ECLI:NL:RBAMS:2026:10041

ECLI:NL:RBAMS:2026:10041

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 13-08-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer 13-162790-26
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Pools executie-EAB. Voor vonnis 1 is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing, de omzettingsbeslissing valt niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW en de rechtbank ziet af van de weigeringsgrond van artikel 12 OWL voor vonnis 2. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-162790-26

Datum uitspraak: 13 augustus 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 11 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 17 juli 2025 door the District Court in Gdańsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] (Polen),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

nu gedetineerd in [detentie-instelling] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Schiphol, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt twee vonnissen:

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk 365 dagen (vonnis 1) en één jaar (vonnis 2), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straffen resteren nog in hun geheel. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.

De hiervoor genoemde veroordelingen zien op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van discrepanties tussen het EAB en de aanvullende informatie van 24 juni 2026. Ten aanzien van vonnis 1 heeft de raadsman erop gewezen dat het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was op de zitting die tot het vonnis heeft geleid, terwijl uit de aanvullende informatie volgt dat de opgeëiste persoon op elke zitting aanwezig was. Ten aanzien van vonnis 2 heeft hij erop gewezen dat het EAB niets vermeldt over een mondelinge aanzegging op de zitting van 21 augustus 2023 voor de zitting van 27 september 2023, terwijl het EAB voor het overige wel gedetailleerd is. Volgens de opgeëiste persoon is hij niet aangezegd op de zitting van 21 augustus 2023 en is hem juist meegedeeld dat een voorwaardelijke straf zou worden opgelegd en dat hij niet meer hoefde te verschijnen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de aanvullende informatie van 24 juni 2026 ten aanzien van beide vonnissen geen sprake is van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Voor vonnis 1 geldt dat de opgeëiste persoon bij alle zittingen aanwezig is geweest. De omzettingsbeslissing valt niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW, omdat uit de aanvullende informatie volgt dat geen sprake is geweest van rechterlijke beoordelingsvrijheid bij die beslissing. Voor vonnis 2 geldt dat de opgeëiste persoon bij de eerste zitting aanwezig was en voor de tweede zitting was aangezegd.

Oordeel van de rechtbank

Vonnis 1

Naar aanleiding van de door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 16 juni 2026 gestelde vragen hebben de Poolse autoriteiten op 24 juni 2026 aanvullende informatie verstrekt. Deze informatie vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij alle zittingen die tot vonnis 1 hebben geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

Omzettingsbeslissing

Uit het EAB blijkt dat aan de opgeëiste persoon aanvankelijk bij vonnis 1 een straf (restriction of liberty) is opgelegd in de vorm van een taakstraf. Omdat de opgeëiste persoon de opgelegde taakstraf niet volledig heeft verricht is bij rechterlijk bevel de omzetting van de taakstraf in een vervangende gevangenisstraf van 365 dagen bevolen.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 23 maart 2023 volgt dat een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf, in beginsel geen beslissing vormt die valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Daarnaast volgt uit het arrest van het HvJ EU van 9 oktober 2025 dat van een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf in ieder geval geen sprake is indien – kort gezegd – aan de betrokkene, ter vervanging van een vrijheidsbeperkende straf, een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd waartoe hij nog niet eerder, ook niet in voorwaardelijke zin, was veroordeeld en waarbij de rechter heeft beschikt over beoordelingsruimte. Het gaat dan om beoordelingsruimte bij de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf in een gevangenisstraf en/of om beoordelingsruimte bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf.

Bij brief van 24 juni 2026 hebben de Poolse autoriteiten onder meer de volgende informatie verstrekt:

“ (…) The suspension of the sentence has not been revoked, but the Court has ordered the execution of an alternative penalty of imprisonment, in accordance with Article 65, paragraph 1 of the Executive Penal Code (Article 65 § I of the Executive Penal Code - If the convicted person evades serving the penalty of restriction of liberty, the court orders the execution of an alternative penalty of imprisonment). If the convicted person has served part of the penalty of restriction of liberty, the court orders the execution of a substitute penalty of imprisonment in a period corresponding to the penalty of restriction of liberty remaining to be served, assuming that one day of the substitute penalty of imprisonment is equivalent to two days of the penalty of restriction of liberty"). yes - the Court ordered the substitute penalty of imprisonment due to evading the rigors of executing the penalty of restriction of liberty – including, in particular, due to failure to perform community service; it should be noted that on 18.08.2023, convicted

[de opgeëiste persoon] received an instruction on all his rights and obligations related to the execution of the penalty of restriction of liberty and on the consequences of evading these obligations, including that failure to perform community service will result in the ordering of a substitute penalty of imprisonment, which he confirmed with his own signature.”

Vervolgens hebben de Poolse autoriteiten bij brief van 6 juli 2026, voor zover relevant, de volgende informatie verstrekt:

“(…) if the Courts establishes that the convicted person is “evading” the execution of the penalty of restriction of liberty, the provisions states that the “Court shall order” [enforcement] – meaning it has no “descretionary margin” when ordering the execution of the substitute penalty. (…)”

De rechtbank begrijpt uit deze aanvullende informatie dat de Poolse rechter in dit geval geen beoordelingsruimte had bij de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf in een gevangenisstraf, en evenmin bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf. Daarom valt deze beslissing niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.

Vonnis 2

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit het EAB blijkt immers dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de tweede zitting op 27 september 2023. De rechtbank stelt daarnaast vast dat geen sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Hoewel de opgeëiste persoon op de eerste zitting van 21 augustus 2023 aanwezig was en hem daar de zittingsdatum van 27 september 2023 is aangezegd, is met de aanvullende informatie van 24 juni 2026 niet vast komen te staan dat de opgeëiste persoon ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kon worden genomen wanneer hij niet op die zittingsdag zou verschijnen. Ook is geen sprake geweest van een machtiging aan een advocaat om hem op zittingen waar hij zelf niet was te verdedigen. De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.

Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.

De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. Uit de aanvullende informatie van 24 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 21 augustus 2023 aanwezig is geweest op de zitting, samen met zijn advocaat. De opgeëiste persoon is op de zitting van 21 augustus 2023 geïnformeerd over de nieuwe zittingsdatum van 27 september 2023. De aan hem toegewezen advocaat heeft hem gedurende de procedure vertegenwoordigd.

Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte was van het strafproces, maar hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij alle zittingen aanwezig te zijn. Onder deze omstandigheden levert het toestaan van de overlevering daarom geen schending op van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.

5. Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd;

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

mishandeling;

medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.

Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

7. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47, 285, 300, 311 en 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the District Court in Gdańsk, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en A.B.M. Wijnveldt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 augustus 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.R.P.J. Davids

Griffier

  • mr. D.F.A. Reuvekamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand