ECLI:NL:RBAMS:2026:10052

ECLI:NL:RBAMS:2026:10052

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer 13/011822-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Bewezen is verklaard de eendaadse samenloop van medeplegen poging zware mishandeling en openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, en openlijke geweldpleging tegen goederen. Verdachte heeft samen met anderen onder andere tegen het hoofd van het slachtoffer geschopt terwijl het slachtoffer zich op de grond bevond. Aan verdachte is een voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen en een taakstraf van 180 uren opgelegd. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met het tijdsverloop en de jonge leeftijd (18) van verdachte ten tijde van het feit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/011822-24

Datum uitspraak: 25 augustus 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2004,

wonende op het adres [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 augustus 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.R. Bakkenes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, naar voren hebben gebracht.

De zaak is gelijktijdig – maar niet gevoegd – behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (13/011818-24) en [medeverdachte 2] (13/011820-24).

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 15 januari 2023 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde voor zover de beschuldigingen zien op de geweldshandelingen tegen [aangever 1] . Verdachte heeft immers geen bijdrage geleverd aan het geweld tegen [aangever 1] .

De officier van justitie is van mening dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde wel kan worden bewezen voor zover de beschuldigingen zien op het geweld tegen [aangever 2] en het geweld tegen goederen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van de onder 1 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling in vereniging wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet. Niet kan worden vastgesteld wat de intensiteit en kracht van het geweld was en hoe vaak raak is geschopt of geslagen. Ook kan niet worden vastgesteld dat geschopt is tegen het hoofd van aangevers. Dat maakt dat er te weinig concrete informatie is om te kunnen spreken van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Subsidiair heeft de raadsman verzocht verdachte partieel vrij te spreken van het ten laste gelegde onder 1 voor zover de beschuldiging ziet op het geweld tegen [aangever 1] . Verdachte levert namelijk geen enkele bijdrage aan het geweld jegens [aangever 1] .

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit voor zover de beschuldiging ziet op het geweld tegen [aangever 1] en het geweld tegen goederen. Het enkele schoppen tegen een vaste vuilnisbak is onvoldoende om te komen tot een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging tegen goederen.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van de volgende feiten en omstandigheden uit.

In de nacht van 14 op 15 januari 2023 is verdachte (hierna: [verdachte] ) met medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) en een onbekend gebleven persoon (hierna: NN1) uit geweest in Amsterdam. Onderweg naar het Centraal Station is de groep van verdachten een andere groep jongens tegengekomen. Deze andere groep bestond uit latere aangevers [aangever 1] en [aangever 2] en hun vrienden [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ). De twee groepen raken met elkaar aan de praat en het contact begint gemoedelijk.

Op een gegeven moment begint de groep van verdachten met het verrichten van de volgende handelingen. NN1 pakt een vuilniszak uit een container en gooit deze door de lucht, waarna [medeverdachte 1] de zak wegschopt over de grond waardoor er vuilnis op de grond terechtkomt. [medeverdachte 2] geeft vervolgens een harde schop tegen de zak. In de buurt van het Leidseplein pakt [medeverdachte 3] een stoel en gooit deze door de lucht. Hij schopt vervolgens tegen de stoel. Ook [medeverdachte 2] schopt tegen de stoel en gooit er meermaals mee. Op het Koningsplein komt de groep verdachten een andere groep tegen. Deze andere groep – bestaande uit onder andere de onbekend gebleven personen NN2 en NN3 – was op dat moment bezig met het schoppen tegen vaste vuilniscontainers en het duwen tegen een haringkraam. De groep van verdachten loopt naar de andere groep toe en samen beginnen zij te juichen en te springen. [medeverdachte 2] rent vervolgens ook naar de haringkraam toe en schopt er tegenaan. NN2 schopt tegen een bromfiets en meermalen tegen een vaste vuilniscontainer. Ook schopt hij even later een scooter omver. NN3 springt met zijn schouder tegen een winkelraam en trapt er meermaals tegenaan. [medeverdachte 3] en NN2 trappen vervolgens ook richting winkelramen. [medeverdachte 2] trapt twee keer tegen een vuilnisbak. [verdachte] loopt ook naar deze vuilnisbak toe en schopt er tegenaan. [medeverdachte 2] schopt tegen een winkelraam aan en loopt vervolgens naar een scooter die op de grond ligt en springt erbovenop. NN3 schopt weer tegen een winkelraam aan en NN2 rent wederom tegen de haringkraam aan. [medeverdachte 3] springt ook tegen de haringkraam aan en [medeverdachte 1] geeft nog een schop tegen een tasje dat op de grond ligt. De groep van [aangever 1] en [aangever 2] kijkt van een afstandje naar het geweld. [aangever 1] zet de weggegooide stoel weg en de omgeschopte snorfiets weer rechtop. Daarna vervolgen de groepen hun weg.

