ECLI:NL:RBAMS:2025:9931

ECLI:NL:RBAMS:2025:9931, Rechtbank Amsterdam, 14-10-2025, 13/045365-24

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 14-10-2025
Datum publicatie 17-12-2025
Zaaknummer 13/045365-24
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Feiten bewezen. Vervoeren en voorhanden hebben van MDMA / cocaïne (feit 1) en verkopen van één wikkel cocaïne (feit 2). Gevangenisstraf van 360 dagen waarvan 320 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 180 uren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/045365-24

Datum uitspraak: 14 oktober 2025

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

wonende op het [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 oktober 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.R.F. van Raab van Canstein en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.L. l’Homme, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Feit 1:

hij op of omstreeks 7 februari 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,- ongeveer 4606 gele tabletten en/of- ongeveer 501 gele tabletten en/of- ongeveer 73,4 gram,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

- ongeveer 886 gram en/of- ongeveer 348 gram en/of- ongeveer 73,8 gram en/of- ongeveer 78,6 gram en/of- ongeveer 25,7 gram en/of- ongeveer 83,5 gram,

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

Feit 2:

hij op of omstreeks 7 februari 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [persoon], ongeveer één wikkel, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het proces-verbaal met de omschrijving van de gebeurtenissen omtrent de aanhouding van verdachte, het proces-verbaal van de doorzoeking van de woning van verdachte, de laboratoriumrapporten en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De rechtbank volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen in de bijlage, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, omdat de verdachte de ten laste gelegde feiten (voor zover de rechtbank deze bewezen zal verklaren) heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en zijn raadsman geen vrijspraak heeft bepleit.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 7 februari 2024 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,- ongeveer 4606 gele tabletten en/of- ongeveer 501 gele tabletten en/of- ongeveer 73,4 gram,

van een materiaal bevattende MDMA en

- ongeveer 886 gram en/of- ongeveer 348 gram en/of- ongeveer 73,8 gram en/of- ongeveer 78,6 gram en/of- ongeveer 25,7 gram en/of- ongeveer 83,5 gram,

van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde MDMA en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Feit 2:

op 7 februari 2024 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht aan [persoon], ongeveer één wikkel, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de onder 1 en 2 bewezen te achten feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 360 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 320 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft verder een taakstraf van 240 uren gevorderd, met bevel dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht om het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met het blanco strafblad en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, en in ieder geval niet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de duur van het voorarrest, omdat dit voor verdachte grote negatieve consequenties zou hebben.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft ongeveer 4 kilogram MDMA en cocaïne aanwezig gehad in zijn woning en een wikkel met cocaïne verkocht. Het is algemeen bekend dat de handel in verdovende middelen samengaat met ernstige vormen van criminaliteit, met vaak veel geweld, schade en overlast in de samenleving als gevolg. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door verdovende middelen te verkopen en een grote hoeveelheid verdovende middelen in zijn woning aanwezig te hebben. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten genoemd in het LOVS en het strafblad van verdachte van 6 september 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 29 september 2025, waarin wordt geadviseerd om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

Vervolgens heeft de rechtbank gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die uit de inhoud van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting duidelijk zijn geworden.

Straf

Gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf passend is. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, die aanzienlijk hoger zijn dan de straf die de officier van justitie eist. De rechtbank ziet echter – met de officier van justitie en de raadsman – ook dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking gekomen is, dat het nu goed gaat met verdachte en dat er voor hem veel op het spel staat, zoals het verliezen van zijn baan en zijn woning. Uit het reclasseringsrapport van 29 september 2025 blijkt verder dat verdachte zich sinds zijn schorsing op 18 maart 2024 goed heeft gehouden aan de afspraken en de opgelegde voorwaarden. De reclassering schat het risico op recidive dan ook als laag in. De rechtbank wil verdachte daarom een kans geven door aan hem een gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. De rechtbank zal echter wel, gelet op de ernst van de feiten, een voorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur opleggen als ‘stok achter de deur’, zodat verdachte kan laten zien dat hij de goede keuzes blijft maken.

Ook is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een flinke taakstraf op zijn plaats is. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank echter aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd, in die zin dat zij de geëiste taakstraf zal matigen. De rechtbank vindt de oplegging van een taakstraf van 240 uren een te grote belasting voor verdachte om naast zijn fulltimebaan te verrichten.

Gelet op het voorgaande, vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 360 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 320 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede een taakstraf van 180 uren, passend en geboden.

9. Beslag

Onder verdachte zijn verschillende goederen in beslag genomen, zoals vermeld op de beslaglijst in het dossier.

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

De officier van justitie heeft gevorderd dat het geld moet worden verbeurdverklaard, omdat zij dit geld toeschrijft aan inkomsten uit de handel in verdovende middelen. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de telefoon moet worden verbeurdverklaard, omdat uit de inhoud van het dossier blijkt dat de telefoon is gebruikt als communicatiemiddel bij de handel in verdovende middelen. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de verdovende middelen moeten worden onttrokken aan het verkeer.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Verbeurdverklaring

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: 355 euro, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurdverklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien dit geld kan worden toegeschreven aan inkomsten uit de handel in verdovende middelen en verdachte geen andere verklaring heeft gegeven voor het bezit van dit geld.

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: een telefoontoestel, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurdverklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 2 bewezen geachte is begaan.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: verdovende middelen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

11. Beslissing

[...]

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

Veroordeelt verdachte, [verdachte], tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderdzestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 320 (driehonderdtwintig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Verklaart verbeurd:

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. L.F. Bögemann en J.J. Bloembergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.D. Bennett, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 oktober 2025.

[...]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.K. Glerum

Griffier

  • mr. V.D. Bennett

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?