ECLI:NL:RBAMS:2026:10013

ECLI:NL:RBAMS:2026:10013

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer 13-143689-26
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Voortzetting na tussenuitspraak. Vervolgings-EAB uit België. Gezien de informatie die de rechtbank heeft ontvangen, de omstandigheid dat de vervolgingen in beide landen zich nog in een voorbereidend stadium bevinden en in aanmerking genomen dat tussen de Belgische en Nederlandse autoriteiten overleg is over de afbakening van de vervolgingen, komt de rechtbank tot het oordeel dat van een situatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW geen sprake is. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-143689-26

Datum uitspraak: 13 augustus 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 22 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 11 mei 2026 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Vlaanderen, afdeling Dendermonde, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

gedetineerd in het [detentieadres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

Zitting van 7 juli 2026

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 7 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Nieuwburg, advocaat in Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

Tussenuitspraak van 21 juli 2026

In de tussenuitspraak van 21 juli 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder overweging 8 van de tussenuitspraak geformuleerde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, gelet op artikel 9 OLW.

Zitting van 30 juli 2026

Op de zitting van 30 juli 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van het recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. F. van den Brink, die waarneemt voor haar kantoorgenoot, mr. T. Nieuwburg, beiden advocaat in Amsterdam.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Tussenuitspraak van 21 juli 2026

In de tussenuitspraak van 21 juli 2026 heeft de rechtbank reeds geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (overweging 3), de genoegzaamheid (overweging 4), de strafbaarheid van de feiten (overweging 5), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (overweging 6) en de Belgische detentieomstandigheden (overweging 7). Deze overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW: ne bis in idem

(3) zie (2)”

Inleiding

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar overweging 8 van de tussenuitspraak van 21 juli 2026. Deze overweging moet hier eveneens als herhaald en ingelast worden beschouwd.

In reactie op de naar aanleiding van de tussenuitspraak van 21 juli 2026 door het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) gestelde vragen, heeft de Substituut-procureur-generaal bij het Parket-Generaal Gent op 25 juli 2026 het volgende geantwoord:

“Zoals meegedeeld in de eerdere EOB’s en het uitgevaardigde EAB werd bij de Belgische onderzoeksrechter (…) een onderzoek geopend dat zich toespitst op feiten van phishing in bende, hiervoor werden in beginsel de kwalificaties criminele organisatie (artikel 324 bis en ter Belgisch Strafwetboek), informaticabedrog (artikel 504quater Belgisch Strafwetboek) en witwassen (artikel 505, lid 1, 2-4° Belgisch Strafwetboek) voorzien.

Aan deze kwalificaties werd als pleegplaats/plaats van uitwerking Dendermonde voorzien, maar bij uitbreiding het Belgische Rijk, Nederland en Duitsland.

Daarnaast werd een incriminatieperiode voorzien vanaf 15 mei 2025.

Belangrijk om mee te geven is dat deze kwalificaties, zowel qua inhoud, territoriaal als in de tijd op het einde van het onderzoek volledig worden gekwalificeerd op basis van de bezwaren/bewijzen die in het dossier voorhanden zijn lastens de betrokkenen.

Daarnaast wens ik nog te onderstrepen dat ons dossier zich in de eerste plaats richt op Belgische slachtoffers en dat het territorialiteitsgegeven met betrekking tot Nederland en Duitsland voornamelijk ingegeven is omwille van de woonplaats van de verdachten of andere elementen die in ons eerste onderzoek naar voor kwamen.

Om terug te komen op de door U gestelde vragen en gelet op de impliciete afspraken met Uw collega kan ik bij deze bevestigen dat :

(1) De verdenking van de manipulatie van informaticagegevens in België (zogenaamd informaticabedrog waarvan hoger sprake) geen betrekking heeft op het vervaardigen, verkopen of het anderszins ter beschikking stellen of voorhanden hebben van een phishingpanel zoals voorzien in jullie Nederlandse concept-tenlastelegging. Bijgevolg stelt zich op heden geen probleem van overlappende feiten op vlak van de huidige tenlasteleggingen

waarvoor het gerechtelijk onderzoek werd geopend.

