RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13-232843-25 (A), 13-252850-25 (B), 13-243675-23 (C), 13-048568-25 (D) (ttz gev)
Parketnummer vordering TUL: 13-179260-22
Datum uitspraak: 12 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd te: [naam Justitieel Complex] ,
hierna: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 november 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C en zaak D aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W. van Vliet, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A
een openlijke geweldpleging tegen [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] en een (anonieme) omstander in de periode van 25 augustus tot en met 26 augustus 2025 te Amsterdam,
Zaak B
een diefstal in vereniging van een deurram en een breekijzer op 2 september 2025 te Amsterdam,
Zaak C
een diefstal met braak en/of verbreking van een Macbook en een geldbedrag op 23 juli 2023 te Amsterdam,
Zaak D
1
het medeplegen van voorbereidingshandelingen van een ontploffing teweegbrengen op 11 juli 2024 te Amsterdam,
2
het voorhanden hebben van een explosief op 11 juli 2024 te Amsterdam,
3
opzet- dan wel schuldheling van een scooter op 11 juli 2024 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de in zaak A, zaak B, en zaak D onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Verdachte dient te worden vrijgesproken van de in zaak C ten laste gelegde woninginbraak.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de openlijke geweldpleging in zaak A aangezien hij geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld.
De raadsman stelt zich daarnaast op het standpunt dat vrijspraak dient te volgen voor de in zaak C en D onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Verdachte heeft het in zaak B en zaak D onder 3 ten laste gelegde bekend.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van zaak A
Feiten en omstandigheden
Op basis van de verklaringen van de aangeefsters en de beschrijvingen van de beelden door de politie stelt de rechtbank – voor zover relevant is ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde – het volgende vast over het verloop van het geweldsincident en de geweldshandelingen die daarbij zijn gepleegd.
In de nacht van 25 op 26 augustus 2025 worden aangeefsters [aangeefster 2] , [aangeefster 1] en [aangeefster 3] lastiggevallen door twee jongemannen. Terwijl zij weg lopen van de oorspronkelijke twee, voegen zich nog ongeveer zes jongemannen bij de groep. De aangeefsters worden vervolgens door verschillende daders geslagen, geschopt en onderworpen aan andere geweldshandelingen, zoals in de tenlastelegging genoemd. Hierbij zijn onder andere een vuurwapen, een boksbeugel en een mes getoond. Dit conflict is deels opgenomen door een deurbelcamera. Verdachte verklaart dat hij bij de groep hoorde die later aansloot. Verdachte is op de beelden herkend door verbalisanten als de persoon die een trappende beweging maakt in de richting van een ander. Verdachte verklaart dat die herkenning klopt maar dat hij zijn been er juist tussen zou hebben gestoken om één van de aangeefsters te beschermen tegen het geweld.
Het openlijk en in vereniging plegen van geweld
De rechtbank stelt voorop dat van het opzettelijk in vereniging plegen van geweld sprake is, indien een verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het ten laste gelegde geweld heeft geleverd. Daarbij dient te worden beoordeeld of de door verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van voldoende gewicht is om hem als medepleger voor dat geweld verantwoordelijk te houden. Voor een bewezenverklaring van het in vereniging plegen van geweld zoals in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is beschreven, maakt het immers in beginsel niet uit welke verdachte iedere individuele ten laste gelegde geweldshandeling heeft gepleegd, zodat het geweld gepleegd door de medeverdachten ook voor rekening van verdachte kan komen.
De rechtbank overweegt op basis van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen dat verdachte onderdeel heeft uitgemaakt van een groep personen die allen op verschillende manieren hebben bijgedragen aan het plegen van geweldshandelingen tegen aangeefsters en een anonieme omstander . Verdachte maakte geen deel uit van de groep die aangeefsters oorspronkelijk lastigvielen. Op basis van de beelden die door de politie zijn beschreven kan echter worden vastgesteld dat meerdere leden van de gehele aanwezige groep, onder wie verdachte, de verschillende geweldshandelingen tezamen hebben gepleegd. Verdachte heeft daaraan bijgedragen door de trappende beweging die hij maakt in de richting van één van de aangeefsters terwijl zij op de grond ligt. De verklaring van verdachte dat hij zijn been zou hebben gebruikt om één van de aangeefsters te beschermen tegen het geweld wordt weerlegd door de camerabeelden en de beschrijving daarvan.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het ten laste gelegde geweld heeft geleverd, om hem verantwoordelijk te houden voor het geheel aan de bewezen verklaarde geweldshandelingen, zoals hierna in rubriek 4 wordt omschreven.
Ten aanzien van zaak B
De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de ten laste gelegde diefstal in vereniging kan worden bewezen, gelet op de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen, waaronder de door verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring.
Omdat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de in bijlage II genoemde opgave van de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van zaak C
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. De rechtbank zal verdachte dan ook hiervan vrijspreken.
Ten aanzien van zaak D
Feit 3
De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsman – van oordeel dat de ten laste gelegde opzetheling van de scooter kan worden bewezen, gelet op de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen, waaronder de door verdachte ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring.
Omdat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de in bijlage II genoemde opgave van de bewijsmiddelen.
Feit 1 en 2
Niet ter discussie staat dat verdachte op 11 juli 2024 de geheelde scooter in een fietsenstalling aan de [adres fietsenstalling] heeft geparkeerd en dat de buddyseat van die scooter een explosief bevatte.
Voorhanden hebben
Verdachte heeft, gelet op hetgeen overwogen ten aanzien van zaak D, feit 3, beschikkingsmacht gehad over de scooter.
Door de verdediging is betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van een explosief, aangezien er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om vast te stellen dat verdachte beschikkingsmacht over het explosief had.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij uit nieuwsgierigheid in de buddyseat heeft gekeken, de vuilniszak heeft geopend en dat hij heeft gezien dat ‘het niet klopte’. Op basis van deze verklaring en de DNA-sporen van verdachte die aan de buitenzijde van het explosief zijn aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van het explosief en daarover beschikkingsmacht heeft uitgeoefend.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen hetgeen in zaak D onder feit 2 ten laste is gelegd.
Voorbereidingshandelingen
De rechtbank stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of het onder zaak D, feit 1 tenlastegelegde feit is bewezen, moet komen vast te staan dat het in de tenlastelegging omschreven explosief (hierna: het middel) bestemd was tot het begaan van het misdrijf, zoals in de tenlastelegging omschreven. Daartoe dient te worden beoordeeld of het middel, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kon zijn – mede gelet op het daarvan gemaakte gebruik door de verdachte – voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had.
Uit de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen blijkt dat het explosief bestemd is voor het treffen van personen of goederen door middel van ontploffing of brand, en dat deze desgevraagd, door verdachte is geparkeerd in de fietsenstalling van een gebouw. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het explosief dat verdachte voorhanden heeft gehad naar zijn uiterlijke verschijningsvorm, dan wel daadwerkelijk, dienstig kon zijn voor het teweegbrengen van een ontploffing of brand.
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het teweegbrengen van de ontploffing en de voorbereiding daarvan. De raadsman stelt zich op het standpunt dat het dossier geen bewijs bevat om concrete voorbereiding van een explosie of brandstichting aan te tonen.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals uit de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen blijkt: brandstichting dan wel ontploffing – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De rechtbank stelt vast dat naar algemene ervaringsregels sprake is van een voorzienbare kans op gevaar voor leven en zwaar lichamelijk letsel bij ontploffing van het explosief.
Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
Verdachte heeft op 11 juli 2024 de scooter met het explosief erin, desgevraagd, in de fietsenstalling van een gebouw gezet. Verdachte heeft verklaard dat hij in de buddyseat heeft gekeken en te hebben geweten dat ‘het niet klopte’.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op het teweegbrengen van een explosie – en de bijbehorende kans op (dodelijk) letsel – dat, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. De rechtbank stelt daarbij vast dat niet is gebleken van contra-indicaties. Het tenlastegelegde is hiermee wettig en overtuigend bewezen en het verweer wordt verworpen.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Zaak A
in de periode van 25 augustus 2025 tot en met 26 augustus 2025 te Amsterdam openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten:
- [aangeefster 1] ,- [aangeefster 2] ,- [aangeefster 3] en/of- een anonieme omstander,
welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:- het in een groep afrennen op één of meer van die voornoemde personen,- het slaan al dan niet met een boksbeugel en/of vuistslagen geven op het hoofd en/of het lichaam aan één of meer van die die voornoemde personen,- het vasthouden van één of meer van die voornoemde personen,- het op de grond gooien en/of duwen van die voornoemde personen,- het schoppen en/of trappen, althans het maken van een schoppende en/of trappende beweging, richting/tegen het lichaam en/of het hoofd van één of meer van die voornoemde personen,- het afpakken en/of op de grond gooien van de telefoon van één of meer van die voornoemde personen,- het trekken van plukken haar uit het hoofd van één of meer van die voornoemde personen,- het tevoorschijn halen en/of tonen van een vuurwapen,- hierbij te zeggen: "Jullie gaan dood. Jullie zijn er nog niet vanaf” en/of “Blijf op afstand of ik schiet ik je dood", - het tonen van een mes en/of een boksbeugel,- het op het hoofd slaan van voornoemde omstander met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,- het vervolgens doorladen van dit wapen;
Zaak B
op 2 september 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een bonk/deurram en een breekijzer, die aan de politie Amsterdam toebehoorden heeftweggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak D
1op 11 juli 2024 te Amsterdam, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een ontploffing en/of brandstichting teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (art. 157 Sr), opzettelijk tezamen en in vereniging met een ander, een geïmproviseerde explosieve constructie in de vorm van een facia pakket, bestaande uit een pakket met flitspoeder en stroomkabels, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van die misdrijven, voorhanden heeft gehad;
2hij op 11 juli 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieve constructie in de vorm van een facia pakket, bestaande uit een pakket metflitspoeder en stroomkabels, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;
3hij op 11 juli 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een scooter(chassisnummer [nummer] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
6. De strafbaarheid van de feiten
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat in zaak A geen sprake is geweest van een noodweersituatie aangezien nergens uit blijkt dat er een wederrechtelijke aanranding heeft plaatsgevonden waartegen verdachte zich moest verdedigen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van hetgeen in zaak A ten laste is gelegd – op het standpunt dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van een noodweersituatie. Verdachte kwam ongewild in een geweldsituatie terecht en heeft zich verdedigd door een trappende beweging te maken.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beantwoording van de vraag of verdachte uit noodweer heeft gehandeld, stelt de rechtbank voorop dat voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat verdachte geweld heeft gebruikt in het kader van een noodweersituatie. Een noodweersituatie ontstaat wanneer een verdachte zich dient te verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, of van een ogenblikkelijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding.
De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak het bestaan van een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden. Het dossier biedt namelijk geen steun voor de stelling dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding jegens verdachte of tegen een ander. Uit de bewijsmiddelen blijkt juist dat verdachte vanaf een afstand richting het conflict rent en dan de trappende beweging maakt. Dit verweer wordt dan ook verworpen.
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt de rechtbank geen (onvoorwaardelijke) ISD-maatregel op te leggen aan verdachte. Verdachte is erg geschrokken van deze vordering en het heeft impact op hem gehad. Er is sprake van een sterk familienetwerk dat hem kan ondersteunen bij vrijlating en hier heeft verdachte meer baat bij dan bij het opleggen van een ISD-maatregel. Eventueel kan een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd worden als stok achter de deur.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende feiten. Allereerst heeft hij zich samen met een groep anderen schuldig gemaakt aan openlijk geweldpleging tegen drie jonge vrouwen en een anonieme omstander. Daarbij zijn de vrouwen meermaals geschopt, geslagen en vastgehouden en zijn meerdere wapens getoond. De aangevers hebben hier onder andere breuken en kneuzingen in hun gezicht en op andere plekken in het lichaam aan overgehouden. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangevers. De ervaring leert dat slachtoffers van een dergelijk misdrijf nog lang de nadelige gevolgen kunnen ondervinden, zoals ook door de aangeefsters benoemd in hun vorderingen. Daarnaast zorgt een dergelijk feit voor maatschappelijke onrust en versterkt het de gevoelens van onveiligheid in de samenleving, met name nu het geweld van verdachte op straat en zonder kennelijke aanleiding heeft plaatsgevonden.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een explosief en voorbereidingshandelingen van het teweegbrengen van een explosie. Het plegen van aanslagen met explosieven is in zijn algemeenheid een groot en toenemend maatschappelijk probleem dat leidt tot gevoelens van angst en grote onveiligheid in de samenleving. Ten slotte heeft verdachte een scooter geheeld en een diefstal gepleegd, welke ook overlastgevende feiten betreffen, waar vaak (financiële) schade voor de slachtoffers van volgt.
Dit alles rekent de rechtbank verdachte aan.
Reclasseringsrapport
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 14 november 2025, opgemaakt door L. Snijder. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
Eerdere reclasseringstoezichten zijn wisselend verlopen. Verdachte kwam vaak zijn afspraken niet na en leek geen intrinsieke motivatie te hebben tot gedragsverandering. In de afgelopen jaren is ingezet op ambulante behandelingen, het stabiliseren van praktische zaken en gedragsverandering. Deze hebben echter geen verandering teweeg gebracht. Verdachte blijft in aanraking komen met justitie en lijkt niet gevoelig voor gezag. De reclassering is dan ook van mening dat de ISD-maatregel de meest reële kans biedt op gedragsverandering en ziet geen alternatieven meer in een eventueel drangkader.
Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting van 28 november 2025 voornoemd reclasseringswerker L. Snijder, als deskundige gehoord. Zij heeft het rapport bevestigd en toegelicht dat de interventies in de familiesfeer al eerder zijn ingezet en toen niet succesvol zijn gebleken.
Motivering van de maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 21 november 2025 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de periode 11 juli 2024 tot en met 2 september 2025 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende straffen, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.
Blijkens het strafblad van 21 november 2025 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
De rechtbank onderschrijft de conclusie van de reclassering dat oplegging van een ISD-maatregel is aangewezen. Verdachte heeft de afgelopen jaren veel strafbare feiten gepleegd en blijft met politie en justitie in aanraking komen. De tot op heden opgelegde straffen, alsmede de tot op heden ondernomen reclasseringstoezichten in het kader van voorwaardelijk opgelegde straffen hebben niet geleid tot het doen stoppen van voortdurende recidive door verdachte. Verdachte heeft zich in het verleden niet aan de bijzondere voorwaarden gehouden en heeft bovendien meermaals niet willen meewerken aan reclasseringstoezicht. Gelet op het hoge recidiverisico en de weinig meewerkende houding van verdachte ziet de reclassering thans geen mogelijkheden het risico op recidive te beperken middels bijzondere voorwaarden.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vorderingen in zaak A
Vordering [aangeefster 1]
De benadeelde partij [aangeefster 1] vordert € 2173,62 aan materiële schade en € 2500,- aan immateriële schade, als gevolg van het aan verdachte onder zaak A ten laste gelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en het verzoek verdachte hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding.
Vordering [aangeefster 2]
De benadeelde partij [aangeefster 2] vordert € 145,24 aan materiële schade en € 2500,- aan immateriële schade, als gevolg van het aan verdachte onder zaak A ten laste gelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en het verzoek verdachte hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding.
Vordering [aangeefster 3]
De benadeelde partij [aangeefster 3] vordert € 1233,47 aan materiële schade en € 2500,- aan immateriële schade, als gevolg van het aan verdachte onder zaak A ten laste gelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en het verzoek verdachte hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen hoofdelijk toegewezen kunnen worden, vermeerderd met de wettelijke rente en met de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren aangezien hij vrijspraak bepleit voor hetgeen onder zaak A ten laste gelegd. Indien de rechtbank dit niet volgt dienen deze niet-ontvankelijk verklaard te worden aangezien het een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren om, in verband met een hoofdelijke toewijzing, te moeten beoordelen wie welke rol heeft gespeeld in het geweld.
Het oordeel van de rechtbank
Vordering [aangeefster 1]
Vast staat, gelet op hetgeen onder 4.3. overwogen, dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De inhoud van de vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [aangeefster 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Vordering [aangeefster 2]
Vast staat, gelet op hetgeen onder 4.3. overwogen, dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De inhoud van de vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [aangeefster 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Vordering [aangeefster 3]
Vast staat, gelet op hetgeen onder 4.3. overwogen, dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De inhoud van de vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van [aangeefster 3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Hoofdelijk
Nu de schade van de benadeelde is veroorzaakt door een groep waar verdachte deel van uitmaakte en de kans op het toebrengen van schade verdachte en zijn medeverdachten niet heeft weerhouden van hun gedragingen in dit groepsverband, is verdachte ingevolge artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk voor de ontstane schade bij de benadeelde partijen. Deze beoordeling levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op nu dit rechtstreeks volgt uit de wet.
Het gevorderde bedrag zal dan ook geheel worden toegewezen, met dien verstande dat verdachte tegenover de benadeelde partijen voor de gehele bedragen aansprakelijk is, maar verdachte van zijn betalingsverplichtingen wordt bevrijd als en voor zover door een ander of anderen is betaald.
De vordering in zaak B
Vordering Politie Nederland
De benadeelde partij Politie Nederland vordert € 638,49 aan materiële schade, als gevolg van het aan verdachte onder zaak B ten laste gelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij toegewezen kan worden, vermeerderd met de wettelijke rente en met de schadevergoedingsmaatregel. Wel dient de vordering gematigd te worden naar de dagwaarde van de goederen en dient hierom, naar schatting, 75% van het gevorderde bedrag toegewezen te worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van deze vordering.
Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering gematigd dient te worden naar de dagwaarde van de goederen. De rechtbank ziet geen aanleiding deze matiging toe te passen aangezien het gevorderde bedrag, blijkens de onderbouwing van de vordering, ziet op de kosten van vervanging van de goederen en jaarlijkse afschrijving gelet op de aard van de goederen niet of nauwelijks aan de orde zal zijn. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
In het belang van Politie Nederland voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
10. De vordering tot tenuitvoerlegging
Verdachte is bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Amsterdam op 1 november 2022 in de zaak met parketnummer 13-179260-22 veroordeeld tot 30 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarvan 18 dagen voorwaardelijk, en een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 16 november 2022.
De officier van justitie heeft verzocht de vordering af te wijzen, gelet op de vordering om de ISD-maatregel op te leggen. De raadsman heeft eveneens verzocht om de vordering af te wijzen.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank is echter van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de straf zich niet verdraagt met de op te leggen ISD-maatregel. De vordering zal daarom worden afgewezen.
11. De vordering tot gevangenneming
De officier van justitie heeft de gevangenneming gevorderd voor de onder zaak B en D ten laste gelegde feiten indien de rechtbank tot vrijspraak komt voor het onder zaak A ten laste gelegde, waarvoor verdachte in voorlopige hechtenis verblijft.
De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van dit verzoek gelet op de eerdergenoemde bewezenverklaring voor hetgeen onder zaak A ten laste gelegd.
12. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 46, 157, 141, 311, 416 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.
13. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder zaak C ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder zaak A, zaak B, zaak D 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A
openlijke geweldpleging
Zaak B
diefstal door twee of meer verenigde personen
Zaak D
1
voorbereiding van medeplegen van opzettelijk brand stichten/een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is
2
handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie
3
opzetheling
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar.
Vordering [aangeefster 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] toe tot een bedrag van € 2173,62 (tweeduizend honderddrieënzeventig euro en tweeënzestig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 2500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 augustus 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 1] , aan de Staat € 4673,62 (vierduizend zeshonderddrieënzeventig euro en tweeënzestig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 56. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering [aangeefster 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2] toe tot een bedrag van € 145,24 (honderdvijfenveertig euro en vierentwintig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 2500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 augustus 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 2] , aan de Staat € 2645,24 (tweeduizend zeshonderdvijfenveertig euro en vierentwintig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 36. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering [aangeefster 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 3] toe tot een bedrag van € 1233,47 (duizend tweehonderddrieëndertig euro en zevenenveertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 2500,- (tweeduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 25 augustus 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 3] , aan de Staat € 3733,47 (drieduizend zevenhonderddrieëndertig euro en zevenenveertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 47. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering Politie Nederland
Wijst de vordering van de benadeelde partij Politie Nederland toe tot een bedrag van € 638,49 (zeshonderdachtendertig euro en negenenveertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 2 september 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Politie Nederland voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van Politie Nederland, aan de Staat € 638,49 (zeshonderdachtendertig euro en negenenveertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 12. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13-179260-22 af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.F. Bögemann, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2025.