RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11749505 \ CV EXPL 25-8300
Vonnis van 5 december 2025
in de zaak van
SKYTREE B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Skytree,
gemachtigde: mr. P.A.L. de Jong,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] (Duitsland),
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S. Gerritse.
De zaak in het kort
[gedaagde] heeft als werkneemster verschillende functies vervuld bij Skytree, waaronder ten laatste die van Chief Science Officer. Na haar vertrek is [gedaagde] bij Ucaneo in dienst getreden als Head of Development. Skytree vordert onder meer een verklaring voor recht dat [gedaagde] daarmee haar non-concurrentiebeding heeft overtreden. [gedaagde] voert daartegen onder andere aan dat geen geldig non-concurrentiebeding is overeengekomen. De kantonrechter wijst op deze grond de vorderingen van Skytree af en verstaat daarom dat de voorwaardelijke tegeneis van [gedaagde] geen behandeling behoeft.
1. De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 september 2025;
- de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie;
- het bericht van 6 november 2025 met productie 18 van [gedaagde] ;
- het bericht van 6 november 2025 met bezwaar van Skytree tegen de te late indiening van productie 18 en het verzoek deze productie te weigeren;
- de mondelinge behandeling van 7 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen en hun gemachtigden verschenen. Skytree is vertegenwoordigd door haar directeur, de heer [naam] . [gedaagde] is tevens bijgestaan door een tolk Nederlands-Engels. De gemachtigden hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Partijen en hun gemachtigden hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De kantonrechter heeft productie 18 geaccepteerd en Skytree in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De onderneming van Skytree ontwikkelt systemen voor het verbeteren van het milieu door het opvangen van diffuus koolstofdioxide door middel van Direct Air Capture technologie (hierna: DAC).
[gedaagde] trad op 1 november 2020 in dienst bij Skytree in de functie van Senior Material Scientist op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van twaalf maanden. In deze arbeidsovereenkomst is het volgende non-concurrentiebeding opgenomen:
“13 NON-COMPETITION
The Employer has substantial business interests for the inclusion of this non-competition clause, which are set out in clause 13.3 (…). During a period of one year after the end of this agreement the Employee shall not, without the Employer’s prior written consent, directly or indirectly, for himself or for others, and whether for pay or otherwise, in any way work for, or be involved or have an interest in, any person or organisation which conducts activities comparable to or competing with the Employer’s activities or the activities of legal entities affiliated with the Employer.
(…)
The non-competition obligations for the Employee as mentioned in clause 13.1 are strictly necessary to protect the Employer’s legitimate and substantial interests. This is because the Employee will, when carrying out his activities for the Employer and given his high placed position, gain a lot of confidential knowledge about the Employer (in specific knowledge regarding the Employer’s proprietary technology, intellectual property, know-how and related data and information, its salary and overall cost structure and the Employer’s long-term strategic and business development planning). This knowledge is – especially when considered in connection with each other – essential for the Employer to keep strictly confidential, since this knowledge is key for the competitive position of the Employer. It should at all times be prevented that this knowledge will become available for direct or indirect competitors and (potential) customers of the Employer, which cannot be excluded to happen in case the Employee will (directly or indirectly) enter into the service of one of these competitors or (potential) customers or in case the Employee will in any other way work for or with one of these competitors. Given the field the Employer operates in, i.e. the highly innovative air purification and CO2 extraction market for the automotive and building industries, most knowledge will remain useful and/or up to date for a period of (approximately) 12 months. For this reason, the non-compete obligations of the Employee necessarily need to apply during the employment agreement and during a period of 12 months after the employment agreement ends.”
Bij Addendum A van 29 oktober 2021 kwamen partijen overeen de arbeidsovereenkomst te verlengen voor een periode van twaalf maanden, tegen een hoger salaris en met een leasecontract voor een elektrische fiets in plaats van een NS Business Card. Bij Addendum B van 9 maart 2022 hebben partijen de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met ingang van die datum omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, met een functiewijziging naar Head of R&D en tegen een hoger salaris. In de Addenda C, D en E zijn partijen een hoger salaris overeengekomen. In Addendum D zijn partijen verder een (andere) reiskostenregeling overeengekomen. In Addendum E zijn partijen ook een functiewijziging naar Chief Science Officer en een bonusregeling overeengekomen. In de Addenda is geen non-concurrentiebeding uitgeschreven en dit wordt daarin ook niet expliciet genoemd. In ieder addendum staat: “All the remaining provisions set forth in the original agreement will remain in full force.”
Op 23 mei 2024 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst ondertekend. Bij de onderhandelingen daarover zijn partijen bijgestaan door een eigen advocaat met kennis van het arbeidsrecht. In deze vaststellingsovereenkomst kwamen partijen overeen dat de arbeidsovereenkomst van [gedaagde] in beginsel eindigde op 30 september 2024. In die vaststellingsovereenkomst staat verder onder andere:
“5.1 The post-contractual obligations set out in the Employment Contract, including, but not limited to, the (…) non-compete (…) obligations, will continue to apply in full after the End Date.
