RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-345334-25
Datum uitspraak: 13 augustus 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 23 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 december 2025 door the Regional Court of Budapest, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1970 te [geboorteplaats] (Hongarije),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 juli 2026 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak onder verschillende voorwaarden, waaronder handhaving van de door de opgeëiste persoon betaalde borgsom van €5.000,-.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 1 december 2025 uitgevaardigd door the Regional Court of Budapest, met referentienummer: no.18.B.573/2020/460-I.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Hongaars recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4. Aanhoudingsverzoek
De raadsman heeft aangevoerd dat uit de door hem ter zitting overgelegde stukken volgt dat na het uitvaardigen van het EAB in Hongarije is beslist dat de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de strafprocedure in Hongarije niet langer vereist is. De raadsman heeft de rechtbank daarom verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om bij de Hongaarse autoriteiten te verifiëren of de vervolgingsoverlevering van de opgeëiste persoon nog steeds wordt verzocht.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen het aanhoudingsverzoek. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de herkomst van de door de raadsman pas op de zitting overgelegde stukken, die deels in de Hongaarse taal zijn gesteld, niet controleerbaar is, zodat de juistheid van de informatie niet kan worden geverifieerd.
De rechtbank overweegt dat uit de door de raadsman overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat de Hongaarse autoriteiten niet langer om de overlevering van de opgeëiste persoon verzoeken. Er is geen informatie beschikbaar waaruit zou kunnen volgen dat het EAB is ingetrokken. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de behandeling van het EAB aan te houden.
5. Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Hongarije een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
6. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Verzoek van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, derde lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:
De eerste voorwaarde
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
De tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). Uit de brief van de IND van 28 juli 2026 volgt dat een eventuele veroordeling voor het feit uit het EAB er niet toe leidt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.
Dit betekent dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan.
Garantie
De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon naast de ononderbroken rechtmatige verblijfsduur zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Hongarije. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland.De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag uitzitten als hij na overlevering in Hongarije wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.
De Ministry of Justice of Hungary, Department of International Criminal Law heeft op 29 juli 2026 de volgende garantie gegeven:
“[...] pursuant to Article 5.3 of the Council Framework Decision of 13 June 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedures between the Member States the Ministry of Justice of Hungary guarantees that [de opgeëiste persoon] , after being heard and upon his request, shall be returned to the Netherlands in order to serve there the custodial sentence or detention order passed against him in Hungary."
Verzoek van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de terugkeergarantie onvoldoende is, nu de terugkeer naar Nederland afhankelijk wordt gesteld van een door de opgeëiste persoon in te dienen verzoek. De raadsman heeft de rechtbank daarom verzocht de Hongaarse autoriteiten te verzoeken een onvoorwaardelijke terugkeergarantie te verstrekken.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. De rechtbank overweegt dat de passage “upon his request” geen voorbehoud van de zijde van de Hongaarse autoriteiten inhoudt met betrekking tot de terugzending zelf, maar moet worden gelezen als een uitwerking van het in artikel 6, eerste en tweede lid, Kaderbesluit 2008/909/JBZ opgenomen instemmingsvereiste. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
7. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de Hongaarse autoriteiten moet worden gevraagd om de garantie te verstrekken dat de opgeëiste persoon na overlevering niet wordt geplaatst in de gevangenis in Tiszalök of Szombathely. Uit het meest recente rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (CPT) blijkt dat in deze gevangenissen, hoewel daartegen wordt opgetreden, nog steeds lijfstraffen plaatsvinden. Plaatsing in een van deze gevangenissen is dan ook onverenigbaar met de grondrechten van de opgeëiste persoon.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank – op het standpunt gesteld dat geen sprake meer is van een algemeen gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie-instellingen in Hongarije. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
In de uitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op het CPT-rapport van 16 december 2025, niet langer sprake is van (voldoende) objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan een algemeen reëel gevaar kan worden aangenomen dat personen die in Hongarije zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld in verband met de ill-treatment van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. Het CPT-rapport van 16 december 2025 is het rapport waar de raadsman naar heeft verwezen. De rechtbank heeft in de genoemde uitspraak voorts overwogen dat blijkens dat rapport een risico bestaat op een terugval in Tiszalök en dat de Hongaarse regering daarom waakzaam moet blijven. Bij de vaststelling van een algemeen gevaar kan de rechtbank echter geen rekening houden met dit risico, nu het gaat om een onzekere toekomstige gebeurtenis. Bij de beoordeling van de detentieomstandigheden gaat het erom hoe de omstandigheden nu feitelijk zijn en uit het rapport van 16 december 2025 blijkt dat die omstandigheden inmiddels geen algemeen reëel gevaar van schending van de mensenrechten meer opleveren. Aanwijzingen dat het risico zich intussen (weer) heeft verwezenlijkt, ontbreken.
Nu geen sprake is van een algemeen gevaar komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon na zijn overlevering. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen ten aanzien van de detentieomstandigheden. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.
8. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
9. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
10. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court of Budapest, Hongarije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 augustus 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.