(2) Op basis van hetgeen hoger uiteengezet (definitieve kwalificatie en eventuele vervolging pas bij afsluiting van het gerechtelijk onderzoek), maak ik mij sterk dat dhr. [de opgeëiste persoon] in België niet zal vervolgd worden voor een overlappend feit inzake het ter beschikking stellen of voorhanden hebben van een phishingpanel. Meer bepaald :

- zal de verwijzing naar Nederland als pleegplaats niet weerhouden worden bij een eventuele vervolging voor ter beschikking stellen of voorhanden hebben van een phishingpanel;

- zal een eventuele vervolging voor ter beschikking stellen of voorhanden hebben van een phishingpanel buiten Nederland enkel weerhouden worden voor feiten na 12 augustus 2025 met België als pleegplaats

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. Uit de aanvullende informatie van de Belgische autoriteiten volgt dat de definitieve kwalificatie van de feiten pas aan het einde van het Belgische onderzoek zal worden vastgesteld op basis van de bezwaren en het bewijs. Dat biedt op dit moment geen zekerheid dat er geen sprake zal zijn van overlap tussen de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht en de feiten die ten grondslag liggen aan de verdenking in het Nederlandse onderzoek. Daarnaast heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de Belgische autoriteiten weliswaar stellen dat de Belgische verdenking geen betrekking heeft op het vervaardigen, verkopen of het voorhanden hebben van een phishingpanel, zoals omschreven in de Nederlandse concept-tenlastelegging, maar dat niet duidelijk is hoe dit zich verhoudt tot de verdenking ‘informaticabedrog’, waarbij het gebruik maken van, en dus het voorhanden hebben van, een phishingpanel juist een wezenlijk onderdeel vormt. Ten slotte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de mededeling van het Belgische Openbaar Ministerie dat het zich ervoor zal inspannen dat geen sprake zal zijn van een overlappende vervolging nog geen garantie inhoudt.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie van de Belgische autoriteiten volgt dat geen sprake is van overlap tussen de Belgische strafzaak en het in Nederland lopende strafrechtelijk onderzoek. De officier van justitie heeft daarbij verwezen naar het standpunt dat hij op de zitting van 7 juli 2026 naar voren heeft gebracht. Artikel 9 OLW staat niet aan overlevering in de weg.

Oordeel van de rechtbank

Uit de aanvullende informatie van de Belgische autoriteiten volgt dat tussen de Nederlandse en Belgische autoriteiten overleg plaatsvindt over de afbakening van de vervolgingen. De Belgische autoriteiten vermelden expliciet dat de opgeëiste persoon in België niet vervolgd gaat worden voor het vervaardigen, verkopen of het anderszins ter beschikking stellen of voorhanden hebben van een phishingpanel, zoals omschreven in de Nederlandse concept-tenlastelegging. De rechtbank stelt dan ook op grond van de verstrekte informatie vast dat thans geen sprake is van vervolging in Nederland voor dezelfde feiten en het uitdrukkelijk ook niet de bedoeling is dat de opgeëiste persoon in België zal worden vervolgd voor feiten waarvoor hij in Nederland wordt vervolgd.

Gezien de informatie die de rechtbank heeft ontvangen, de omstandigheid dat de vervolgingen in beide landen zich nog in een voorbereidend stadium bevinden en in aanmerking genomen dat tussen de Belgische en Nederlandse autoriteiten overleg is over de afbakening van de vervolgingen, komt de rechtbank tot het oordeel dat van een situatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW geen sprake is.

5. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.

6. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

7. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Vlaanderen, afdeling Dendermonde, België voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en A.B.M. Wijnveldt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 augustus 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.R.P.J. Davids

Griffier

  • mr. D.F.A. Reuvekamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand