RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/256281-24 (A) en 13/156294-25 (B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 11 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2002,
ter terechtzitting opgegeven verblijfadres: [verblijfadres] ,
nu gedetineerd in: [verblijfsplaats] ,
hierna te noemen: verdachte.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.W.M. van der Linde, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mrs. A.T. Leigh en K.H. Schepel, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding die zijn ingediend door respectievelijk namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] ( [benadeelde partij 1] ), [benadeelde partij 2] ( [benadeelde partij 2] ) en [benadeelde partij 3] ( [benadeelde partij 3] ) en wat mrs. A. Wijburg en Korfker, de advocaten van die [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , en [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland namens het slachtoffer [benadeelde partij 2] , naar voren hebben gebracht.
2. Tenlasteleggingen
Na wijziging van één van de tenlasteleggingen op de terechtzitting is aan verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
zaak A
1
(primair) diefstal, tezamen en in vereniging, van een geldbedrag en/of een jas van [benadeelde partij 2] , waarbij geweld is gebruikt op 10 augustus 2024 in Amsterdam dan wel (subsidiair) medeplichtigheid daaraan;
2
(primair) afpersing, tezamen en in vereniging, van [benadeelde partij 2] op 10 augustus 2024 in Amsterdam dan wel (subsidiair) medeplichtigheid daaraan;
3
(primair) poging tot afpersing, tezamen en in vereniging, dan wel (subsidiair) medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [benadeelde partij 1] op 12 augustus 2024 in Amsterdam;
4
het tezamen en in vereniging verkopen, afleveren, verstreken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben, van LSD en/of cocaïne in de periode van 5 juli 2024 tot en met 24 september 2024 in Amsterdam;
5
het tezamen en in vereniging plegen van voorbereidingshandelingen voor het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van LSD en cocaïne in de periode van 5 juli 2024 tot en met 24 september 2024 in Amsterdam;
6 ( was 5, na wijziging van de tenlastelegging hernummerd door de rechtbank)
het opzettelijk afleveren en/of voorhanden hebben van valse rijbewijzen in de periode van 31 juli 2024 tot en met 28 september 2024 in Amsterdam;
zaak B
tezamen en in verenging van een poging tot diefstal van een geldbedrag en/of goederen van[benadeelde partij 3] , waarbij geweld is gebruikt, op 5 augustus 2024 in Haarlem.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Waardering van het bewijs
Vormverzuim
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat in het vooronderzoek sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Dit vormverzuim bestaat erin dat aan de telefoon van verdachte onrechtmatig onderzoek heeft plaatsgevonden. Dit onderzoek hield meer in dan een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Zijn persoonlijke gesprekken zijn uitgelezen, zijn gezondheidsgegevens zijn geanalyseerd en aangestraalde locaties zijn verzameld. Dit zijn gevoelige gegevens. Het gaat om een ernstig vormverzuim en verdachte heeft als gevolg hiervan daadwerkelijk nadeel ondervonden. Dat nadeel bestond eruit dat (onnodige) persoonlijke informatie over zijn privéleven bekend is geworden. Daardoor is sprake van schending van het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM), schending van het recht op privéleven van verdachte. Uit vaste rechtspraak volgt dat in dit geval aan het onderzoek aan de telefoon een machtiging van de rechter commissaris ten grondslag moet liggen en deze ontbrak. Daarom dient bewijsuitsluiting van de resultaten uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte te volgen.
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is geen sprake van een vormverzuim en moet het verweer worden verworpen. De rechtbank zal bij de beoordeling wat de officier van justitie hiertoe heeft aangevoerd, bespreken.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
De Hoge Raad heeft in het arrest van 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:409) beslist dat voor het doorzoeken van elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken in de regel een machtiging van de rechter-commissaris nodig is als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan een dergelijk voorwerp inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie en gevoelige gegevens).
Vormverzuim in het vooronderzoek
De rechtbank stelt vast dat bij de aanhouding van verdachte op 30 september 2024 zijn mobiele telefoon, te weten een iPhone 15 Pro, in beslag is genomen en vervolgens is onderzocht. De rechtbank is van oordeel dat met het onderzoek aan die telefoon sprake is geweest van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Zij volstaat echter met de constatering van het vormverzuim. Hieronder zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De politie heeft met als doel informatie te verkrijgen over de in zaak A onder 1 en 2 tenlastegelegde woningoverval op het [adres] , waaronder het achterhalen wie de medeverdachten daarvan zijn, onderzoek ingesteld naar de mobiele telefoon van verdachte. Daarbij zijn onder meer de volgende gegevens bekeken en verzameld: de apparaatgegevens, de belgeschiedenis, de contactgegevens, de chatberichten, de betalingen in Apple Wallet, de aangestraalde locaties en de afbeeldingen (de fotogalerij).
Uit het dossier volgt niet dat door de rechter-commissaris een machtiging is verleend voor het uitlezen van de mobiele telefoon van verdachte. Dit was wel noodzakelijk gelet op het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad.
De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie dat geen sprake is van een vormverzuim, omdat het onderzoek aan de telefoon voor bovengenoemde uitspraak van de Hoger Raad heeft plaatsgevonden, niet. Deze uitspraak van de Hoge Raad is gebaseerd op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck (HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830) en die rechtspraak geldt met terugwerkende kracht.
De rechtbank volgt de officier van justitie ook niet in de stelling dat een separate machtiging van de rechter-commissaris niet nodig is als een telefoon door de rechter-commissaris in beslag is genomen bij een doorzoeking. Ook in dat geval zal een separate machtiging door de rechter-commissaris nodig zijn als sprake is van een intensief onderzoek van de telefoon.
De rechtbank dient te bepalen of aan voornoemd vormverzuim enig in artikel 359a Sv genoemd rechtsgevolg moet worden verbonden en, indien dat het geval is, welk rechtsgevolg.
De rechtbank stelt vast dat het onderzoek aan de telefoon heeft plaatsgevonden voordat de Hoge Raad het hiervoor genoemde arrest heeft gewezen. Van een bewust vormverzuim is niet gebleken, maar wel van enig nadeel voor verdachte. Daarom houdt de rechtbank het op een constatering van het vormverzuim, zodat daaraan geen verdere gevolgen worden verbonden.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie over de bewezenverklaring
Zaak A
feiten 1 en 2
Volgens de officier van justitie kan verdachte als medepleger worden aangemerkt voor het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde, omdat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en zijn medeverdachten. Hierom kunnen deze feiten worden bewezen.
feit 3
Ook het onder 3 primair tenlastegelegde kan worden bewezen. Verdachte en zijn mededaders hebben aangever bedreigd met een vuurwapen en uit de gebruikte bewoordingen ‘are you going to pay it’ blijkt evident dat zij geld wilden van hem.
feiten 4 en 5
De onder 4 en 5 tenlastegelegde feiten kunnen eveneens worden bewezen om de volgende redenen. Gelet op de chatberichten en de aangetroffen foto’s en video’s in de telefoons van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kan worden vastgesteld dat verdachte met zijn medeverdachten gesprekken voerde over verdovende middelen. Dat het daarbij om cocaïne gaat, volgt uit de verstuurde foto’s. Daarop is te zien dat blokken een witte substantie/poeder bevatten. Ook zijn de blokken voorzien van stempels. Het verpakken in blokken en het voorzien van die blokken van een stempel is gebruikelijk bij de handel van cocaïne. Daarnaast passen de in de chats genoemde prijzen bij de destijds gangbare handelsprijzen van cocaïne. De weergegeven chatberichten kunnen niet anders worden uitgelegd dan dat daarin wordt gesproken over echte cocaïne. Uit die gesprekken volgt verder dat verdachte op 22 juli 2024 betrokken is geweest bij een drugsoverdracht en dat hij zich samen met anderen heeft beziggehouden met voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet.
De officier heeft gevorderd dat verdachte partieel wordt vrijgesproken van de onder 4 ten laste gelegde LSD. Voor de onder 5 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen met betrekking tot LSD dient volgens haar wel een bewezenverklaring te volgen.
feit 6
Verdachte heeft het feit in zijn verhoor bij de politie bekend; dit feit moet worden bewezenverklaard.
Zaak B:
Op grond van de bewijsmiddelen acht de officier van justitie het in deze zaak tenlastegelegde bewezen.
Het standpunt van de verdediging over de bewezenverklaring
Zaak A
feiten 1 en 2
De verdediging heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde. Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte als medepleger is aan te merken van de woningoverval. Voor het subsidiair tenlastegelegde geldt dat verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op het grondfeit.
feit 3
Verdachte heeft geen opzet gehad op het medeplegen van de in zaak A onder 3 primair tenlastegelegde afpersing. Verdachte moet hiervan daarom worden vrijgesproken. Over het in zaak A onder 3 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
feiten 4 en 5
De raadsman heeft aangevoerd dat de resultaten van het onderzoek aan de telefoons van verdachte moeten worden uitgesloten van bewijs, omdat sprake is van een vormverzuim nu in strijd met de ‘Landdeck jurisprudentie’ er geen toestemming van de rechter-commissaris is gegeven om de telefoons te doorzoeken. Verder dient verdachte ook te worden vrijgesproken van het in zaak A onder 4 tenlastegelegde, omdat er geen bewijs voorhanden is dat de drugs aan verdachte toebehoorden of dat hij de feitelijke beschikkingsmacht daarover had. Ook is er geen bewijs voorhanden van een concrete overdracht van geld of drugs.
Voor het onder 5 tenlastegelegde heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Hoewel verdachte een bovenmatige interesse in drugs vertoonde, maakt dat niet dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen. Er is geen bewijs dat verdachte betrokken is bij daadwerkelijk vastgestelde handelingen die betrekking hebben op drugs.
Zaak A, feit 6:
De raadsman heeft zich voor dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Zaak B:
De raadsman heeft voor deze zaak geen nader bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank over de bewezenverklaring
Zaak B (poging woningoverval [benadeelde partij 3] , onderzoek Steur)
Verdachte heeft ter zitting het volgende verklaard. Hij was vanaf begin augustus vaak in het gezelschap van twee andere personen, ook die nacht. Hij is samen met die personen in zijn auto naar en van de plaats delict in Haarlem gereden en naar het huis van [benadeelde partij 3] gegaan. Hij is degene geweest die heeft aangebeld bij [benadeelde partij 3] . Verdachte heeft spijt betuigd over zijn bijdrage aan dit strafbare feit.
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat verdachte en zijn twee medeverdachten via de applicatie Grindr een afspraak hebben gemaakt met aangever [benadeelde partij 3] op 5 augustus 2024. De chats via Grindr verliepen in vlot Nederlands. De rechtbank houdt het er ook voor dat verdachte de afspraak via Grindr met [benadeelde partij 3] heeft gemaakt, omdat vast staat dat verdachte deze taal goed machtig is.
Nadat er midden in de nacht werd aangebeld deed [benadeelde partij 3] de voordeur open, zag hij dat de persoon die voor zijn deur stond qua uiterlijk niet overeenkwam met de persoon waarmee hij dacht af te hebben gesproken en wilde hij direct de deur dichtdoen. Verdachte stapte op dat moment naar binnen, waardoor [benadeelde partij 3] de deur niet kon sluiten en daarop kwamen de twee medeverdachten tevoorschijn. Er werd direct een vuurwapen getoond, [benadeelde partij 3] werd op de grond geduwd, in zijn gezicht getrapt en met het vuurwapen tegen zijn hoofd geslagen. Vervolgens zijn verdachte en de medeverdachten, bij het horen roepen door getuige [getuige] ( [getuige] ), gevlucht.
Gelet op de omstandigheden dat vlak vóór dit incident de telefoon van [naam 2] ( [naam 2] ) een zendmast aanstraalde in de omgeving van de woning van aangever [benadeelde partij 3] , verdachte in de periode hiervoor en erna vaak samen met die [naam 2] was, en verdachte – zoals blijkt uit de verdere inhoud van dit vonnis – zich in diezelfde periode meermalen samen met [naam 2] schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, oordeelt de rechtbank dat het niet anders kan dan dat [naam 2] op 5 augustus 2024 één van de twee medeverdachten is geweest.