Op een bepaald moment spreekt [aangever 1] de groep van verdachten aan op hun gedrag, waarna de situatie escaleert. [aangever 1] wordt vervolgens achtervolgd door [medeverdachte 3] en daarna door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] slaat dan tegen het lichaam van [aangever 1] . Het lichaam van [aangever 1] wordt geraakt en beweegt naar achteren. [medeverdachte 3] pakt [aangever 1] vervolgens vast en samen belanden ze op de grond. Terwijl [aangever 1] op de grond ligt, schopt [medeverdachte 1] tegen zijn lichaam aan. Op dat moment komt [aangever 2] aanrennen. [aangever 2] geeft [medeverdachte 1] een duw, die daardoor op de grond komt. Hierna komt [aangever 1] overeind en rent weg. [aangever 1] wordt uiteindelijk weer ingehaald door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] slaan [aangever 1] . [aangever 1] slaat daarop terug. [aangever 1] rent weg en wordt vervolgens meermaals tegen het lichaam geschopt door NN1. Uiteindelijk belandt [aangever 1] op de grond door een schop tegen zijn been van [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] haalt vervolgens vijf keer uit met zijn hand tegen het hoofd van [aangever 1] . Daarna schopt [medeverdachte 3] tegen het hoofd van [aangever 1] .

Ondertussen begeeft [verdachte] zich naar [aangever 2] . [verdachte] pakt [aangever 2] vast in een klem en geeft een knietje tegen zijn lichaam. [medeverdachte 1] schopt naar het lichaam van [aangever 2] . [verdachte] trekt [aangever 2] naar de grond en geeft hem een vijftal stoten op zijn lichaam. Hij gaat vervolgens bovenop [aangever 2] zitten en houdt hem vast op de grond. [medeverdachte 1] schopt naar het hoofd van [aangever 2] en tweemaal naar zijn lichaam. Ook haalt [medeverdachte 1] twee keer uit met zijn hand naar het lichaam van [aangever 2] . Vervolgens geeft hij wederom twee schoppen tegen de bovenzijde van het lichaam en nabij het hoofd van [aangever 2] . [verdachte] komt overeind en schopt dan tegen het been van [aangever 2] . Daarna loopt [medeverdachte 1] weg naar [aangever 1] . Wanneer [aangever 2] overeind probeert te komen en zich op zijn handen en voeten bevindt, schopt [verdachte] nogmaals naar [aangever 2] . Ondertussen is [medeverdachte 2] ook aangekomen bij [aangever 2] en stoot hij richting het hoofd van [aangever 2] . [aangever 2] komt achterover te vallen en belandt op zijn rug.

[verdachte] en [medeverdachte 2] wenden zich vervolgens ook tot [aangever 1] . [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schoppen beiden nog een keer naar het lichaam van [aangever 1] , die op dat moment nog op de grond ligt. Het lichaam van [aangever 1] schudt en komt in beweging door dit geweld. Intussen probeert [naam 2] het geweld een halt toe heeft roepen. Dit lukt waarna de groep verdachten wegloopt. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] worden even later staande gehouden door de politie. NN2 ontkomt aan de staandehouding.

Door de verbalisanten ter plaatse en getuige [naam 2] is letsel waargenomen op het gezicht van aangevers. [aangever 1] en [aangever 2] zijn op 16 respectievelijk 15 januari 2023 onderzocht door een arts. Bij [aangever 1] was sprake van een kneuzing van de nek. Bij [aangever 2] was sprake van een zwelling van de neus en rode schaafplekken op het hoofd tussen de haren.

Beide aangevers en getuige [naam 2] hebben verklaard dat aangevers zijn geslagen en meermaals tegen het hoofd zijn geschopt terwijl zij op de grond lagen.

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (poging zware mishandeling)

4.3.2.1. Medeplegen

Voordat de rechtbank toekomt aan de vraag hoe bovengenoemde feiten en omstandigheden juridisch gekwalificeerd moeten worden, zal zij zich eerst buigen over de vraag of sprake is van medeplegen.

Voor een bewezenverklaring van medeplegen dient vast komen te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Daarbij kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling en de rol in de uitvoering De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat sprake is van medeplegen kan niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

De rechtbank stelt voorop dat uit de hierboven vastgestelde feiten volgt dat verdachte en medeverdachten deel uitmaakten van dezelfde vriendengroep en in de aanloop naar, tijdens en na de ruzie met aangevers als één groep hebben opgetreden.

De rechtbank kan echter niet vaststellen dat bij het geweld tegen [aangever 1] sprake was van een dermate nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten dat verdachte in dat verband als medepleger kan worden aangemerkt. Verdachte heeft zelf geen geweldshandelingen verricht tegen [aangever 1] . Weliswaar heeft hij de gelegenheid verschaft dat het geweld tegen [aangever 1] door medeverdachten werd gepleegd en voortgezet – zoals nader zal worden besproken in rubriek 4.3.3.1 – echter dat is onvoldoende om te komen tot medeplegen jegens [aangever 1] . Verdachte zal dan ook partieel worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [aangever 1] .

Dat is anders ten aanzien van het geweld tegen [aangever 2] . Op het moment dat de situatie met aangever [aangever 1] escaleerde en [aangever 2] hem te hulp schoot, nam verdachte vrijwel direct en actief deel aan het geweld tegen [aangever 2] . Hij fixeerde [aangever 2] op de grond en faciliteerde daarmee het geweld tegen [aangever 2] door medeverdachten, bestaande uit het meermaals tegen het lichaam en hoofd schoppen en slaan. Verdachte en (een deel van de) medeverdachten pleegden derhalve in elkaars bijzijn geweld, ondersteunden elkaar daarbij, stemden hun handelen op elkaar af en volgden elkaar op in het geweld.

Op het einde vertrekt verdachte gelijktijdig met de medeverdachten. Uit dit verloop van de handelingen volgt dat sprake is van een opzettelijke gezamenlijke uitvoering van geweld tegen [aangever 2] . Het is duidelijk dat verdachte nauw en bewust met medeverdachten heeft samengewerkt en dat hij een wezenlijke bijdrage aan het toegepaste geweld tegen [aangever 2] heeft geleverd. Er kan daarom gesproken worden van medeplegen ten aanzien van het geweld jegens [aangever 2] .

4.3.2.2. Bewijsoverweging poging zware mishandeling [aangever 2]

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of voornoemde feiten en omstandigheden een poging tot zware mishandeling van [aangever 2] opleveren.

Voor een bewezenverklaring van een strafbare poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank stelt voorop dat het dossier geen aanwijzing biedt dat verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat verdachte willens en wetens zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen.

Er kan echter ook sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit de weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte en medeverdachten meermaals geslagen en geschopt hebben tegen en richting het hoofd en lichaam van [aangever 2] , terwijl hij op de grond lag Dat dit gericht en met kracht is gebeurd blijkt uit het geconstateerde letsel bij aangevers en de – door de politie – omschreven fysieke impact van de geweldshandelingen op aangevers.

De rechtbank overweegt dat het handelen van verdachte en medeverdachten, met name het stoten en schoppen tegen het hoofd van aangever, naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven roept dat hij daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het hoofd, waar zich onder meer de slaap, maar ook delen van het gezicht zoals kaak, oogkas en jukbeen bevinden, een kwetsbaar lichaamsdeel betreft. De kans op zwaar lichamelijk letsel was in de gegeven omstandigheden ook voorzienbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gedragingen van verdachte en medeverdachten naar hun uiterlijke verschijningsvormen zozeer gericht geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat zij de aanmerkelijke kans daarop ook bewust hebben aanvaard. De rechtbank wijst in dit kader op de aard en de intensiteit van het geweld tegen aangever. Er was sprake van een explosie van geweld, waarin verdachten elkaar hebben versterkt, ondersteund en opgevolgd in de geweldshandelingen en deze ook op elkaar hebben afgestemd. Zelfs op het moment dat aangever zich in een weerloze positie op de grond bevond of aldaar werd vastgehouden, werd het ernstige geweld onverminderd voortgezet.

De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van [aangever 2] , zoals onder feit 1 ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde (openlijke geweldpleging)

Blijkens de wetsgeschiedenis is van het in vereniging (openlijk) plegen van geweld sprake indien verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Enerzijds is het enkel getalsmatig versterken van een groep niet voldoende, anderzijds is het plegen van een gewelddadige handeling niet nodig, maar kan de significante of wezenlijke bijdrage ook bestaan uit bijvoorbeeld vocale aanmoedigingen. Van een significante en wezenlijke bijdrage kan ook sprake zijn wanneer verdachte, zonder aan de geweldpleging deel te nemen, die geweldpleging heeft bevorderd.

4.3.3.1. Openlijke geweldpleging tegen personen

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen [aangever 1] en [aangever 2] .

De rechtbank stelt vast dat de gedragingen richting personen hebben plaatsgevonden op de openbare weg. Hiermee is het openlijk handelen gegeven. Uit hetgeen is overwogen over medeplegen, poging tot zware mishandeling en de aldaar genoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte en medeverdachten, als één groep, tot geweldpleging richting beide aangevers zijn overgegaan.

Verdachte heeft verschillende geweldshandelingen verricht tegen [aangever 2] . De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verdachte, als medepleger, een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd om te kunnen spreken van openlijk geweld richting [aangever 2] .

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan de openlijke geweldpleging tegen [aangever 1] . Op het moment dat [aangever 2] [aangever 1] te hulp wilde schieten, heeft verdachte [aangever 2] met geweld naar de grond gebracht en hem daar gefixeerd. Door op deze manier te handelen heeft verdachte medeverdachten in de gelegenheid gesteld om het geweld tegen [aangever 1] te plegen en langer voort te zetten, hetgeen vervolgens ook is gebeurd. Verdachte heeft met zijn handelen de geweldpleging tegen [aangever 1] bevorderd en daarmee een voldoende significante bijdrage geleverd aan het geweld. De rechtbank komt dan ook eveneens tot een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging tegen [aangever 1] . Dat verdachte geen rechtstreekse geweldshandelingen heeft verricht jegens [aangever 1] , maakt het voorgaande niet anders.

Er is sprake van eendaadse samenloop tussen de onder 1 ten laste gelegde poging zware mishandeling in vereniging tegen [aangever 2] en de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen [aangever 2] .

4.3.3.2. Openlijke geweldpleging tegen goederen

De rechtbank is van oordeel dat ook de onder 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen goederen bewezen kan worden.

De rechtbank stelt vast dat de gedragingen richting goederen hebben plaatsgevonden op de openbare weg. Hiermee is het openlijk handelen gegeven.

Daarnaast volgt uit de geschetste feiten en omstandigheden dat verdachte en medeverdachten allen, in enige mate, hebben bijgedragen aan het geweld plegen tegen verschillende goederen. De rechtbank stelt voorop dat verdachte op geen enkel moment afstand heeft genomen van de groep. Integendeel, verdachte liep samen met medeverdachten juichend en joelend over straat, waarmee hij het gedrag zichtbaar aanmoedigde. Daarnaast acht de rechtbank de bijdrage van verdachte daarbij, door tegen een vuilniscontainer te schoppen, ook voldoende significant. Dat dit zijn enige bijdrage is geweest en dat de vuilniscontainer hierdoor niet beschadigd zou zijn, maakt voorgaande conclusie niet anders.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging zware mishandeling van [aangever 2] en aan openlijke geweldpleging tegen personen ( [aangever 2] en [aangever 1] ) en goederen. Verdachte wordt partieel vrijgesproken van het medeplegen van een poging zware mishandeling van [aangever 1] .

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

feit 1

op 15 januari 2023 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- die [aangever 2] terwijl hij op de grond lag meermalen met kracht tegen het lichaam heeft gestompt en op de grond vastgedrukt heeft gehouden en meermalen met kracht tegen het lichaam heeft geschopt en met kracht tegen het hoofd heeft gestompt en met kracht tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

op 15 januari 2023 te Amsterdam openlijk, te weten, op het Leidseplein en op de Leidsestraat en op het Koningsplein en op het Rokin, in elk geval op of aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen en goederen te weten tegen [aangever 1] en [aangever 2] en tegen een stoel en meerdere winkelruiten en een haringkraam en meerdere snor-en bromfietsen en meerdere vuilniscontainers en -bakken en een vuilniszak door

- die [aangever 1] meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan en hem tegen een been te schoppen en terwijl die [aangever 1] op de grond ligt hem meermalen met kracht tegen het hoofd te stompen en met kracht tegen het hoofd te schoppen en meermalen met kracht tegen het lichaam te schoppen en

- die [aangever 2] vast te pakken en een knietje te geven en hem tegen het lichaam te schoppen en terwijl die [aangever 2] op de grond ligt hem meermalen met kracht tegen het lichaam te stompen en op de grond vastgedrukt te houden en meermalen met kracht tegen het lichaam te schoppen en met kracht tegen het hoofd te stompen en met kracht tegen het hoofd te schoppen en door meermalen met die stoel te gooien en tegen die stoel te schoppen en meermalen tegen die winkelruiten te slaan en te schoppen en daar tegenaan te springen en meermalen tegen die haringkraam te schoppen en tegen die snor- en bromfietsen te schoppen en deze omver te schoppen en daarop te springen en meermalen tegen die vuilniscontainers en -bakken te schoppen en met die vuilniszak te gooien en tegen die vuilniszak te trappen.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf en maatregel

Eis van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 70 dagen waarvan 63 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met de samenloop van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn. Ook heeft hij gewezen op de straf die eerder door de kinderrechter aan medeverdachte [medeverdachte 3] is opgelegd. Verder is de raadsman van mening dat rekening dient te worden gehouden met de zeer jonge leeftijd van verdachte. Bovendien is verdachte first offender. Indien de rechtbank aanleiding ziet om een voorwaardelijke straf op te leggen, verzoekt de raadsman hieraan een proeftijd van maximaal één jaar te verbinden.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van slachtoffer [aangever 2] en aan openlijke geweldpleging tegen personen en goederen. Slachtoffer [aangever 1] , dat de groep verdachten terecht aansprak op hun asociale en gewelddadige gedrag tegen goederen, moest dat bekopen met een explosie van geweldshandelingen tegen hem en zijn vriend [aangever 2] . Beide slachtoffers zijn, terwijl zij weerloos op de grond lagen, meermaals tegen het hoofd en lichaam geslagen en geschopt door verdachte en/of medeverdachten. Zij hebben hierdoor letsel opgelopen. Verdachte heeft door zijn handelen zinloos en op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, althans dit mogelijk gemaakt. De rechtbank rekent hem dat aan. Daarnaast is een dergelijk gewelddadig optreden in het openbaar zeer schokkend voor het publiek en in het bijzonder voor de ooggetuigen. Het versterkt in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid en angst en verstoort de openbare orde. Omdat de openlijke geweldpleging letsel tot gevolg heeft gehad bij aangevers, is de wettelijke strafverzwaringsgrond van artikel 141 lid 2 onder 1 van het Wetboek van Strafrecht aan de orde. De rechtbank rekent het verdachte ook in strafverzwarende zin aan dat hij de feiten onder invloed van alcohol heeft gepleegd.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 25 juni 2026. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank houdt rekening met het feit dat aan verdachte na het plegen van de bewezenverklaarde feiten een strafbeschikking is uitgevaardigd voor een ander strafbaar feit, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf ook rekening met wat verdachte ter zitting heeft aangevoerd over zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de jonge leeftijd van verdachte, die ten tijde van de bewezenverklaarde feiten net achttien jaar was.

De redelijke termijn

De rechtbank constateert dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Verdachte is op 10 november 2023 voor het eerst verhoord. Op dat moment is de redelijke termijn gaan lopen. De redelijke termijn is dus met ruim 9 maanden overschreden. De rechtbank zal dit verdisconteren in de straf.

Strafoplegging

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de eendaadse samenloop van de poging zware mishandeling in vereniging van [aangever 2] en de openlijke geweldpleging tegen [aangever 2] .

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en een taakstraf van 180 uur subsidiair 90 dagen hechtenis, passend en geboden. Het voorwaardelijke strafdeel strekt ertoe verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan het plegen van strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat zij, gelet op het tijdsverloop, het niet opportuun acht om aan verdachte een langere of (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 47, 55, 57, 63, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

eendaadse samenloop van:

feit 1:

medeplegen van poging tot zware mishandeling

feit 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

en:

feit 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren.

Beveelt dat, wanneer verdachte de taakstraf niet naar behoren (heeft) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 1 (een) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen wanneer verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Biçer, voorzitter,

mr. D.M.S. Gribling en mr. L.A.L. Wiersinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.G.E. Spaander, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 augustus 2026.

[…]

[…] […]

[…] […]

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. D.M.S. Gribling
  • mr. L.A.L. Wiersinga

Griffier

  • mr. S.G.E. Spaander

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand