ECLI:NL:RBAMS:2025:9864

ECLI:NL:RBAMS:2025:9864, Rechtbank Amsterdam, 10-12-2025, 24/6858

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 12-01-2026
Zaaknummer 24/6858
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

CBS, bezwaar n-o, te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[bedrijf] B.V., uit [plaats] , eiseres

de Directeur-Generaal van de Statistiek, verweerder (het CBS)

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 24/6858

(gemachtigde: mr. M. Yildiz),

en

(gemachtigde: mr. ing. P.J.M. Koenen).

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het CBS het bezwaarschrift van eiseres tegen een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres vindt dat haar bezwaarschrift ontvankelijk is. Eiseres voert aan dat zij het bezwaarschrift op tijd heeft ingediend. Voor zover sprake is van een termijnoverschrijding, vindt eiseres dat deze verschoonbaar is.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBS het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met de invorderingsbeschikking van 31 juli 2024 heeft het CBS een verbeurde dwangsom van € 5.000,- geïnd bij eiseres.

Met het bestreden besluit van 11 oktober 2024 heeft het CBS het bezwaar van eiseres daartegen niet-ontvankelijk verklaard, wegens te late indiening.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het CBS heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon 1] ([functie 1] van eiseres), de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het CBS en [persoon 2] ([functie 2]).

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 9 januari 2024 heeft het CBS aan eiseres verzocht om uiterlijk 11 maart 2024 de vragenlijst Jaarstatistiek Regionale werkgelegenheid 2023 volledig ingevuld te retourneren. Omdat een reactie van eiseres hierop uitbleef, heeft het CBS eiseres meermaals geïnformeerd dat de termijn voor het indienen van de vragenlijst is verstreken en dat de gegevens zo spoedig mogelijk moeten worden ingediend.

Het CBS heeft op 28 mei 2024 het voornemen kenbaar gemaakt aan eiseres om haar een last onder dwangsom op te leggen.

Met een besluit van 14 juni 2024 heeft het CBS een last onder dwangsom opgelegd aan eiseres van € 250,- per dag met een maximum van € 5.000,-. Eiseres heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.

Op 21 juni 2024 heeft het CBS eiseres per e-mail geïnformeerd dat de vragenlijst nog niet is ingediend en dat de begunstigingstermijn eindigt op 28 juni 2024.

Met de invorderingsbeschikking van 31 juli 2024 heeft het CBS de verbeurde dwangsom ingevorderd.

Naar aanleiding van de invorderingsbeschikking, heeft eiseres op 8 augustus 2024 telefonisch contact opgenomen met het CBS.

Bij brief van 13 september 2024 heeft het CBS aan eiseres een aanmaningsbrief gestuurd met het verzoek het bedrag te betalen.

Op 19 september 2024 heeft [persoon 1] , namens eiseres, telefonisch contact opgenomen met het CBS en vermeld dat zij op 28 augustus 2024 schriftelijk bezwaar heeft ingediend tegen de invorderingsbeschikking. [persoon 1] heeft daarbij vermeld dat zij het bezwaarschrift niet per aangetekende post heeft verstuurd en ook geen kopie bewaard heeft op haar computer. Het CBS heeft eiseres verzocht om bewijs aan te leveren van verzending van het bezwaarschrift.

Met het bestreden besluit heeft het CBS het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. De bezwaartermijn is zes weken. Het bezwaar is ontvangen op19 september 2024. Eiseres stelt weliswaar dat zij het bezwaarschrift per aangetekende post heeft verzonden op 28 augustus 2024, maar zij heeft hiervan geen verzendbewijs kunnen overleggen.

Volgens eiseres is haar bezwaar ontvankelijk. Zij voert aan dat zij de vragenlijst en de daarop volgende correspondentie en/of besluiten niet heeft ontvangen. In de periode dat de vragenlijst zou zijn verstuurd, is deze zowel per post als per e-mail niet ontvangen. In de periode dat [persoon 1] aanwezig was in juli 2024 heeft zij dagelijks de post en e-mails gecontroleerd en afgehandeld. Daardoor kunnen de besluiten niet in werking zijn getreden en ontbreekt een rechtsgrond aan de invorderingsbeschikking. Daarnaast voert eiseres aan dat het CBS met het opleggen van de dwangsom onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiseres. De dwangsom oefent een aanzienlijke druk uit op de cashflow van eiseres en kan de winstgevendheid van het bedrijf aantasten. Dit kan de mogelijkheden van eiseres om te investeren in groei en innovatie beperken.

Overwegingen

4. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres een pleitnota voorgedragen. Deze pleitnota bevat argumenten die eiseres niet in haar beroepschrift heeft aangedragen. De gemachtigde van het CBS heeft zich op het standpunt gesteld dat dit nieuwe gronden zijn die buiten beschouwing moeten blijven. De rechtbank merkt de nieuwe argumenten die de gemachtigde van eiseres ter zitting naar voren heeft gebracht aan als invulling/uitwerking van de eerder ingediende gronden. Deze argumenten zijn weliswaar zeer laat naar voren gebracht, maar mede gelet op het feit dat de gemachtigde van het CBS op de zitting hier inhoudelijk op heeft gereageerd, is de rechtbank van oordeel dat de goede procesorde hierdoor niet is geschaad. De rechtbank zal deze argumenten daarom bij haar beoordeling betrekken.

De rechtbank beperkt zich daarbij wel tot de gronden die zich richten tegen het bestreden besluit van 11 oktober 2024, waarmee het CBS het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor zover de gronden van eiseres zich richten tegen de rechtmatigheid van de last onder dwangsom, bespreekt de rechtbank deze niet. Eiseres heeft namelijk geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 14 juni 2024 waarbij de last onder dwangsom is opgelegd, zodat dit besluit in rechte vaststaat.

Tijdigheid van het bezwaar

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Deze termijn begint op de dag nadat het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Als een bezwaarschrift te laat wordt ingediend dan wordt dit in beginsel niet in behandeling genomen (niet-ontvankelijk verklaard). Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als een betrokkene niet kan worden verweten dat hij zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend (verschoonbare termijnoverschrijding).

De invorderingsbeschikking is blijkens track & trace gegevens van PostNL verzonden op 31 juli 2024. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 11 september 2024. Het bezwaarschrift is gedateerd28 augustus 2024. Het CBS heeft het bezwaarschrift op 18 september 2024 ontvangen.

Naar vaste rechtspraak ligt de bewijslast en het -risico voor de bezorging ter post bij de bezwaarmaker. Een poststempel geldt hierbij als bewijsrechtelijk uitgangspunt. Bij gebrek aan een poststempel geldt dat een via een geldige postaanbieder verzonden poststuk in ieder geval wordt geacht tijdig ter post te zijn bezorgd als het de eerste of tweede werkdag na de laatste dag van de bezwaar- of beroepstermijn is ontvangen, tenzij op grond van de vaststaande feiten aannemelijk is dat het later dan de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd.

Op de envelop behorend bij het bezwaarschrift is op de poststempel van PostNL geen datum van aanbieding ter post te lezen. Eiseres voert aan dat dit een aanwijzing is dat het bezwaarschrift is verzonden op 28 augustus 2024. Aangezien het poststuk aanzienlijk vertraagd is afgeleverd, bijna drie weken na verzending terwijl poststukken doorgaans binnen een à twee werkdagen worden bezorgd, ligt het voor de hand dat er iets mis is gegaan bij de verzending. Waarschijnlijk heeft het poststuk tijdelijk ergens gelegen waardoor het goed mogelijk is dat de poststempel is vervaagd.

De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Op de zitting heeft de gemachtigde van het CBS de originele envelop laten zien waarin het bezwaarschrift is ontvangen. De rechtbank heeft geconstateerd dat hierop geen datumstempel te zien is en dat er geen aanwijzingen zijn dat deze er eerder wel op stond maar vervaagd is. Dat eiseres het bezwaarschrift daadwerkelijk op 28 augustus 2024 ter post heeft aangeboden en dat het poststuk langere tijd bij PostNL is blijven liggen, blijkt nergens uit. Nu eiseres het bezwaarschrift niet aangetekend heeft verstuurd, komt dit voor haar rekening en risico.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres er niet in geslaagd aan te tonen dat zij het bezwaarschrift tijdig ter post bezorgd heeft.

Verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding

Op 8 augustus 2024 heeft [persoon 1] telefonisch contact gehad met een medewerker van het CBS over de invorderingsbeschikking. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij hiermee tijdig bezwaar heeft gemaakt, althans dat het CBS tijdens dit telefoongesprek het vertrouwen heeft gewekt dat zij hiermee, binnen de bezwaartermijn, bezwaar had gemaakt en dat dit volstond. Volgens eiseres is het feit dat zij niet wist dat zij schriftelijk bezwaar moest maken niet aan haar te wijten. Ten tijde van het indienen van het bezwaar had eiseres geen juridische bijstand en het CBS heeft haar niet in de gelegenheid gesteld om binnen een redelijke termijn dit verzuim te herstellen.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. In de invorderingsbeschikking staat duidelijk dat het bezwaar schriftelijk ingediend moet worden bij het CBS. Hierover kan, ook zonder juridische bijstand, geen misverstand bestaan. Dat er namens het CBS telefonisch uitspraken zijn gedaan waaraan eiseres het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat zij desondanks telefonisch bezwaar kon maken, is de rechtbank niet gebleken. Eiseres heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat zij tijdens het telefoongesprek heeft gezegd dat zij op die wijze bezwaar wilde maken. Integendeel, in de telefoonnotitie die het CBS heeft overgelegd staat over dit gesprek: “mevrouw gaat met haar advocaat overwegen in bezwaar te gaan”.

De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd ten slotte ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiseres was ruim voor het verstrijken van de bezwaartermijn op de hoogte van de invorderingsbeschikking, die zowel per gewone post als per aangetekende post door eiseres is ontvangen. Op 8 augustus 2024 heeft [persoon 1] telefonisch contact gehad met een medewerker van het CBS over dit besluit. Op de zitting heeft [persoon 1] gezegd dat zij de (niet-aangetekend verzonden) invorderingsbeschikking toen ook al gelezen had. Daarnaast volgt uit de overgelegde track & trace gegevens dat eiseres de (aangetekend verzonden) invorderingsbeschikking op 20 augustus 2024 bij een PostNL pakketpunt heeft opgehaald. Eiseres was dus ruimschoots voor afloop van de bezwaartermijn op de hoogte van de invorderingsbeschikking en niet gebleken is dat zij niet in staat was om daar toen – binnen de bezwaartermijn – schriftelijk bezwaar tegen te maken. Dat de heer [persoon 1] (de bestuurder van eiseres) pas na zijn vakantie (eind augustus 2024) kennis zou hebben genomen van de invorderingsbeschikking, maakt dat niet anders. Bovendien is het vaste rechtspraak dat het tot de eigen verantwoordelijkheid behoort van degene die bezwaar wenst te maken, om er zorg voor te dragen dat ook in geval van afwezigheid of ziekte wordt voldaan aan de wettelijke vereisten die zijn verbonden aan het maken van bezwaar, door bijvoorbeeld terzake een derde in te schakelen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Het CBS heeft het bezwaarschrift van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. Speksnijder, rechter, in aanwezigheid vanmr.C.J. van ‘t Hoff, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.W. Speksnijder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?