ECLI:NL:RBAMS:2026:10015

ECLI:NL:RBAMS:2026:10015

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer 13-181669-26
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Vervolging-EAB Italië: Tussenuitspraak om af te wachten of er toestemming van de Colombiaanse autoriteiten is voor verderlevering, overwegingen m.b.t. het verlengen van de beslistermijn, artikel 9 OLW en artikel 13 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-181669-26

Datum uitspraak: 22 september 2026

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering van 9 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 29 mei 2026 door de Tribunale Ordinario di Catanzaro – Sezione GIP/GUP (Ordinary Lawcourt of Catanzaro – Chambers of the investigating judge/judge of preliminary hearing), Italië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] (Colombia),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [detentieplaats] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 15 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. S.W. Kuijpers, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Spaanse taal.

Beslistermijn

Indien de overlevering mede afhankelijk is van de instemming van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat of van een derde staat, begint ingevolge artikel 22, tweede lid, van de Overleveringswet (OLW) de in het eerste lid genoemde termijn van 60 dagen pas te lopen vanaf het moment dat de vereiste instemming is ontvangen. Zoals onder rubriek 8 in deze uitspraak wordt overwogen, kan de rechtbank momenteel niet vaststellen op welke titel de opgeëiste persoon vanuit Colombia naar Nederland is gekomen en of voornoemde instemming van Colombia voor overlevering aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is vereist.

De rechtbank heeft daarom de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering voor de zekerheid met 30 dagen verlengd (zie ook rubriek 8).

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Colombiaanse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the Lawcourt of Catanzaro van 23 april 2026 met kenmerk 32/2026 R.M.C. (2931/2024 R.G.N.R. Mod. 21 - 2235/2024 R.G. GIP Lawcourt of Catanzaro).

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Italiaans recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.

4. Strafbaarheid : feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:

deelneming aan een criminele organisatie.

Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Italië een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.

Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

5. Artikel 9 OLW

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van ‘dezelfde feiten’ als bedoeld in artikel 3 en 4 Kaderbesluit 2002/584/JBZ (en in artikel 9 OLW) moet worden beantwoord aan de hand van het autonome, Unierechtelijke begrip zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit begrip heeft alleen betrekking op de feiten zelf en omvat een geheel van onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete omstandigheden, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang. De gelijkheid van de materiële feiten wordt opgevat als een geheel van concrete omstandigheden die voortvloeien uit gebeurtenissen die in wezen dezelfde zijn, aangezien daarbij dezelfde dader betrokken is en zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en plaats. Het is aan de nationale rechter (in casu: de rechtbank) om te na te gaan of er sprake is van vervolging voor dezelfde feiten.

Uit de omschrijving van het feit in het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in Italië wordt verdacht van lidmaatschap van een criminele organisatie die is gericht op het plegen van terroristische moorden en aanslagen tegen politieke tegenstanders van het [regime] . Als startdatum van de pleegperiode wordt genoemd 2022 tot, naar de rechtbank begrijpt, het moment waarop de opgeëiste persoon op grond van het EAB is aangehouden in 2026.

De opgeëiste persoon wordt in Nederland verdacht van voorbereiding tot moord, maar niet is gebleken dat de verdenking in Italië overlap vertoont met deze feiten. De voorbereiding tot moord enerzijds en de deelneming aan een criminele organisatie anderzijds staan niet in zodanig verband met elkaar dat moet worden gesproken van één feitencomplex. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een aanzienlijk verschil tussen de in het EAB omschreven gedragingen van de opgeëiste persoon en de verdenking in Nederland.

Dit wordt bevestigd door informatie van de Italiaanse justitiële autoriteiten, waarin wordt meegedeeld dat zij de feiten die in Nederland zijn gepleegd uitsluitend hebben aangehaald om de strafbaarstelling van het misdrijf “gewapende bende” te onderbouwen. Desgevraagd hebben zij expliciet meegedeeld dat de opgeëiste persoon voor de voorbereiding tot moord in Nederland in Italië niet kan worden vervolgd omdat deze feiten niet (deels) in Italië hebben plaatsgevonden. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a OLW is daarom niet van toepassing.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.

De rechtbank stelt voorop dat:

- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;

- de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt;

- voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.

De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:

De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in Italië is aangevangen, de bewijsmiddelen zich in Italië bevinden, de medeverdachten in Italië worden vervolgd en dat de Italiaanse rechtsorde is geschokt. In dat licht vormt het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.

7. Instemming voor de verderlevering van de opgeëiste persoon

Inleiding

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting vast dat de opgeëiste persoon vanuit Colombia naar Nederland is gebracht en sindsdien in Nederland is gedetineerd in verband met een Nederlandse strafzaak. De opgeëiste persoon bevindt zich momenteel in Nederland uit hoofde van een door Colombia ingewilligd uitleveringsverzoek afkomstig van Nederland. Het is op dit moment onduidelijk onder welke voorwaarden de Colombiaanse autoriteiten de uitlevering aan Nederland hebben toegestaan. In het bijzonder is het onduidelijk of onderdeel van die voorwaarden is, dat toestemming dient te worden gevraagd aan de Colombiaanse autoriteiten voor verderlevering aan een ander land (in dit geval: Italië). Voor zover dit het geval is, is ook onduidelijk of deze toestemming inmiddels is verleend.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank geen einduitspraak kan doen, tot dat duidelijk is of toestemming nodig is van de Colombiaanse autoriteiten voor de verderlevering van de opgeëiste persoon. Indien inderdaad toestemming nodig is, moet die eerst worden verleend.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich eveneens op het standpunt dat eerst duidelijk moet worden of toestemming van de Colombiaanse autoriteiten voor verderlevering van de opgeëiste persoon nodig is. Daartoe heeft het IRC inmiddels contact gezocht met de Afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken (AIRS) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, voor het verkrijgen van meer informatie over de voorwaarden van de overlevering van de opgeëiste persoon naar Nederland, en om vast te stellen of instemming voor verderlevering in deze zaak is vereist.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft behoefte aan nadere informatie over de beslissing op grond waarvan Colombia de uitlevering heeft toegestaan. Zoals hiervoor is vermeld, is thans onduidelijk onder welke voorwaarden de opgeëiste persoon aan Nederland is uitgeleverd, of toestemming van de Colombiaanse autoriteiten voor verderlevering vereist is, en of deze toestemming inmiddels is gegeven.

De officier van justitie heeft op de zitting bevestigd dat AIRS in contact is met de Colombiaanse autoriteiten voor het verkrijgen van meer informatie over de voorwaarden van de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Nederland. Dat betreft onder meer informatie over de vraag of instemming voor verderlevering in deze zaak is vereist. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen in afwachting van deze informatie.

Verlenging beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW

Zoals hiervoor is overwogen zal de rechtbank het onderzoek ter zitting heropenen om nadere informatie af te wachten. Indien geen instemming van Colombia voor overlevering aan de uitvaardigende justitiële autoriteit is vereist, is de beslistermijn reeds gaan lopen en verstrijkt de 90 dagen-termijn op 27 september 2026. Mocht blijken dat de toestemming wel is vereist, dan gaat ingevolge artikel 22, tweede lid, OLW de termijn pas lopen vanaf het moment dat de vereiste instemming is ontvangen.

Gelet op deze onzekerheid, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een uitzonderlijk geval als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. Dat brengt met zich dat de rechtbank met toepassing van dit artikel aanleiding ziet om de beslistermijn te verlengen met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

8. Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn van 26 november 2026.

VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Spaanse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. D.L.S. Ceulen voorzitter,

mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.H. Wisgerhof, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 september 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. D.L.S. Ceulen

Griffier

  • mr. E.H. Wisgerhof

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand