RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-191729-26
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 juni 2026 door de substituut-procureur-generaal van het hof van beroep Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] (Marokko),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 september 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. S. Aarts, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Marokkaanse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest van het hof van Beroep Antwerpen van 5 maart 2026 - C6 kamer, met referentie 2025/PGA/3141 (griffienummer: 412/26).
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in België. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1.095 dagen.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van dit artikel. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van de datums waarop het hoger beroep in België diende. Ook is het verstekarrest te laat aan hem betekend, terwijl hij in Nederland gedetineerd was voor een andere zaak.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. Het verstekarrest is tijdig aan de opgeëiste persoon uitgereikt in detentie in Nederland. Het verworpen cassatieberoep hoeft volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank niet getoetst te worden aan artikel 12 OLW.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het arrest van het hof van Beroep Antwerpen van
5 maart 2026 toetsen aan artikel 12 OLW.
Uit onderdeel d) van het EAB blijkt dat het arrest aan de opgeëiste persoon is betekend op
12 maart 2026 en dat hij daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep. De betekening vond negen dagen na de uitspraak plaats. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw dat het verstekarrest te laat aan de opgeëiste persoon betekend is. Uit onderdeel d) van het EAB blijkt verder dat de opgeëiste persoon niet op tijd hoger beroep of verzet heeft ingesteld tegen het arrest. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder c, OLW. Het verworpen cassatieberoep, dat de opgeëiste persoon zelf had ingesteld, verandert dit niet. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing.
5. Strafbaarheid ; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
6. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.
Bij brief van 16 september 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:
“1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Dendermonde.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW moet worden geweigerd. Er is een algemeen reëel gevaar voor onmenselijke omstandigheden in de Belgische detentie-instellingen. Dit algemeen reële gevaar wordt voor de opgeëiste persoon niet weggenomen door de verstrekte detentiegarantie.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de afgegeven detentiegarantie afdoende is en artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het nieuwe CPT-rapport van 8 september 2026 het reeds aangenomen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vanwege de algemene detentieomstandigheden in België, waaronder met name de overbevolking en grondslapers in de gevangenissen, bevestigt.
De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 16 september 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. De rechtbank is, gelet op de garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, omdat hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT-standaarden). Het nieuwe CPT-rapport van 8 september 2026 geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de garantie van
14 september 2026 niet nageleefd kan worden of dat die moet worden uitgebreid.
De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5 en 7 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de substituut-procureur-generaal van het hof van beroep Antwerpen (België) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. L. Sanders, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Wisgerhof, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.