(…)
if the Employee violates any of the obligations set out in Article(...) (…) 5 (…), the Employee will forfeit to the Employer an immediately due and payable penalty (…).”
Op 1 augustus 2024 is [gedaagde] bij Ucaneo in dienst getreden als Head of Research & Development. Ucaneo ontwikkelt systemen op het gebied van DAC.
Bij brief van 25 februari 2025 heeft de gemachtigde van Skytree [gedaagde] onder andere gesommeerd om haar activiteiten voor Ucaneo per direct te beëindigen, omdat zij met haar indiensttreding bij Ucaneo onder andere haar non-concurrentiebeding overtrad. [gedaagde] heeft aan deze sommatie niet voldaan.
In maart 2025 zijn partijen met betrekking tot het onderhavige geschil een forumkeuze voor de rechtbank Amsterdam overeengekomen.
3. Het geschil
in conventie
Skytree vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] het non-concurrentiebeding heeft overtreden door bij Ucaneo werkzaam te zijn en dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van daardoor aan Skytree verschuldigde contractuele boetes, vermeerderd met rente en kosten.
Skytree legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Ucaneo een (directe) concurrent van haar is. Door aldaar in dienst te zijn getreden, schendt [gedaagde] het tussen partijen overeengekomen non-concurrentiebeding. Skytree heeft gerechtvaardigd belang bij handhaving van dit beding, onder meer in verband met het beschermen van haar marktpositie en de preventieve werking die daarvan uit moet gaan voor andere werknemers met een dergelijk beding. Als gevolg van de overtreding van het non-concurrentiebeding is [gedaagde] de in de vaststellingsovereenkomst afgesproken boete verschuldigd. Als de in het ongelijk te stellen partij moet [gedaagde] in de proceskosten worden veroordeeld.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Skytree, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Skytree in de kosten van deze procedure. [gedaagde] heeft onder andere aangevoerd dat geen sprake is van een rechtsgeldig overeengekomen non-concurrentiebeding, omdat niet is voldaan aan het daarvoor geldende schriftelijkheidsvereiste.
in voorwaardelijke reconventie
[gedaagde] vordert dat, als de door Skytree gevorderde verklaring voor recht en gevorderde boetes worden toegewezen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, het non-concurrentiebeding geheel, dan wel gedeeltelijk wordt vernietigd en de boetes worden gematigd. [gedaagde] vordert veroordeling van Skytree in de proceskosten.
4. De beoordeling
bevoegdheid van de kantonrechter te Amsterdam
Op grond van de tussen partijen overeengekomen forumkeuze is de kantonrechter te Amsterdam bevoegd kennis te nemen van deze zaak en daarover te oordelen (art. 23 lid 1 Verordening (EU), nr. 1215/2012 (Brussel I-bis)).
in conventie
Tussen partijen is (uitdrukkelijk) niet in geschil dat het non-concurrentiebeding in de op 1 november 2020 gesloten arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is overeengekomen. De vraag is of [gedaagde] bij haar uitdiensttreding nog steeds aan dit beding, dan wel aan een opnieuw overeengekomen non-concurrentiebeding was gebonden. Het antwoord op die vraag luidt ontkennend.
Anders dan door Skytree is aangevoerd, zijn partijen met Addendum A een nieuwe arbeidsovereenkomst aangegaan. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst eindigde op 31 oktober 2021. Deze arbeidsovereenkomst is niet stilzwijgend voortgezet, maar op 29 oktober 2021 verlengd voor bepaalde tijd met Addendum A. In dat geval dient het non-concurrentiebeding en daarmee de op grond van artikel 7:653 lid 2 BW vereiste motivering waaruit moet blijken dat dit beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen, opnieuw te worden aangegaan (Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 7, p. 129). Een non-concurrentiebeding moet schriftelijk worden overeengekomen (art. 7:653 lid 1 sub b BW). Daarvoor is niet voldoende dat in Addendum A de bepaling staat dat alle overige bepalingen uit de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst onverminderd van kracht blijven. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst waarnaar in het Addendum wordt verwezen was daar immers niet (kenbaar) als bijlage bijgevoegd en met die bepaling in het Addendum heeft [gedaagde] niet uitdrukkelijk verklaard dat zij (opnieuw) met het in die arbeidsovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding instemde (vgl. HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0384, r.o. 3.4 en HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:364, r.o. 3.4.2). Addendum A bevat dus geen geldig overeengekomen non-concurrentiebeding, omdat niet aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan. Daarbij komt dat de motivering waaruit moet blijken dat dit beding noodzakelijk is, daarin geheel ontbreekt. De verwijzing in dat Addendum naar de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst is daarvoor niet voldoende, omdat een eventuele bijlage met die motivering gelijktijdig met het beding moet worden opgesteld, ondertekend en kenbaar gemaakt aan de werkneemster (Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 7, p. 129). Dat is niet gebeurd. Op grond hiervan is een eventueel in Addendum A opnieuw aangegaan non-concurrentiebeding nietig (Kamerstukken II 2013-2014, 33 818, nr. 3, p. 91 en nr. 7, p. 129).
Met Addendum B hebben partijen de in Addendum A vervatte arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet stilzwijgend voortgezet, maar is een gewijzigde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen. Ook met de Addenda C tot en met E is steeds een gewijzigde arbeidsovereenkomst tot stand gekomen, omdat daarin de arbeidsvoorwaarden zijn gewijzigd. Daarom had het non-concurrentiebeding opnieuw schriftelijk moeten worden aangegaan. In de Addenda B tot en met E is het non-concurrentiebeding echter niet opnieuw opgenomen (hetgeen Skytree ten aanzien van Addendum E heeft erkend, spreekaantekeningen nr. 18). De bepaling in deze Addenda dat alle overige bepalingen uit de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst onverminderd van kracht blijven is onvoldoende om aan het schriftelijkheidsvereiste te voldoen (zie hiervoor 4.3). In deze Addenda zijn partijen dus ook niet geldig een non-concurrentiebeding overeengekomen.
Dan resteert de vraag of partijen in artikel 5.1 van de vaststellingsovereenkomst een geldig non-concurrentiebeding zijn overeengekomen, hetgeen niet zo is.
Voor zover met ‘Employment Contract’ in dat artikel 5.1 is bedoeld te verwijzen naar de laatstelijk in Addendum E gewijzigde arbeidsovereenkomst, bevat de vaststellingsovereenkomst geen (verwijzing naar een) non-concurrentiebeding, omdat dit Addendum niet een dergelijk beding bevat (zie hiervoor 4.4).
Voor zover het genoemde artikel 5.1 bedoelt te verwijzen naar de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst (van 1 november 2020) kan dit Skytree ook niet baten. Deze arbeidsovereenkomst was ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst geëindigd en het daarin overeengekomen non-concurrentiebeding gold niet meer.
Tot slot blijkt niet dat [gedaagde] met artikel 5.1 een nieuw non-concurrentiebeding heeft willen afspreken. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst was niet (kenbaar) als bijlage bij de vaststellingsovereenkomst gevoegd en [gedaagde] heeft met artikel 5.1 niet uitdrukkelijk verklaard dat zij instemde met een non-concurrentiebeding zoals dat in die arbeidsovereenkomst was opgenomen. Daarom is niet voldaan aan het schriftelijkheidsvereiste dat eveneens geldt voor het opnieuw aangaan van een dergelijk beding (vgl. hiervoor 4.3). Hierbij is van belang dat onder andere de eis van uitdrukkelijk verklaren in te stemmen strikt moeten worden uitgelegd (HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:364, r.o. 3.4.4). In dit verband kan aan Skytree worden toegegeven dat uit de schriftelijke onderhandelingen over de vaststellingsovereenkomst in de e-mails tussen partijen van mei 2024 kan worden afgeleid dat [gedaagde] zich bewust was van (de consequenties van) het non-concurrentiebeding, zoals dat in de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst was opgenomen en waarvan zij de geldigheid op zichzelf niet ter discussie stelt. [gedaagde] heeft ter zitting echter toegelicht dat zij die onderhandelingen voerde in de veronderstelling gebonden te zijn aan een non-concurrentiebeding, zonder dat zij over de (on)geldigheid daarvan door haar toenmalige advocaat was geadviseerd. Die (on)geldigheid is volgens haar in die advisering niet ter sprake gekomen. Skytree heeft dat niet (voldoende) betwist. Daarbij weegt verder mee dat Skytree in deze onderhandelingen eveneens advies heeft gekregen van haar advocaat en het voor Skytree doenlijk moet zijn geweest om bijvoorbeeld de tekst van het beoogde non-concurrentiebeding en de eventuele motivering daarvan in de vaststellingsovereenkomst op te nemen, waarmee op relatief eenvoudige wijze aan het schriftelijkheidsvereiste had kunnen worden voldaan. In deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] met haar instemming met het genoemde artikel 5.1 niet uitdrukkelijk heeft verklaard in te stemmen met een nieuw non-concurrentiebeding, gelijk aan het beding dat in de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst was opgenomen, maar dat niet meer gold. Voor zover al zou kunnen worden vastgesteld dat haar instemming met artikel 5.1 zag op het opnieuw aangaan van een non-concurrentiebeding, is die instemming niet uitdrukkelijk (genoeg) geweest.
De slotsom is dat partijen in de Addenda A tot en met E en de vaststellingsovereenkomst niet opnieuw schriftelijk een non-concurrentiebeding zijn aangegaan, zodat deze Addenda en die overeenkomst geen rechtsgeldig non-concurrentiebeding bevatten. De vorderingen van Skytree zullen daarom worden afgewezen.
Skytree is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.153,50
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
De vorderingen in reconventie zijn ingesteld onder de voorwaarde dat de vorderingen in conventie worden toegewezen. Aan deze voorwaarde is niet voldaan, zodat aan de behandeling van de vorderingen in reconventie niet wordt toegekomen. Daarmee bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in reconventie.
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
wijst de vorderingen van Skytree af,
veroordeelt Skytree in de proceskosten van € 1.153,50, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening als Skytree niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft 5.2 uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
verstaat dat de vorderingen geen behandeling behoeven.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Boeve en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.