RECHTBANK AMSTERDAM
Internationale rechtshulpkamer
Parketnummer : 13-214625-26
Afwijzing verzoek opschorting feitelijke overlevering wegens ernstige humanitaire omstandigheden (artikel 35, derde lid, OLW)
De uitvaardigende justitiële autoriteit van Bondsrepubliek Duitsland heeft om overlevering verzocht van de opgeëiste persoon:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd uit andere hoofde in [detentieplaats] .
Raadsvrouw mr. D.H. van Bommel.
Procedure
Op 6 oktober 2026 is de overlevering aan Bondsrepubliek Duitsland van de opgeëiste persoon toegestaan.
Dat betekent dat hij ingevolge artikel 35, eerste lid, OLW niet later dan 10 dagen na de uitspraak feitelijk moet worden overgeleverd.
De opgeëiste persoon heeft op grond van artikel 35, derde lid, OLW op 6 oktober 2026 verzocht om deze termijn op te schorten omdat er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de feitelijke overlevering het leven of de gezondheid van de opgeëiste persoon (ernstig) in gevaar zou brengen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel verzocht door de opgeëiste persoon, de termijn voor de feitelijke overlevering niet moet worden opgeschort omdat er – kort gezegd – geen sprake is van humanitaire omstandigheden.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de feitelijke overlevering het leven of de gezondheid van de opgeëiste persoon ernstig in gevaar zou brengen.
Weliswaar is duidelijk op basis van de overgelegde stukken dat er bij de opgeëiste persoon sprake is van een verhoogd suïcidegevaar, maar tevens blijkt uit de stukken dat dit gevaar niet acuut is en dat de opgeëiste persoon overigens psychiatrisch stabiel is. Hoewel het van belang is dat de opgeëiste persoon de juiste zorg krijgt, is er geen reden om aan te nemen dat deze zorg niet in Duitsland kan worden geboden. In dat kader verwijst de rechtbank naar hetgeen daaromtrent in haar vonnis van 6 oktober 2026 is overwogen, in onderdeel 7.
Daarom zal de rechtbank de in artikel 35 OLW bedoelde termijn niet opschorten.
Beslissing
De rechtbank:
- WIJST AF het verzoek ex artikel 35, derde lid, OLW.
Deze beslissing is genomen op 09 oktober 2026 door
mr. D.L.S. Ceulen, rechter,
en in tegenwoordigheid van I.M.A. de Vries, griffier.