De hiervoor genoemde gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de voltooiing van een geplande woningoverval dat het niet anders kan zijn dan dat dit de daadwerkelijke bedoeling was van verdachte en zijn medeverdachten, maar dat zij daarin werden gestoord door [getuige] .
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het in zaak B tenlastegelegde.
Zaak A
Feiten 1 en 2 (woningoverval en afpersing [benadeelde partij 2] , onderzoek Morgon)
De rechtbank stelt op grond van de verklaring van verdachte op de terechtzitting en de andere bewijsmiddelen vast dat op 10 augustus 2024 via de applicatie Grindr een afspraak is gemaakt voor een ontmoeting met aangever [benadeelde partij 2] . Twee personen zijn rond 16.30 uur naar de woning van [benadeelde partij 2] gegaan, en zijn door hem binnengelaten. Vrijwel direct nadat die personen binnen waren, trokken zij beiden een vuurwapen, richtten die vuurwapens op [benadeelde partij 2] en zeiden onder meer tegen hem dat zij hem zouden neerschieten als hij niet zou betalen. Een van de verdachten trok gelijk een North face jas van [benadeelde partij 2] aan en zij vroegen hem om € 2.000. Nadat [benadeelde partij 2] aangaf dat geldbedrag niet te hebben, hebben die twee personen hem bedreigd met geweld en hem vastgebonden met ducttape en een snoer van een oplader. Vervolgens is bij [benadeelde partij 2] het topje van zijn middelvinger afgesneden met een hakmes, is hij met een houtzaag in zijn knie gezaagd, met een schaar in zijn linkeroor geknipt en zijn bij hem de wenkbrauwen afgeschoren en haren afgeknipt. [benadeelde partij 2] heeft onder druk van deze marteling zijn creditcard met bijbehorende pincode aan die personen gegeven, waarna een van hen contact heeft opgenomen met verdachte. Verdachte, die zich in de buurt bevond, haalde die pas vervolgens op en is daarmee naar een pinautomaat in winkelcentrum Molenwijk in Amsterdam gegaan en heeft € 100 euro gepind. Andere pogingen om meer geld op te nemen waren niet gelukt. Bij het verlaten van de woning van [benadeelde partij 2] hebben die twee personen nog twee schoten gelost in zijn richting.
Uit het forensisch onderzoek in de woning van [benadeelde partij 2] is gebleken dat op de voorwerpen die de daders hebben vastgepakt DNA is aangetroffen van [naam 2] en [naam 3] . De rechtbank leidt hieruit af dat zij de twee medeverdachten zijn die in de woning van [benadeelde partij 2] zijn geweest en de tenlastegelegde geweldshandelingen hebben uitgevoerd. Op een steentje dat verdachte tegen een ruit op het balkon had gegooid is ook DNA van verdachte aangetroffen.
Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank dan ook vast dat op 10 augustus 2024 in Amsterdam een diefstal met geweld en een afpersing hebben plaatsgevonden, doordat aangever onder bedreiging van geweld en door toepassing van geweld is gedwongen tot afgifte van zijn creditcard met bijbehorende pincode, waarmee € 100 is gepind, en zijn jas is weggenomen.
Medeplegen
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte als medepleger kan worden aangemerkt bij deze afpersing en diefstal. Zij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daarover het volgende.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden gekwalificeerd wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een of meer andere personen.
Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
De rechtbank merkt daarnaast op dat voor medeplegen een dubbel opzetvereiste geldt: opzet op de onderlinge samenwerking en opzet op de verwezenlijking van het grondfeit. Dit dubbel opzet ligt besloten in de voornoemde voor medeplegen geldende voorwaarde dat sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Niet is vereist dat de verdachte op de hoogte was van de precieze gedragingen van de medeverdachten.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte samen met een persoon genaamd [medeverdachte] (medeverdachte in feit 3, de bedreiging op 12 augustus 2024 en de feiten 4 en 5) en twee andere mannen naar het winkelcentrum Molenwijk in Amsterdam is gereden. De twee mannen zijn vervolgens weggegaan en verdachte bleef samen met [medeverdachte] achter in het winkelcentrum. Die twee mannen, [naam 2] en [naam 3] , zijn naar de woning van [benadeelde partij 2] gegaan, waar zij de tenlastegelegde woningoverval en de afpersing pleegden. [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat toen hij zijn creditcard aan hen had afgegeven, één van die twee mannen telefonisch contact had opgenomen met iemand anders en daarbij in het Portugees/Braziliaans zei: ‘Ik heb zijn creditcard, wat moeten wij nu hiermee?’. Blijkens de verklaring van verdachte zelf is verdachte de persoon waarmee één van die twee mannen telefonisch contact heeft opgenomen. Verdachte heeft, nadat zij kennelijk hadden besloten wat zij met die pas zouden doen, de pas opgehaald en heeft daarmee gepind. Hij heeft nadien weer een afspraak met [naam 2] en [naam 3] gemaakt en hen opgehaald en ergens anders afgezet.
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van medeplegen op grond van het volgende. Op 5 augustus 2024 is verdachte actief betrokken geweest bij een feit met dezelfde modus operandi. Minimaal één medeverdachte van 5 augustus 2024 was ook betrokken bij het feit op 12 augustus 2024. Bij beide feiten werd een afspraak gemaakt via Grindr. Zonder verdachte, die goed Nederlands spreekt en schrijft, was het niet mogelijk om die afspraken te maken. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de communicatie met de slachtoffers via google translate is verlopen. De beide medeverdachten spreken geen Nederlands, beschikten niet over een eigen vervoermiddel in Nederland en waren ook voor hun verblijf in Nederland afhankelijk van verdachte. Zonder betrokkenheid van verdachte konden de medeverdachten de feitelijke overval in de woning niet uitvoeren. De bijdrage van verdachte was wezenlijk en gebaseerd op een bewuste en nauwe samenwerking. Er is gewerkt via een vooropgezet plan waarbij ieder van de daders onmisbaar was voor de uitvoering.
Voorwaardelijk opzet
Daarbij acht de rechtbank bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de geweldshandelingen tegen [benadeelde partij 2] . Zij overweegt daarover als volgt.
