RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11669573 EA VERZ 25-487
gezamenlijk behandeld met 11671983 EA VERZ 25-491
Beschikking van 28 november 2025
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij in zaak 11669573, verwerende partij in zaak 11671983,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. B. Blanckenburg,
tegen
PARFUMERIE DOUGLAS NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Nijmegen,
verwerende partij in zaak 11669573, verzoekende partij in zaak 11671983,
hierna te noemen: Douglas,
gemachtigde: mr. M.G.N. de Jong.
1. De procedure
[verzoeker] heeft op 23 april 2025 een verzoekschrift, met producties, ingediend strekkende tot vernietiging van het ontslag op staande voet, met nevenverzoeken. Douglas heeft een verweerschrift, met producties, ingediend.
Douglas heeft op 25 april 2025 een zelfstandig verzoek ingediend, strekkende tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding. [verzoeker] heeft een verweerschrift, met producties, ingediend.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2025. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Aan haar zijde was ook haar moeder. Namens Douglas zijn verschenen [naam 1] (area manager) en [naam 2] (store manager), bijgestaan door de gemachtigde. Daarnaast zijn namens Douglas [naam 3] (HR business-partner) en twee toehoorders verschenen.
De gemachtigde van Douglas heeft tijdens de zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze spreekaantekeningen zijn aan het dossier toegevoegd. Partijen zijn daarna gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, die eveneens in het dossier zijn gevoegd.
Partijen hebben ten aanzien van de verzoeken beschikking verzocht.
2. De feiten
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1996, is op 1 juli 2019 bij Douglas in dienst getreden in de functie van ‘beauty advisor’, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. [verzoeker] verrichte haar werkzaamheden gewoonlijk in het filiaal in [locatie] . De arbeidsovereenkomst is per 1 augustus 2021 omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Op de arbeidsovereenkomst is de cao Retail Non-Food van toepassing verklaard. Verder zijn onder meer het Ondernemingsreglement en het Huisreglement (in 2022 samengevoegd in het Personeelshandboek) op de arbeidsovereenkomst van toepassing verklaard. Douglas hanteert daarnaast het Reglement Personeelskorting en het Aanvullend Reglement Store Management.
In het Huisreglement staat, voor zover relevant, op pagina 6: “Het is niet toegestaan dat anderen dan eigen medewerkers (zoals bijvoorbeeld vrienden, familie, leveranciers en derden) zich zonder begeleiding ophouden in één van de nevenruimten.” En op pagina 11: “Retourbon (kassabon) in het bijzijn van een klant laten uitslaan door het store management, of door een daartoe bevoegd persoon, en gezamenlijk (door twee medewerkers en de klant) volledig invullen en ondertekenen. Laat de klant zelf naam, adres en telefoonnummer invullen en een handtekening zetten (…). Hecht de kassabon aan de retourbon (…).”
Per 1 augustus 2023 is de functie van [verzoeker] gewijzigd naar ‘assistant store manager’.
In het begin van 2025 is de store-manager [naam 2] (hierna: [naam 2] ) menigmaal afwezig geweest wegens ziekte. [verzoeker] vervulde bij afwezigheid van [naam 2] enkele aanvullende taken. Zij was dan de eindverantwoordelijke leidinggevende in het filiaal in [locatie] .
Op 13 februari 2025 heeft [verzoeker] een retour van een oud-werknemer (hierna: [naam 4] ) verwerkt, zonder aankoopbon. De door [naam 4] geretourneerde artikelen zijn artikelen van de merken Christian Dior en Chanel ter waarde van in totaal € 847,89. Dat bedrag heeft [verzoeker] in contant geld aan [naam 4] betaald. [verzoeker] is op diezelfde dag met [naam 4] naar de personeelsruimte van het filiaal gegaan, waarna [verzoeker] een cadeautas van het merk Dolce en Gabbana (hierna: D&G) aan [naam 4] heeft meegegeven. De cadeautas bevatte onder meer een tonic van Clinique ter waarde van € 30,00. [naam 2] was op die dag afwezig.
Op 19 februari 2025 zijn de area-manager [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] door het hoofdkantoor van Douglas geïnformeerd dat bij een controle van de administratie van het filiaal in [locatie] een retourbon van 13 februari 2025 om 20:03 uur is aangetroffen waarvan de aankoopbon ontbreekt. Op de bon zijn hoofdzakelijk artikelen van de merken Christian Dior en Chanel ter waarde van in totaal € 847,89 vermeld.
[verzoeker] heeft op 20 februari 2025 twee cadeautassen van D&G meegegeven aan een klant. [verzoeker] heeft daarnaast een product van het merk Sisley ter waarde van € 261,00 van de kassabon afgehaald en vervolgens toch in de tas van deze klant gedaan. Ook heeft [verzoeker] de klant personeelskorting gegeven. [naam 2] was op die dag afwezig.
Douglas heeft in de periode van 19 februari 2025 tot en met 25 februari 2025 onderzoek gedaan naar de retourbon van 13 februari 2025. Douglas heeft in het kader daarvan onder meer de bewakingsbeelden van het filiaal in [locatie] bekeken. Daarbij zijn de situaties die zich voordeden op 20 februari 2025 ontdekt.
Op 25 februari 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , [naam 2] en [naam 1] . [verzoeker] is tijdens dat gesprek bevraagd over de constateringen van Douglas. Douglas heeft tijdens dat gesprek ook een aantal bewakingsbeelden aan [verzoeker] getoond.
Douglas heeft [verzoeker] op 25 februari 2025 op staande voet ontslagen. Douglas heeft het ontslag bij brief van 27 oktober 2025 aan [verzoeker] bevestigd.
Douglas heeft op de eindafrekening een bedrag van € 1.138,89 netto ingehouden.
3. De verzoeken en de verweren
In onderhavige procedure is een tweetal zaken aan de orde: het verzoek van [verzoeker] om vernietiging van het ontslag op staande voet, met nevenverzoeken, en het verzoek van Douglas om toekenning van de gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter zal de verzoeken gelet op de onderlinge samenhang gezamenlijk behandelen.
Het verzoek van [verzoeker]
[verzoeker] verzoekt, kort gezegd, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, om een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet onrechtmatig is gegeven en Douglas te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding, een billijke vergoeding en de transitievergoeding, met rente. Ook verzoekt [verzoeker] terugbetaling van de door Douglas op haar loon in mindering gebrachte schadevergoeding van € 1.138,89, met wettelijke verhoging en rente, veroordeling tot het verstrekken van de eindafrekening van 2025 en veroordeling in de kosten van deze procedure, met rente.
[verzoeker] stelt daartoe dat de gedragingen die Douglas aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd geen dringende reden vormen en dat Douglas had kunnen volstaan met een waarschuwing. Volgens [verzoeker] wordt het anti-fraudebeleid van Douglas in het filiaal in [locatie] niet gehandhaafd, is het zeer gebruikelijk dat cadeautassen worden meegegeven aan vaste klanten en worden er stelselmatig artikelen geretourneerd zonder aankoopbon. De gedragingen van [verzoeker] zijn dus niet aan te merken als diefstal. Dat [verzoeker] het Sisley artikel heeft meegegeven is een menselijke fout. Het ontslag heeft grote gevolgen voor [verzoeker] en daarvoor moet zij gecompenseerd worden, aldus [verzoeker] .
Douglas heeft als volgt verweer gevoerd. Douglas betwist dat het anti-fraudebeleid niet gehandhaafd wordt. Als artikelen regelmatig zonder aankoopbon geretourneerd worden en klanten gratis artikelen krijgen dan zou dat uit de administratie blijken, maar dat is niet het geval. [verzoeker] was bekend met het beleid en heeft, ondanks de voorbeeldfunctie die zij als assistent store manager had, in strijd met de regels gehandeld. Daarnaast heeft [verzoeker] steeds wisselende verklaringen afgelegd en blijkt uit de camerabeelden dat geen sprake is van een menselijke fout. [verzoeker] heeft zonder toestemming van Douglas artikelen weggegeven en een retour verwerkt voor producten die als ‘missende producten’ ontbraken in de voorraadcontrole, waardoor Douglas de kosten daarvan als schadevergoeding mocht verrekenen bij de eindafrekening. Omdat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld heeft zij geen recht op de transitievergoeding, zo stelt Douglas.
Het zelfstandig verzoek van Douglas
Douglas verzoekt, samengevat, om [verzoeker] , bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van € 3.717,55, met rente vanaf 25 februari 2025, en de kosten van deze procedure, met rente.
