteerd, maar ook die omstandigheid heeft niet tot gevolg dat het vasthouden door Stryker aan de einddatum van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.
[eiser] heeft geen aanspraak op schadevergoeding wegens tekortschieten of onrechtmatig handelen door Stryker en geen plicht tot het overnemen van garanties
Niet (tijdig) geleverde bestellingen
[eiser] heeft gesteld dat Stryker heeft geweigerd (tijdig) uitvoering te geven aan bestellingen die zij binnen de looptijd van de overeenkomst heeft gedaan. Door deze tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door Stryker heeft zij schade geleden, aldus [eiser] . Dit standpunt is door Stryker gemotiveerd betwist en door [eiser] niet nader onderbouwd. [eiser] heeft geen enkel inzicht gegeven in de bestellingen waarom het zou gaan. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door Stryker.
Garanties
De vordering van [eiser] strekt ertoe dat Stryker de nog lopende garantie(s) moet overnemen en [eiser] schadeloos moet stellen voor de kosten daarvan. Deze vordering slaagt niet. Vast staat dat er nog één lopende garantie is die [eiser] heeft gegeven met betrekking tot een product van Stryker. Dit betreft de garantie op een Mako robotsysteem dat door [eiser] is geleverd aan Hamad Medical Corporation (HMC). Niet is komen vast te staan dat op Stryker de plicht rust om deze garantie over te nemen. Veeleer is uit de toelichting die partijen ter zitting hebben gegeven naar voren gekomen dat deze garantie zal vervallen zodra HMC een (technische) training met betrekking tot het systeem heeft gekregen. Partijen hebben in dat kader ter zitting het voornemen geuit deze training in onderling overleg te zullen (laten) geven. Ten aanzien van de door [eiser] gevorderde, door Stryker betwiste, kosten met betrekking tot deze garantie geldt dat [eiser] weliswaar een kostenoverzicht heeft overgelegd maar dat zonder nadere toelichting, die zij niet heeft gegeven, daaruit niet valt op te maken waarom deze kosten door Stryker zouden moeten worden vergoed.
Voorraden
In de derde plaats vordert [eiser] vergoeding van de schade die zij lijdt doordat zij na de beëindiging van de samenwerking is blijven zitten met, samengevat, onverkoopbare en onbruikbare voorraden. Door niet mee te werken aan het terugnemen van deze producten heeft Stryker onrechtmatig gehandeld, aldus [eiser] .
De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat [eiser] na het einde van de overeenkomst nog beschikte over voorraden, op zichzelf niet betekent dat Stryker onrechtmatig handelde door deze voorraden niet terug te nemen. Zoals hierboven overwogen diende [eiser] er rekening mee te houden dat de overeenkomst na het verstrijken van de looptijd zou eindigen. Dat [eiser] dan nog over onverkochte voorraden zou kunnen beschikken komt in beginsel voor rekening en risico van [eiser] als distributeur.
Dat betekent niet dat in een dergelijke situatie van onrechtmatig handelen nooit sprake zou kunnen zijn. [eiser] heeft haar vordering op dit punt echter zodanig summier onderbouwd dat niet kan worden vastgesteld dat Stryker onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Daarbij is het volgende van belang. Vast staat dat Stryker in juni 2022 heeft aangekondigd de overeenkomst na 31 december 2022 niet te willen voortzetten. Vast staat verder dat Stryker in haar brief van 16 november 2022 heeft aangegeven de einddatum van de overeenkomst met zes maanden te willen verlengen, welk voorstel is herhaald op 21 december 2022. Ook heeft Stryker op verschillende momenten in 2022 voorstellen gedaan voor het terugnemen van de voorraden. In de jaren na het einde van de overeenkomst heeft Stryker vergelijkbare voorstellen gedaan (onder meer, bij monde van haar advocaat, op 4 oktober 2023, 17 november 2023 en 2 juli 2024).
Vast staat dat dit niet heeft geleid tot afspraken met betrekking tot de voorraden, wat partijen elkaar over en weer verwijten. Dat neemt echter niet weg dat uit het voorgaande volgt dat Stryker zich sinds 2022 bij herhaling bereid heeft getoond om [eiser] de gelegenheid te bieden alsnog haar voorraden te verkopen (door verlenging van de looptijd van de overeenkomst) en om de voorraden terug te nemen (zelf of via de nieuwe distributeur). [eiser] heeft niet gesteld, noch is daarvan gebleken, dat de voorstellen van Stryker zodanig onredelijk waren dat deze onmogelijk tot afspraken met betrekking tot de voorraden hadden kunnen leiden. Dat wil zeggen dat niet is komen vast te staan dat Stryker niet heeft meegewerkt aan het terugnemen van de voorraden en niet is komen vast te staan dat Stryker onrechtmatig heeft gehandeld.
De overeenkomst wordt niet wegens onvoorziene omstandigheden gewijzigd
Ter onderbouwing van haar beroep op artikel 6:258 BW stelt [eiser] , kort gezegd, dat het niet halen van de verkoopdoelstellingen in 2021 als gevolg van de Covid-19 pandemie een onvoorziene omstandigheid was. Nu Stryker, aldus [eiser] , wegens de door de pandemie tegenvallende verkopen de overeenkomst heeft beëindigd dienen de verkoopdoelstellingen te worden gewijzigd.
Artikel 6:258 lid 1 BW bepaalt dat de rechter op verlangen van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst kan wijzigen op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.
Ongeacht de vraag of de Covid-19 pandemie in dit geval een onvoorziene omstandigheid was, partijen verschillen daarover van mening, geldt het volgende. Zoals hiervoor is overwogen is de overeenkomst van rechtswege geëindigd per 31 december 2022, zonder dat dat leidt tot schadeplichtigheid van Stryker. De verkoopdoelstellingen speelden daarbij geen rol. Dat betekent dat het beroep van [eiser] niet slaagt.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stryker worden begroot op:
- griffierecht
€
9.825
- salaris advocaat
€
8.714
(2 punten × € 4.357)
- nakosten
€
178
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
18.717
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 18.717, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J.W. Pulles en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.