Zoals hiervoor in zaak B is overwogen, heeft verdachte zich op 5 augustus 2024 samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld. [naam 2] was bij het plegen van dat strafbare feit betrokken. Bij dat feit werd direct een vuurwapen getrokken en werd ook direct geweld gebruikt tegen het slachtoffer. Daarnaast heeft verdachte over [naam 2] en [naam 3] verklaard dat zij uit Brazilië komen en dat hij weet dat criminelen in Brazilië heel ver gaan. De rechtbank begrijpt dat verdachte daarmee bedoelt dat criminelen uit Brazilië ver kunnen gaan in het toepassen van geweld. De rechtbank stelt vast dat verdachte samen met anderen, van wie hij wist dat in ieder geval één persoon bereid is een vuurwapen te trekken, geweld toe te passen en in staat is tot het toepassen van meer dan gebruikelijke geweldshandelingen, het plan heeft gemaakt om een ander in zijn woning te beroven en af te persen en dat ook met hen heeft uitgevoerd. Daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de medeverdachten dit keer weer een vuurwapen bij zich zouden hebben, dat op enige wijze zouden gebruiken en dat zij zeer grove gewelds-handelingen zouden toepassen. De marteling van [benadeelde partij 2] in zijn woning door de twee medeverdachten is verdachte daarom strafrechtelijk ook aan te rekenen in het kader van de bewezenverklaring. De rechtbank zal wel bij de straftoemeting rekening houden met de rol van verdachte.
Conclusie
De rechtbank concludeert dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de in zaak A onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten en acht die feiten dan ook bewezen.
Feit 3 (onderzoek Grenar)
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 12 augustus 2024 samen met [naam 2] , [medeverdachte] en nog meer personen naar de woning aan de [adres] is gegaan. Daar belden zij aan en nadat aangever [benadeelde partij 1] opendeed, vroegen zij vrijwel direct naar een Colombiaanse man. Daarbij heeft verdachte tegen [benadeelde partij 1] gezegd dat die Colombiaanse man hen van € 200.000 heeft beroofd. Vervolgens pakte een andere persoon een vuurwapen en richtte dat op [benadeelde partij 1] . Verdachte zei vervolgens tegen aangever: ‘Are you going to pay it?’.
Op de terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij naar die woning is gegaan met de intentie om te vertalen en dat hij niet wist dat een vuurwapen was meegenomen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt ongeloofwaardig. Verdachte heeft namelijk verklaard dat toen [benadeelde partij 1] de deur opendeed verdachte direct zag dat hij geen Colombiaan was. Desondanks heeft hij hem, terwijl hij dan dus had moeten weten dat hij niet de juiste persoon was, toch aangesproken en aan hem gevraagd of hij die € 200.000 zou betalen. Verdachte heeft zich op geen enkele wijze gedistantieerd van de poging om middels dreiging met geweld [benadeelde partij 1] te bewegen tot betaling van een aanzienlijk geldbedrag. Als verdachte niet zou hebben geweten wat de bedoeling was, had hij zich direct moeten distantiëren toen duidelijk werd dat het om de verkeerde persoon ging en er een vuurwapen werd getrokken. Door pas, samen met alle andere verdachten, weg te lopen nadat er werd geroepen dat de politie onderweg was is het verhaal van verdachte niet geloofwaardig en neemt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen aan dat verdachte wist wat het doel was van het bezoek aan de bewoner van dit adres.
Nu hij samen met anderen naar die woning is gegaan, er een vuurwapen op aangever is gericht en aan hem is gevraagd of hij die € 200.000 zou betalen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten hebben gepoogd [benadeelde partij 1] te dwingen tot afgifte van € 200.000. Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 3 primair tenlastegelegde.
Feit 4 (drugshandel)
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] ( [medeverdachte] ) chatgesprekken heeft gevoerd met ‘ [naam 4] ’ en verdachte ( [verdachte] ) om een drugsdeal te sluiten. Er wordt afgesproken dat verdachte namens [medeverdachte] en ‘ [naam 5] ’, namens [naam 4] , elkaar op 22 juli 2024 om 12:30 uur zullen ontmoeten bij de [adres] om een deal rond te krijgen. Op 21 juli 2024 bericht verdachte [medeverdachte] dat hij de anderen moet laten weten dat hij een monster (sample) mee zou nemen. Op 22 juli 2024 om 10:11 uur stuurt [medeverdachte] het adres en tijdstip van de ontmoeting door aan verdachte en instrueert hij hem om een foto te maken van zijn kleding zonder gezicht, zodat hij door de anderen kan worden herkend. Twee uur voorafgaand aan de ontmoeting stuurt verdachte dan ook een foto van de kleding die hij op dat moment aan heeft. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte de instructies van [medeverdachte] opvolgde en onderweg was naar voornoemde afspraak.
Een paar uur na de geplande ontmoeting vraagt [naam 4] [medeverdachte] in een chat of de “dingen” al zijn gekookt en of die dingen bevallen. Uit de inhoud van deze berichten leidt de rechtbank af dat er daadwerkelijk een overdracht heeft plaatsgevonden waar verdachte bij aanwezig was. Dit is in lijn met wat verdachte heeft bericht over het monster (sample) dat hij mee zou nemen. Dat daarbij een daadwerkelijke hoeveelheid cocaïne is overgedragen volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de context van de chatberichten, uit het feit dat op de telefoon van [medeverdachte] ongeveer 100 afbeeldingen van witte, vacuümverpakte blokken voorzien van een stempel zijn aangetroffen, dat uit chats blijkt dat tussen 7 juli 2024 en 10 juli 2024 een cocaïneoverdracht heeft plaatsgevonden in Spanje tussen [medeverdachte] en [naam 4] en dat [medeverdachte] , na die geslaagde deal, ook een nieuwe deal wilde sluiten in Amsterdam op 22 juli 2024.
Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat er op 22 juli 2024 ook LSD is overgedragen of dat verdachte op enig ander moment LSD heeft verkocht, overgedragen, afgeleverd of aanwezig heeft gehad. Verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Verdachte heeft uitvoerig contact gehad met [medeverdachte] over de overdracht van 22 juli 2024 en zijn instructies opgevolgd, zodat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen hen. Daarom kan verdachte als medepleger worden aangemerkt.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met anderen op 22 juli 2024 schuldig heeft gemaakt aan de onder 4 tenlastegelegde drugshandel.
Feit 5 (voorbereidingshandelingen)
Uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte volgt dat hij in de periode van 5 juli tot en met 24 september 2024 veel chatgesprekken heeft gevoerd met verschillende personen over onder meer het afstemmen of afspreken van prijzen van “handelswaar”, het vinden van kopers daarvan, de mogelijkheden tot de in- en uitvoer van handelswaar en het uitwisselen van informatie over handelswaar. In een aantal van die chatgesprekken worden video’s en afbeeldingen doorgestuurd van witte verpakte blokken met daarop stempels. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat cocaïne veelal op dergelijke wijze wordt verpakt en wordt voorzien van stempels om de herkomst ervan te herleiden. Gelet hierop en in onderling samenhang bezien met de inhoud van de chatgesprekken, de veelheid van die gesprekken en de daarin genoemde prijzen die passen bij de gangbare handelsprijzen van cocaïne, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat die chatgesprekken betrekking hebben op echte cocaïne.
Uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte volgt verder dat hij in een groepschat een bericht heeft verstuurd met de mededeling dat hij voor een ander LSD zal vragen. Een paar dagen later berichtte hij in dezelfde groepschat dat hij “amigo’s” (de rechtbank begrijpt: vrienden) heeft in Nederland, waarna er direct een groepscall volgde.
Gelet op de hoeveelheid chatgesprekken en met name de inhoud daarvan is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat die chatgesprekken kunnen worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen van de in-of uitvoer en handel in cocaïne en LSD.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde feit.
Feit 6 (valse rijbewijzen)
De rechtbank acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting en de andere bewijsmiddelen het onder 6 tenlastegelegde feit bewezen.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
zaak A
feit 1 primair
op 10 augustus 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, een creditcard en een kledingstuk, te weten een jack/jas van het merk North face en geld, te weten 100 euro, die aan [benadeelde partij 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die voornoemde [benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door:
- via de applicatie Grindr een afspraak te maken bij die [benadeelde partij 2] thuis en/of
- na in de woning van die [benadeelde partij 2] te zijn binnengelaten, vuurwapens, te weten een revolver en pistool, tevoorschijn te halen en vanaf dichte afstand op het hoofd van die voornoemde [benadeelde partij 2] te richten en/of
- de armen en benen van die [benadeelde partij 2] vast te binden met duct-tape en de enkels van die [benadeelde partij 2] vast te binden met het snoer van een Iphone-oplader en de mond van die [benadeelde partij 2] dicht te tapen met duct-tape en/of
- die [benadeelde partij 2] te vragen naar geld en de woorden toe te voegen: "Ik ga je neerschieten als je niet betaalt" en/of
- te dreigen met een breinaald in de buik van die [benadeelde partij 2] te steken en/of
- de woning van die [benadeelde partij 2] te doorzoeken en/of
- een hakmes uit de keuken te pakken en daarmee het topje van de middelvinger van die [benadeelde partij 2] eraf te hakken en/of
- het voornoemde hakmes langs het gezicht/oor van die [benadeelde partij 2] te halen/houden en daarbij de woorden te bezigen: “als je niet betaalt, dan haal ik je oor eraf” en/of
- met een scheermes de wenkbrauwen van die [benadeelde partij 2] af te scheren en/of
- met een schaar de haren van die [benadeelde partij 2] af te knippen en/of
- met een schaar in het linkeroor van die [benadeelde partij 2] te knippen en/of
- met een vuurwapen op het voorhoofd van die [benadeelde partij 2] te slaan en/of
- met een houtzaag in de knie van die [benadeelde partij 2] te zagen en/of
- meermaals met een van die voornoemde vuurwapens op en in de richting van die [benadeelde partij 2] te schieten;
feit 2, primair
op 10 augustus 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een creditcard en de pincode van die creditcard en een inlogcode van internetbankieren, die geheel aan die [benadeelde partij 2] toebehoorden, door:
- via de applicatie Grindr een afspraak te maken bij die [benadeelde partij 2] thuis en/of
- na in de woning van die [benadeelde partij 2] te zijn binnengelaten vuurwapens, te weten een revolver en pistool, tevoorschijn te halen en vanaf dichte afstand op het hoofd van die voornoemde [benadeelde partij 2] te richten en/of
- de armen en benen van die [benadeelde partij 2] vast te binden met duct-tape en de enkels van die [benadeelde partij 2] vast te binden met het snoer van een Iphone-oplader en de mond van die [benadeelde partij 2] dicht te tapen met duct-tape en/of
- die [benadeelde partij 2] te vragen naar geld en de woorden toe te voegen: "Ik ga je neerschieten als je niet betaalt" en/of
- te dreigen met een breinaald in de buik van die [benadeelde partij 2] te steken en/of
- de woning van die [benadeelde partij 2] te doorzoeken en/of
- een hakmes uit de keuken te pakken en daarmee het topje van de middelvinger van die [benadeelde partij 2] eraf te hakken en/of
- het voornoemde hakmes langs het gezicht/oor van die [benadeelde partij 2] te halen/houden en daarbij de woorden te bezigen: “als je niet betaalt, dan haal ik je oor eraf” en/of
- met een scheermes de wenkbrauwen van die [benadeelde partij 2] af te scheren en/of
- met een schaar de haren van die [benadeelde partij 2] af te knippen en/of
- met een schaar in het linkeroor van die [benadeelde partij 2] te knippen en/of
- met een vuurwapen op het voorhoofd van die [benadeelde partij 2] te slaan en/of
- met een houtzaag in de knie van die [benadeelde partij 2] te zagen en/of
- meermaals met (een van) die voornoemde vuurwapens op en in de richting van die [benadeelde partij 2] te schieten;
feit 3 primair
op 12 augustus 2024 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, te weten een bedrag van € 200.000, dat aan die [benadeelde partij 1] toebehoorde:
- bij de woning van die [benadeelde partij 1] heeft aangebeld en/of
- ( vervolgens) nadat door die [benadeelde partij 1] de deur was opengedaan, een vuurwapen tevoorschijn heeft gehaald en op die [benadeelde partij 1] heeft gericht en/of
- tegen die [benadeelde partij 1] heeft gezegd dat zij van het Mexicaanse kartel zijn en dat een Colombiaanse man die bij die [benadeelde partij 1] zou hebben verbleven hun nog 200.000 euro schuldig is en/of
- tegen die [benadeelde partij 1] heeft gezegd: "are you going to pay?",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 4:
op 22 juli 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;
feit 5:
in de periode van 5 juli 2024 tot en met 24 september 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten:
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, en vervoeren
van een hoeveelheid LSD en cocaïne,
zich en een ander gelegenheid, en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, door:
- gesprekken te voeren en berichten te versturen om de mogelijkheden van de invoer/uitvoer van LSD en cocaïne te bespreken, waarbij het gaat om zeer grote hoeveelheden
- gesprekken te voeren en informatie uit te wisselen en met anderen plannen te maken over de mogelijkheden om LSD en cocaïne in Nederland te verkopen en daartoe ook een concrete afspraak heeft gemaakt op 22 juli 2024 op een adres in Amsterdam en
- filmpjes en foto's te versturen en te ontvangen waarop bolletjes en blokken cocaïne te zien zijn, waarbij er tevens gesprekken worden gevoerd over de verkoop van harddrugs;
feit 6:
in de periode van 31 juli 2024 tot en met 28 september 2024 in Nederland, meerdere identiteitsbewijzen als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een rijbewijs op naam van [naam 6] , geboren op [geboortedatum] en een rijbewijs op naam van [naam 7] , geboren op [geboortedatum] en een rijbewijs op naam van [naam 8] , geboren op [geboortedatum] , waarvan hij, verdachte, wist dat deze rijbewijzen vals waren heeft afgeleverd en voorhanden heeft gehad;
zaak B:
op 5 augustus 2024 te Haarlem, tezamen en in vereniging met anderen, in/uit een woning gelegen aan de [adres] , alwaar verdachte en zijn mededaders zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbend(en) bevonden, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om geld en/of goederen, die aan [benadeelde partij 3] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan van geweld en bedreiging met geweld tegen die voornoemde [benadeelde partij 3] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door:
- zich via de site Grindr heeft voorgedaan als ene ' [naam 9] ' en via deze site een afspraak met voornoemde [benadeelde partij 3] heeft gemaakt om langs te komen bij de woning van die voornoemde [benadeelde partij 3] en
- vervolgens toen voornoemde [benadeelde partij 3] de deur van zijn woning opendeed, naar binnen is gestapt, waardoor voornoemde [benadeelde partij 3] de deur niet meer kon sluiten en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend donker gevlekt metalen voorwerp aan die [benadeelde partij 3] heeft getoond en/of
- die voornoemde [benadeelde partij 3] naar de grond heeft geduwd en/of
- terwijl die [benadeelde partij 3] op de grond lag met kracht een trap in het gezicht van die [benadeelde partij 3] heeft gegeven,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren, met aftrek van voorarrest. Deze eis is vooral gebaseerd op het geweld dat is gehanteerd bij de woningoverval op 10 augustus 2025. Ook het homovijandige aspect in twee van de zaken dient volgens de officier van justitie zwaar mee te wegen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om in de strafmaat rekening te houden met de beïnvloedbaarheid en naïviteit van verdachte waardoor hij als meeloper moet worden gezien en niet als initiator. Voorts heeft de raadsman de rechtbank verzocht om rekening te houden met het feit dat verdachte in de Penitentiaire Inrichting als reiniger actief is en voor zijn afdeling lid is van de gedetineerdencommissie.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich in een periode van ongeveer vier maanden schuldig gemaakt aan zeven strafbare feiten. In augustus 2024 is hij telkens met een groep personen op pad gegaan met het doel om woningovervallen te plegen.
Op 5 augustus 2024 heeft hij samen met anderen geprobeerd een woning te overvallen van een hem onbekende man, waarbij het slachtoffer hard in het gezicht werd geschopt.
Op 12 augustus 2024 heeft hij samen met anderen een hem eveneens onbekende man geprobeerd af te persen. Getuigen hebben dit gezien en gehoord.
In beide gevallen werd een vuurwapen getrokken en gericht op het slachtoffer. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers en daarbij angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeggebracht. De rechtbank vindt dit dan ook zeer ernstige feiten.
Daarnaast heeft verdachte zich op 10 augustus 2024 samen met anderen schuldig gemaakt aan een woningoverval en afpersing, waarbij gedurende anderhalf uur gruwelijk geweld is toegepast dat steeds excessiever werd. Het slachtoffer is zwaar vernederd en bedreigd met vuurwapens. Hij was bang dood te gaan. Verder is hij op zijn hoofd geslagen met een vuurwapen, vastgebonden met ducttape, het topje van zijn vinger is afgehakt, er is in zijn oor geknipt, met een houtzaag in zijn knie gezaagd, zijn wenkbrauwen zijn afgeschoren en er is tweemaal op hem geschoten waarbij een kogel zijn rug heeft geschampt. Dit alles gebeurde onder ernstige bedreigingen. De medeverdachten hebben zelfs van het slachtoffer een video gemaakt en voorzien van zeer kwetsend en denigrerend commentaar, terwijl hij al gewond en gekneveld was.
De rechtbank kan dit geweld niet anders dan als martelingen bestempelen. De angst, paniek en fysieke pijn die het slachtoffer moet hebben ervaren zijn niet voor te stellen. Blijkens zijn slachtofferverklaring heeft het slachtoffer zichtbare littekens overgehouden die hem dagelijks herinneren aan het geweld dat hem is aangedaan. Daarnaast kampt hij als gevolg van het geweld met psychische klachten die tot verlies van werk, functioneren, zelfstandigheid en gevoel van veiligheid hebben geleid.
De rechtbank neemt in strafverzwarende zin mee dat verdachte en zijn medeverdachten op 5 en 10 augustus 2024 bewust misbruik hebben gemaakt van de kwetsbare posities van de slachtoffers. De keuze om via de dating-applicatie Grindr contact te leggen met de slachtoffers, en vervolgens (te proberen) een woningoverval en afpersing te plegen, getuigt van berekening. Door de slachtoffers te benaderen onder het mom van een date of ontmoeting, creëerden de daders eerst de schijn van intimiteit en veiligheid, waarna het gecreëerde vertrouwen werd misbruikt om hen in hun huis te (proberen te) beroven. Dat het geweld specifiek gericht was op homoseksuele slachtoffers leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat de afspraken via Grindr zijn gemaakt.
Daarnaast heeft verdachte zich ongeveer vier maanden lang schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs, het voorbereiden van de in- of uitvoer van en handel in harddrugs en aan het voorhanden hebben van drie valse rijbewijzen. Door zijn handelen heeft verdachte een rol gehad in de verspreiding van verdovende middelen, die gepaard gaat met veel vermogens- en andere criminaliteit. Drugsgebruik levert ook een gevaar op voor de volksgezondheid, omdat drugsgebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich meebrengt. Door het regelen van valse rijbewijzen voor hemzelf en anderen heeft verdachte het vertrouwen dat instanties moeten kunnen hebben in officiële buitenlandse documenten ernstig geschaad.
Verontrustend en kwalijk vind de rechtbank dat verdachte, die op zijn strafblad alleen een sepot voor het rijden zonder rijbewijs heeft staan, in korte tijd in een crimineel circuit al deze feiten heeft gepleegd en als enige verklaring voor zijn handelen heeft gegeven dat hij snel geld wilde verdienen.
De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf in strafverzwarende zin rekening met de ernst en mate van het geweld, de gevolgen daarvan voor de slachtoffers en het feit dat verdachte zijn rol hierin verkleint en daarvoor geen verantwoordelijkheid neemt. Uit het dossier komt namelijk naar voren dat verdachte ofwel als organisator of facilitator handelde. Aan de andere kant kan verdachte in het kader van het vergeldingselement in de strafmaat niet in dezelfde mate verantwoordelijk worden gehouden als de medeverdachten die los gingen op de slachtoffers. De rechtbank zal in dat kader niet de maximaal mogelijke straf opleggen, wat gezien de ernstige mate van geweld wel voor de hand zou liggen.
Op deze bewezenverklaarde strafbare feiten past alleen een langdurige gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd.
Alles overwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie voorgestelde straf passend en geboden, zodat zij aan verdachte oplegt een gevangenisstraf van tien jaren, met aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
8. Beslag
Onder verdachte zijn de voorwerpen zoals vermeld in bijlage III in beslag genomen.
Verbeurd verklaring:
De voorwerpen 27 tot en met 39 behoren aan verdachte toe. Omdat met behulp van deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.
Onttrekking aan het verkeer:
De rechtbank zal de voorwerpen 40 tot en met 42 onttrekken aan het verkeer. Dit zijn voorwerpen met betrekking tot welke de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
9. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen
[benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en hebben de volgende vorderingen ingediend.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 7.114,01 aan vergoeding van materiële schade en € 50.000 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 388 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 358,19 aan vergoeding van materiële schade en€ 5.000 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] volledig kunnen worden toegewezen.
Het standpunt van de verdediging
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] :
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen medepleger is geweest van de in zaak A onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en dat hij geen opzet heeft gehad op het gepleegde geweld in de woning. De schade die daaruit voortvloeit kan hem daarom niet worden toegerekend. Dat geldt ook indien hij wordt aangemerkt als medeplichtige.
De raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat in het geval de rechtbank toch oordeelt dat er sprake is van medeplegen, er aansluiting moet worden gezocht met het civiele recht. In het civiele recht bestaat de fictie van een niet-aanwezige medepleger niet, maar wordt slechts gekeken naar de vraag of sprake is van een causaal verband tussen het handelen van verdachte en de ontstane schade. Dat verband is er niet.
Volgens de raadsvrouw kan alleen de schade die het gevolg is geweest van de diefstal van het geldbedrag, te weten € 100,00, aan verdachte worden toegerekend. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de vordering voor het overige af te wijzen.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] :
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de schade niet kan worden toegerekend aan verdachte, omdat het causaal verband ontbreekt. Gelet hierop heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de vordering af te wijzen.
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] :
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 3] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] :
De rechtbank heeft bewezenverklaard dat verdachte samen met anderen een woningoverval heeft gepleegd. Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW is niet vereist dat een individu uit de groep zelf de schade heeft veroorzaakt om daarvoor aangesproken te kunnen worden. Verdachte en zijn medeverdachten voerden een vooraf opgezet plan uit. Hij heeft met de medeverdachten in groepsverband opgetreden, ook al heeft hij niet zelf deelgenomen aan de gedragingen in de woning van de benadeelde partij. Door de eerdere poging tot de woningoverval in [plaats] waarbij verdachte en de medeverdachten een wapen hadden, kon verdachte ermee rekening houden dat de medeverdachten een wapen zouden meenemen naar de woning van de benadeelde partij. Dat heeft hem niet weerhouden van deelname. Verdachte kon voorzien dat met het meegebrachte wapen zou worden geschoten en dat het slachtoffer hierdoor letsel zou oplopen. Hij heeft dat risico voor lief genomen. In civielrechtelijk opzicht is daarom sprake van groepsaansprakelijkheid in de zin van artikel 6:166 BW.
Materiële schade en wettelijke rente
De door de benadeelde partij gevorderde materiële schade van € 7.114,01 (bestaande uit vermogensschade door de pintransactie met zijn gestolen credit card, de diefstal van zijn jas, kosten voor een vliegticket naar en verblijf in Servië, reinigings- en reparatiekosten van zijn woning en vervangingskosten van meubelen) is voldoende onderbouwd en staat in rechtstreeks verband tot de door verdachte gepleegde strafbare feiten, zodat deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. De hoogte van de gevorderde bedragen is bovendien niet weersproken. Uit de bijlagen bij het voegingsformulier volgt dat de gevorderde materiële schade is ingetreden op verschillende data in een periode van 10 augustus 2024 tot begin januari 2025. Voor de ingangsdatum van de wettelijke rente over de toegewezen schadeposten, gaat de rechtbank uit van een datum die in het midden van die periode ligt, 10 oktober 2024.
Immateriële schade en wettelijke rente
Naar het oordeel van de rechtbank was vanuit het civielrechtelijke perspectief voor verdachte wel te voorzien dat er geweld zou worden toegepast, dat dit geweld fors zou kunnen zijn, maar niet te voorzien was dat de medeverdachten de benadeelde partij letsel zouden toebrengen door te zagen in zijn knie, zijn vingertopje af te snijden en in zijn oor te knippen. De rechtbank zal daarom schattenderwijs een bedrag van € 20.000 in mindering brengen op het gevorderde bedrag van € 50.000, € 30.000 toewijzen en de benadeelde partij in het overige deel van € 20.000 niet-ontvankelijk verklaren. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 10 augustus 2024, omdat toen het strafbare feit is gepleegd en de immateriële schade is ontstaan.
Veroordeling in de kosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van het bedrag van € 37.114,01, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 10 oktober 2024 voor de materiële schade van € 7.114,01 en 10 augustus 2024 voor de immateriële schade van € 30.000) tot aan de dag van de algehele voldoening.
De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 Sv toe te passen gijzeling op maximaal 220 dagen.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] :
De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij gemaakte kosten voor de aanschaf van een videodeurbel en een nieuw deurslot kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade als gevolg van het in zaak A onder 3 primair bewezenverklaarde. Door het bewezenverklaarde is er een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid gemaakt van de benadeelde partij. De aanschaf van een videodeurbel en een nieuw deurslot kunnen dat gevoel van onveiligheid doen verminderen. Gelet hierop, en nu de vordering voldoende is onderbouwd, wijst de rechtbank de vordering toe.
Veroordeling in de kosten
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van het bedrag van € 388, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 25 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 Sv toe te passen gijzeling van maximaal 7 dagen.
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] :
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering van € 5.358,19 is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen. De wettelijke rente over de immateriële schade van € 5.000 zal worden toegewezen vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd en de immateriële schade is ingetreden, te weten 5 augustus 2024. Uit de bijlagen bij het voegingsformulier volgt dat de gevorderde materiële schade is ingetreden op verschillende data, namelijk 28 september 2024 en 16 januari 2025. Voor de ingangsdatum van de wettelijke rente gaat de rechtbank uit van een datum die in het midden van die periode ligt, 1 november 2024.
Veroordeling in de kosten
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij 3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
Hoofdelijkheid:
Op basis van de inhoud van het dossier stelt de rechtbank vast dat bij de bewezenverklaarde feiten telkens meerdere personen betrokken zijn geweest. Nu verdachte en zijn mededaders ieder onrechtmatige daden hebben gepleegd, zijn zij ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de ontstane schade van de benadeelde partijen. De rechtbank wijst bovengenoemde vorderingen dan ook hoofdelijk toe. Indien en voor zover één van hen (een deel van) de schades betaalt, zal ook de ander daardoor zijn bevrijd van zijn betalingsverplichtingen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de volgende artikelen:
33, 33a, 36b, 36f, 45, 47, 55, 57, 231, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, en
2, 10 en 10a van de Opiumwet.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, primair, 2, primair, 3 primair, 4, 5 en 6 en het in zaak B tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van het in zaak A onder 1, primair, en 2, primair, bewezenverklaarde:
eendaadse samenloop van:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van het in zaak A onder 3 primair bewezenverklaarde:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van het in zaak A onder 4 bewezenverklaarde:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van het in zaak A onder 5 bewezenverklaarde:
medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
ten aanzien van zaak A onder 6 bewezenverklaarde:
een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang afleveren en voorhanden hebben, waarvan hij weet dat het vals is;
ten aanzien van het in zaak B bewezenverklaarde:
poging tot diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Verklaart verbeurd:
nr. 27 – 1 STK Schoeisel (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6539130);
nr. 28 – 1 STK Schaar (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6539103);
nr. 29 – 1 STK Tape (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6538823);
nr. 30 – 1 STK Breinaald (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6539139);
nr. 31 – 1 STK Tape (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6539127);
nr. 32 – 1 STK Tape (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6539126);
nr. 33 – 1 STK Tape (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6539125);
nr. 34 – 1 STK Tape (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6539117);
nr. 35 – 1 STK Zaag (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6539121);
nr. 36 – 1 STK Simkaart van zaktelefoon (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6539102);
nr. 37 – 1 STK Steen (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6538820);
nr. 38 – 1 STK Handleiding (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6539110), en
nr. 39 – 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6560504).
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van:
nr. 40 – 1 STK Munitie (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6538816);
nr. 41 – 1 STK Munitie (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6538817), en
nr. 42 – 1 STK Munitie (Omschrijving: PL1300-2024189296-G6538819).
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , van een bedrag van € 30.000 (dertigduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 10 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening en € 7.114,01 (zevenduizend honderdveertien euro en één eurocent) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij in een gedeelte van € 20.000 van zijn vordering aan vergoeding voor immateriële schade niet-ontvankelijk is.
Veroordeelt verdachte tevens hoofdelijk in de kosten van de benadeelde partij tot vandaag begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder hoofdelijk in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 2] van € 30.000,00 (dertig duizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 10 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening en een bedrag van € 7.114,01 (zevenduizend honderdveertien euro en één eurocent) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 220 dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , van een bedrag van € 388 (driehonderdachtentachtig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 25 maart 2025 tot de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens hoofdelijk in de kosten van de benadeelde partij tot vandaag begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder hoofdelijk in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] van een bedrag van € 388 (driehonderdachtentachtig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 25 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 7 dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] :
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 3] , van een bedrag van € 5.358,19 (vijfduizend driehonderdachtenvijftig euro en negentien eurocent), bestaande uit € 358,19 euro (driehonderdachtenvijftig euro en negentien eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en € 5.000 (vijfduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 5 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens hoofdelijk in de kosten van de benadeelde partij tot vandaag begroot op nihil.
Veroordeelt verdachte verder hoofdelijk in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel:
Legt aan verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 3] van een bedrag van € 5.358,19 (vijfduizend driehonderdachtenvijftig euro en negentien eurocent), bestaande uit € 358,19 (driehonderdachtenvijftig euro en negentien eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en € 5.000 (vijfduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade van 5 augustus 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt 61 dagen gijzeling toegepast. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Ch.A van Dijk, voorzitter,
mrs. R. van de Water en M.C.H. Broesterhuizen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank 11 december 2025.