Douglas legt aan haar verzoek ten grondslag dat [verzoeker] schadeplichtig is omdat het ontslag door haar schuld of opzet is gegeven. De schadevergoeding is gelijk aan het loon van [verzoeker] , inclusief toeslagen, over de periode van 25 februari 2025 tot 1 april 2025.
Het verweer van [verzoeker] bestaat er uit dat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet vanwege het ontbreken van een dringende reden. De gedragingen passen binnen de reguliere bedrijfsvoering van Douglas en er is geen sprake van enige kwade wil bij [verzoeker] .
4. De beoordeling
Het gaat in deze procedure met name om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig door Douglas is gegeven. Daarnaast gaat het erom of partijen (schade)vergoedingen moeten (terug)betalen. Samengevat oordeelt de kantonrechter in het verzoek van [verzoeker] dat het ontslag op staande voet standhoudt. Douglas hoeft de verrekende schadevergoeding en de transitievergoeding niet (terug) te betalen. In het verzoek van Douglas oordeelt de kantonrechter dat [verzoeker] de gefixeerde schadevergoeding niet hoeft te betalen. Dat wordt hierna toegelicht.
Juridisch kader: ontslag op staande voet
In artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat ieder van partijen bevoegd is om de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden onverwijld op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Voor een werkgever kunnen als dringende reden worden aangemerkt zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:678 lid 1 BW).
Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, zijn alleen de in de brief opgegeven redenen maatgevend en moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Ook als de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
Het ontslag is rechtsgeldig gegeven
Tussen partijen is niet in geschil dat de arbeidsovereenkomst onverwijld is opgezegd en dat de reden van het ontslag onverwijld aan [verzoeker] is medegedeeld. Wel is in geschil of sprake is van een dringende reden. Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen de gedragingen van [verzoeker] worden beschouwd als een dringende reden. Daarvoor is het volgende redengevend.
13 februari 2025: retour zonder aankoopbon en gegevens
Douglas heeft in de ontslagbrief van 27 februari 2025 meerdere redenen aan het ontslag ten grondslag gelegd. Als eerste reden noemt Douglas dat [verzoeker] op 13 februari 2025 in strijd met het bij Douglas geldende beleid meerdere artikelen ter waarde van € 847,89 zonder originele aankoopbonnen en zonder de klantgegevens te noteren als retour in ontvangst genomen heeft en de verkoopwaarde daarvan contant aan een voormalig werknemer – namelijk [naam 4] – heeft uitbetaald, terwijl die artikelen op de ‘verschillenlijst’ van de balansinventarisatie van 20 januari 2025 als ‘missende producten’ zijn aangemerkt.
[verzoeker] stelt dat het in het filiaal in [locatie] gebruikelijk is dat er artikelen door vaste klanten geretourneerd worden zonder aankoopbon, maar de kantonrechter volgt [verzoeker] daar niet in. Het retour van 13 februari 2025 is immers juist aan het licht gekomen doordat het hoofdkantoor van Douglas heeft opgemerkt dat de aankoopbon ontbrak en de gegevens van de klant niet op de retourbon waren ingevuld. Het is niet aannemelijk dat het hoofdkantoor op een dergelijk retour zou zijn gestuit als er continu artikelen geretourneerd worden zonder aankoopbon. Daarnaast heeft Douglas ter zitting toegelicht dat het retourbeleid strikt gehanteerd wordt omdat het voorkomt dat klanten producten proberen te retourneren die zij eerder (zonder daarvoor te betalen) in de winkel hebben gepakt.
Volgens Douglas is het in uitzonderlijke gevallen wel mogelijk om artikelen zonder bon te retourneren, mits de klant het aankoopmoment voldoende specificeert en dit correspondeert met de gegevens die in de kassa-administratie staan, maar moet de store manager daarvan op de hoogte worden gesteld, waarna de bon als nog uitgeprint wordt en de gegevens ingevuld worden. Dat [verzoeker] dat op 13 februari 2025 heeft gedaan is niet gesteld of gebleken.
Integendeel, [verzoeker] heeft tijdens het gesprek met Douglas van 25 februari 2025 steeds wisselend verklaard over de gang van zaken. [verzoeker] heeft in eerste instantie verklaard dat het retour van 13 februari 2025 een retour van een vaste klant betrof die altijd met contant geld betaalt en heeft pas bij confrontatie met de bewakingsbeelden verklaard dat het haar oud-collega [naam 4] betrof. [verzoeker] heeft vervolgens verklaard dat [naam 4] artikelen kwam retourneren die in december 2024 door haar nicht zijn gekocht, maar had geen verklaring voor het ontbreken van die producten op de inventarisatielijst van 20 januari 2025 waarmee zij, zo volgt uit de ontslagbrief, bekend was. [verzoeker] heeft verder ter zitting verklaard dat zij het retour niet achteraf met [naam 2] heeft besproken, omdat er volgens [verzoeker] regelmatig voor grote bedragen artikelen geretourneerd werden zonder bon en omdat zij al met een andere collega had overlegd. Volgens Douglas bedraagt het gemiddelde bedrag voor een retour echter € 50,00 en dat is door [verzoeker] niet weersproken.
Gelet op het voorgaande kan [verzoeker] niet volhouden dat het gebruikelijk is dat klanten regelmatig (voor hoge bedragen) artikelen mogen retourneren zonder aankoopbon en leggen de verklaringen van drie (oud)collega’s die [verzoeker] heeft overgelegd, waaronder [naam 4] en een collega – [naam 5] – werkzaam in een ander filiaal die na een vergelijkbaar voorval zelf ontslag genomen heeft en een eerder gegeven verklaring heeft herzien, onvoldoende gewicht in de schaal, waardoor de kantonrechter het horen van die getuigen niet nodig acht. Dat [naam 2] in 2022 artikelen heeft geruild voor oliebollen voor de afdeling en artikelen heeft aangeboden in ruil voor overwerk maakt dat niet anders. Douglas heeft ter zitting immers toegelicht dat beide voorvallen incidenten zijn en het overwerk samenhing met een landelijk feest en de keuze voor artikelen op een misverstand berust.
Uit het voorgaande volgt dat [verzoeker] in strijd met de bij Douglas geldende regels en voorschriften gehandeld heeft, als direct gevolg waarvan een bedrag € 847,89 contant is uitbetaald voor producten waarvan aannemelijk is dat die kort daarvoor uit de voorraad ontvreemd zijn en waarover [verzoeker] pas na confrontatie met camerabeelden verteld heeft dat de ontvangster een eind december 2024 bij Douglas uit dienst getreden collega van [verzoeker] was.
13 februari 2025: toelaten tot personeelsruimte en meegeven gevulde D&G cadeautas
Douglas heeft verder aan het ontslag ten grondslag gelegd dat [verzoeker] [naam 4] op 13 februari 2025 heeft toegelaten tot de personeelsruimte, zelf naar beneden is gegaan terwijl [naam 4] in de personeelsruimte bleef en [naam 4] zonder toestemming van de store manager een gevulde D&G cadeautas heeft meegegeven.
Volgens Douglas mogen oud-collega’s niet in de personeelsruimte komen, laat staan daar zonder toezicht blijven. Dat volgt ook uit het Huisreglement. [verzoeker] stelt echter dat ook dit beleid in de praktijk niet wordt nageleefd. Douglas heeft dit gemotiveerd weersproken en ter zitting toegelicht dat zij het beleid strikt handhaaft omdat er in de personeelsruimte waardevolle spullen (van onder andere personeel) liggen. Volgens Douglas wordt er bij het verlaten van de personeelsruimte altijd een tassencontrole gedaan bij het eigen personeel en [naam 1] heeft verklaard dat ook haar tas gecontroleerd wordt als zij het filiaal bezoekt. [verzoeker] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat [verzoeker] wist dat zij [naam 4] niet mee mocht nemen naar de personeelsruimte. Dat heeft zij toch gedaan. Dat [verzoeker] naar de personeelsruimte is gegaan om de personeelspas van [naam 4] in te nemen, zoals [verzoeker] in het gesprek van 25 februari 2025 heeft verklaard, volgt de kantonrechter niet. Door Douglas is namelijk onweersproken gesteld dat [naam 4] op 13 februari 2025 al anderhalve maand uit dienst was, dat zij haar personeelspas eerder al had ingeleverd en dat [naam 4] zelf heeft verklaard dat zij privéspullen kwam ophalen.
Met betrekking tot de D&G cadeautas stelt [verzoeker] dat het gebruikelijk is dat aan oud-collega’s cadeautassen worden meegegeven bij hun vertrek. Dat is door Douglas echter betwist. Douglas heeft de D&G tassen ter zitting getoond en toegelicht dat de tassen uitsluitend bedoeld zijn voor klanten die promotieartikelen van D&G kopen. Er is een beperkt aantal van de tassen beschikbaar en het is niet de bedoeling dat de tassen aan oud-werknemers of aan kennissen worden meegeven, aldus Douglas. Ook hier heeft [verzoeker] onvoldoende tegenover gesteld. Bovendien heeft [verzoeker] tijdens het gesprek van 25 februari 2025 eerst verklaard dat de D&G tas leeg was. Na confrontatie met een foto heeft [verzoeker] aanvankelijk verklaard dat zij – wetende dat [naam 4] geen recht meer had op promotieartikelen – een tonic van Clinique ter waarde van € 30,00 in de tas heeft gedaan, en na de confrontatie met camerabeelden waarop een duidelijk gevulde tas te zien is heeft [verzoeker] toegegeven dat zij nog een aantal artikelen in de tas gedaan heeft, waaronder enkele cadeaus die voor klanten bestemd zijn. Dat op 13 februari 2025 sprake was van een situatie waarbij een werknemer ( [naam 4] ) uit dienst gaat en de leidinggevende ( [naam 2] ) bij gelegenheid daarvan namens de werkgever (Douglas) een afscheidspakket geeft, is niet gebleken. In zoverre kan de verklaring van [naam 6] dat bij uit dienst gaan wel eens een pakket wordt gegeven [verzoeker] niet baten.
Uit het voorgaande volgt dat [verzoeker] ook op dit punt in strijd met de bij Douglas geldende regels en voorschriften gehandeld heeft, als direct gevolg waarvan een voor klanten bestemde cadeautas gevuld met cadeaus voor klanten en een tonic van Clinique ter waarde van € 30,00 aan een oud-werkneemster is weggegeven.
20 februari 2025: meegeven twee D&G cadeautassen, geven personeelskorting en gestorneerd Sisley-product
Tot slot heeft Douglas aan het ontslag ten grondslag gelegd dat [verzoeker] op 20 februari 2025 twee D&G cadeautassen aan een bekende van haar heeft meegegeven (hierna: de klant), de klant personeelskorting gegeven heeft en de klant een product ter waarde van € 261,00 van het merk Sisley heeft meegegeven, dat zij vlak daarvoor van de kassabon had afgehaald.
Volgens Douglas heeft [verzoeker] hierover in het gesprek van 25 februari 2025 verklaard dat het om een vaste klant gaat die een bekende van haar is. [verzoeker] heeft in het gesprek verklaard dat zij door een collega is gebeld omdat de klant naar haar vroeg terwijl zij boven aan het werk was en dat zij direct een D&G cadeautas heeft meegenomen naar beneden. [verzoeker] heeft de D&G cadeautas nog vóór dat de klant iets had gekocht aan hem overhandigd, volgens [verzoeker] omdat hij regelmatig en veel bij Douglas koopt. [verzoeker] ontkende initieel dat zij een tweede D&G cadeautas aan de klant heeft meegeven, maar heeft dit na het bekijken van de bewakingsbeelden toegegeven en heeft daarbij verklaard dat zij een aantal promotieartikelen in de tas heeft meegegeven. Dat de klant promotieartikelen van D&G had gekocht is niet gesteld noch gebleken. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, was het [verzoeker] derhalve niet toegestaan om de cadeautas(sen) aan de klant mee te geven.
Met betrekking tot het verlenen van personeelskorting aan de klant heeft [verzoeker] aangevoerd dat het geregeld voorkomt dat vaste klanten personeelskorting krijgen. Hierop is door Douglas geen verweer gevoerd en wordt door de kantonrechter daarom niet meegewogen bij de beoordeling van de dringende reden.
Verder is ten aanzien van het Sisley product volgens [verzoeker] sprake van een menselijke fout. Douglas stelt echter dat op de bewakingsbeelden te zien is dat [verzoeker] het product apart houdt en enige tijd later, nadat zij om zich heen heeft gekeken, in de tas van de klant laat vallen. Op verzoek van de kantonrechter zijn de bewakingsbeelden ter zitting gezamenlijk bekeken. De kantonrechter heeft geconstateerd dat op de bewakingsbeelden te zien is dat een collega de artikelen van de klant scant. Vervolgens loopt de collega uit het beeld en komt [verzoeker] in beeld. Op de beelden is te zien dat [verzoeker] een aantal handelingen verricht aan de kassa, waarvan partijen het erover eens zijn dat [verzoeker] op dat moment het Sisley product van de kassabon afhaalt (storneert). De collega was daartoe niet bevoegd. [verzoeker] legt het Sisley product vervolgens apart en raakt in gesprek met de klant. De collega verschijnt weer in beeld en stopt de artikelen van de klant in een tas, waarna zij weer uit beeld verdwijnt. [verzoeker] verplaatst het Sisley product tijdens het gesprek met de klant enkele keren en stopt het product vervolgens in de tas.
Hoewel op de videobeelden niet te zien is dat [verzoeker] om zich heen kijkt voordat zij het product in de tas stopt, zoals Douglas stelt, acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat sprake is van een menselijke fout. [verzoeker] is immers expliciet door haar collega geroepen om het product te storneren, heeft naast het storneren geen handelingen verricht voor de afwikkeling van de aankoop en heeft het product desondanks in de tas gestopt.
Uit het voorgaande volgt dat [verzoeker] met betrekking tot de cadeautassen en het gestorneerde product in strijd met de bij Douglas geldende regels en voorschriften gehandeld heeft, als direct gevolg waarvan twee cadeautassen gevuld met promotieartikelen zijn weggegeven aan een klant die voor deze tassen en artikelen niet in aanmerking kwam dat een Sisley product ter waarde van € 261,00 zonder betaling aan een klant is weggegeven.
Conclusie
Douglas heeft in de ontslagbrief van 27 februari 2025 vermeld dat de omschreven gedragingen ieder voor zich maar in ieder geval in samenhang met elkaar een dringende reden vormen. Dit brengt mee dat voor de geldigheid van het gegeven ontslag voldoende is dat één (of meer) van de genoemde gedragingen op zichzelf beschouwd als dringende reden kan gelden. Niet álle genoemde gedragingen hoeven dus vast komen te staan.
Naar het oordeel van de kantonrechter vormen de hiervoor onder 4.9. en 4.19. besproken (samengestelde) gedragingen die Douglas in de ontslagbrief van 27 februari 2025 aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd ieder afzonderlijk een dringende reden. Ten aanzien van de gedragingen zoals besproken onder 4.13. oordeelt de kantonrechter dat Douglas, gelet op het tot dan toe goede functioneren van [verzoeker] , mogelijk had kunnen volstaan met een waarschuwing. Het verschaffen van personeelskorting aan een klant is niet meegewogen, maar dat doet gelet op hetgeen hierboven is overwogen in dit geval niet af aan de geldigheid van het ontslag. Het ontslag op staande voet is dan ook rechtsgeldig gegeven. De door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht, de gefixeerde schadevergoeding en de billijke vergoeding worden afgewezen.
Geen transitievergoeding
Ook de gevorderde transitievergoeding wordt afgewezen. Artikel 7:673 lid 7 sub c BW bepaalt dat de transitievergoeding niet verschuldigd is als het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer en naar het oordeel van de kantonrechter is dat hier het geval. [verzoeker] heeft bij afwezigheid van de storemanager haar positie als waarnemend store manager gebruikt om in drie gevallen bekenden van haar te bevoordelen. Gelet op de aard van de gedragingen is daarbij waarschijnlijk sprake van verduistering in dienstbetrekking. De daarmee gepaard gaande geldelijke waarde is niet verwaarloosbaar te achten (bij elkaar meer dan € 1.000,00). De kantonrechter is dan ook van oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Het ernstig verwijtbare handelen van [verzoeker] is voor Douglas reden geweest om haar arbeidsovereenkomst op te zeggen, waardoor [verzoeker] geen recht heeft op de transitievergoeding.
Gefixeerde schadevergoeding
Het verzoekschrift van Douglas is op 25 april 2025 om 16:40 uur per e-mail ter griffie ingekomen. Gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 BW was dat de laatste dag waarop Douglas kon verzoeken om vergoeding van de gefixeerde schadevergoeding. Die bevoegdheid vervalt immers twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Het verzoek is dan ook tijdig ingesteld.
Artikel 7:677 lid 2 en 3 onder a BW bepaalt dat de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, aan de wederpartij een vergoeding is verschuldigd. Deze vergoeding wordt ook wel de gefixeerde schadevergoeding genoemd en is gelijk aan het loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.
Uit de tekst van genoemd artikel volgt dat het bestaan van een dringende reden op zich niet voldoende is voor de aanspraak op de gefixeerde schadevergoeding. Douglas heeft aan haar zelfstandige verzoek ten grondslag gelegd dat [verzoeker] aan Douglas een dringende reden voor ontslag heeft gegeven. Weliswaar heeft zij daarbij aangegeven dat de feiten en omstandigheden die aan het ontslag ten grondslag liggen aan [verzoeker] “(ernstig) verweten” kunnen worden, maar daarbij niet gesteld dat en op grond waarvan de dringende reden te wijten is aan opzet of schuld aan de zijde van [verzoeker] . Douglas heeft slechts het relevante wetsartikel geciteerd en dat acht de kantonrechter onvoldoende. Douglas heeft daarmee niet voldaan aan haar stelplicht waardoor de gevorderde gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen.
Ingehouden schadevergoeding
Douglas heeft op de eindafrekening een bedrag van € 1.138,89 op het nettoloon in mindering gebracht. Douglas stelt dat dit bedrag een schadevergoeding betreft, bestaande uit de contante betaling van € 847,89 voor de geretourneerde producten die eerder ontbraken in de voorraadtelling, het Sisley product van € 261,00 en de tonic van Clinique van € 30,00. Douglas doet een beroep op verrekening. De kantonrechter oordeelt dat Douglas het bedrag mocht verrekenen en daarom niet aan [verzoeker] terug hoeft te betalen. Dat wordt als volgt toegelicht.
Op grond van artikel 6:127 BW is de schuldenaar bevoegd tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die aan zijn schuld tegenover dezelfde wederpartij beantwoordt en de schuldenaar zowel bevoegd is tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Als de gegrondheid van het verrekeningsverweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (bijvoorbeeld als de schuldenaar de schade gemotiveerd betwist en bewijslevering moet volgen), kan de kantonrechter aan het verweer voorbij gaan. Douglas moet voor verrekening dus een opeisbare geldvordering op [verzoeker] hebben, die eenvoudig is vast te stellen. Omdat Douglas de schade heeft verrekend met de eindafrekening zijn de beperkingen van de mogelijkheden van verrekening zoals genoemd in artikel 7:632 BW niet van toepassing.
Douglas voert aan dat zij een vordering tot schadevergoeding heeft op [verzoeker] . Uit artikel 7:661 lid 1 BW volgt dat de werknemer die tijdens de uitvoering van de overeenkomst schade toebrengt aan de werkgever (of aan een derde) niet aansprakelijk is voor die schade, tenzij de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Douglas kan [verzoeker] dus slechts aansprakelijk stellen voor de door haar geleden schade als Douglas aantoont dat [verzoeker] opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, waarbij is vastgesteld dat [verzoeker] de goederen van Douglas heeft verduisterd, volgt naar het oordeel van de kanonrechter voldoende dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Bovendien heeft [verzoeker] de hoogte van de schade niet betwist. Bewijslevering is dan ook niet nodig. Douglas kon de schadevergoeding verrekenen met de eindafrekening, waardoor het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen.
Eindafrekening
Omdat [verzoeker] bij haar verzoekschrift reeds de eindafrekening heeft overgelegd (productie 12, pagina 2) wordt haar verzoekt tot verstrekking van de eindafrekening door Douglas bij gebrek aan belang afgewezen.
Proceskosten
[verzoeker] is in haar eigen verzoek overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Douglas in het verzoek van [verzoeker] worden begroot op: € 601,50, bestaande uit het salaris van de gemachtigde (€ 543,00) en de nakosten (€ 67,50). De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In het zelfstandig verzoek van Douglas is Douglas in het ongelijk gesteld. Douglas moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden, gelet op de samenhang met het verzoek van [verzoeker] , begroot op nihil.
5. De beslissing
De kantonrechter:
In het verzoek van [verzoeker]
wijst de vorderingen van [verzoeker] af,
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de zijde van Douglas begroot op € 610,50, eventueel te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe en te verhogen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze proceskosten niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn betaald,
In het zelfstandig verzoek van Douglas
wijst de vordering van Douglas af,
veroordeelt Douglas in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] begroot op nihil,
In het verzoek van [verzoeker] en in het zelfstandig verzoek van Douglas
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 28 november 2025.
64183