RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/6561
(gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg),
en
(gemachtigde: mr. H. Kras).
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het uitblijven van passende opvang voor verzoeker in afwachting van plaatsing in de Maatschappelijke Opvang. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Zij bepaalt dat verweerder er zorg voor moet dragen dat verzoeker in een eenpersoons- of tweepersoonskamer in een 24-uursvoorziening terecht kan totdat hij geplaatst kan worden in de Maatschappelijke Opvang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop en totstandkoming
Verzoeker is al geruime tijd dakloos. Hij kampt onder meer met verslavingsproblemen en wil zich daarvoor laten behandelen bij [bedrijf] . Hij verblijft momenteel in een onverwarmde garagebox. Verzoeker heeft daarom een aanvraag ingediend voor Maatschappelijke Opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Op 12 augustus 2025 is verzoeker afgewezen voor Maatschappelijke Opvang in Amsterdam vanwege het ontbreken van de regiobinding.
Op 21 augustus 2025 en aanvullend op 25 september 2025 heeft verzoeker daar bezwaar tegen gemaakt. Daarnaast heeft verzoeker op 10 oktober 2025 een verzoek gedaan om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft op 24 oktober 2025 een positief besluit genomen om verzoeker toe te laten tot de Maatschappelijke Opvang in Amsterdam. Verzoeker komt echter op de wachtlijst. Daarnaast heeft verweerder ter overbrugging aangegeven bereid te zijn verzoeker te plaatsen in een reguliere dag- en nachtopvang voorziening (eenpersoonskamer). Verzoeker heeft daarop op 29 oktober 2025 het verzoek om een voorlopige voorziening (met zaaknummer AMS 25/5787) ingetrokken.
Verweerder heeft op 21 november 2025 schriftelijk erkend dat naar aanleiding van het eerste verzoek om voorlopige voorziening die zaak is geschikt op voorwaarde van plaatsing in een eenpersoonskamer in een 24-uursvoorziening. Verweerder geeft echter aan dat in de afgelopen periode is gebleken dat zij ‘niet bij machte’ is die voorwaarde te vervullen. De geschikte opvanglocaties willen de toezegging volgens verweerder niet uitvoeren. Het enige dat verweerder kan aanbieden is een verblijf op de slaapzaal van een 24-uurs opvang.
Verzoeker heeft daarop op 21 november 2025 nogmaals een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot het bepalen dat verzoeker toegang krijgt tot een eenpersoons- of tweepersoonskamer in een 24-uursvoorziening tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Namens verzoeker is naar voren gebracht dat het vanwege zijn drugsverslaving voor hem geen passende oplossing is als hij op een slaapzaal van de 24-uurs opvang moet verblijven. Verzoeker heeft een eenpersoons- of tweepersoonskamer nodig, zoals die ook door verweerder aan verzoeker is toegezegd.
De voorzieningenrechter constateert dat er eigenlijk geen juridisch geschil is tussen verzoeker en verweerder. Beide partijen zijn het erover eens dat verzoeker een eenpersoons- of tweepersoonskamer nodig heeft ter overbrugging van de wachtlijst voor Maatschappelijke Opvang. Verweerder kan de toezegging echter, naar eigen zeggen, niet waarmaken, zij stelt dat alleen te kunnen met een gerechtelijke uitspraak. Beide partijen vragen daarom om toewijzing van het verzoek. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het een onwenselijke situatie is dat het verweerder niet lukt om een toezegging tot passende opvang uit te voeren zonder gerechtelijke uitspraak. Daarnaast kan er gediscussieerd worden over het feit of de bestuursrechter in deze zaak nog wel inhoudelijk moet oordelen nu partijen het feitelijk en juridisch met elkaar eens zijn. Toch acht de voorzieningenrechter dat, gelet op het spoedeisend belang van verzoeker, in dit geval wel noodzakelijk. Er is namelijk al vastgesteld dat verzoeker niet zelfredzaam is en toegang heeft gekregen tot de Maatschappelijke Opvang. Momenteel verblijft hij in een onverwarmde garagebox, in afwachting van plaatsing in die Maatschappelijke Opvang. Gelet op verzoekers kwetsbare situatie en om eventuele schade te voorkomen bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder er zorg voor moet dragen dat verzoeker in een eenpersoons- of tweepersoonskamer in een 24-uursvoorziening terecht kan totdat hij geplaatst wordt in de Maatschappelijke Opvang.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten, omdat het verzoek wordt toegewezen. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat verweerder er zorg voor moet dragen dat verzoeker in een eenpersoons- of tweepersoonskamer in een 24-uursvoorziening terecht kan totdat hij geplaatst wordt in de Maatschappelijke Opvang;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Tanis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: