ECLI:NL:RBAMS:2026:10056

ECLI:NL:RBAMS:2026:10056

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 16-09-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer 13/077070-26, 05/128985-25 (tul), 13/220806-23 (tul), 16/033748-25 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden en maatregel 38v Sr (dadelijk uitvoerbaar) voor bedreiging en mishandeling levensgezel. Vrijspraak dwang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/077070-26 Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 05/128985-25, 13/220806-23

en 16/033748-25

Datum uitspraak: 16 september 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] ,

hierna: verdachte.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

2 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M. Modder, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.C. Jonge Vos, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van

[aangeefster] in de periode van 1 januari 2024 tot en met 27 december 2025 te [plaats 2] en/of Utrecht, althans in Nederland;

2.

mishandeling van [aangeefster] in de periode 1 januari 2024 tot en met 10 december 2025 te [plaats 2] en/of Utrecht, althans in Nederland, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;

3.

dwang van [aangeefster] in de periode van 1 januari 2024 tot en met 4 september 2024 te [plaats 2] , althans in Nederland.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Waardering van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van, in ieder geval, het grootste deel van de ten laste gelegde uitingen die hij met zijn telefoon naar de telefoon van aangeefster zou hebben gestuurd. Aangeefster heeft pas op een laat moment aangifte gedaan en dat maakt dat de betrouwbaarheid van haar verklaring moeilijk te toetsen is. Verdachte heeft verklaard dat hij die berichten niet verstuurd heeft en het scenario van verdachte dat aangeefster de ten laste gelegde berichten zelf met de telefoon van verdachte naar haar eigen telefoon heeft gestuurd, kan op basis van het dossier niet worden uitgesloten.

Dat ligt mogelijk anders ten aanzien van uitingen waarvan een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal is opgemaakt. Daarvoor is mogelijk voldoende steunbewijs.

Ook ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde dient vrijspraak te volgen. Verdachte ontkent. Het dossier bevat onvoldoende steunbewijs voor de aangifte. Er is geen letselrapportage en de foto biedt geen ondersteuning van de verklaring van aangeefster dat er een sigaret op haar been zou zijn uitgedrukt door verdachte. Als het gaat om het schoppen in aangeefsters buik, geldt dat de aangifte op dit onderdeel alleen steun vindt in de verklaring van aangeefsters zus. Die verklaring is niet dusdanig objectief dat deze kan worden gebruikt voor het bewijs.

De raadsman heeft ook verzocht om verdachte van het onder 3 ten laste gelegde vrij te spreken, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte deze teksten heeft gestuurd.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Op 28 januari 2026 heeft aangeefster aangifte gedaan van mishandeling en bedreiging. Uit de aangifte volgt dat aangeefster en verdachte elkaar in 2021 leerden kennen en dat zij in 2022 een relatie met elkaar hebben gekregen. Aangeefster verklaart dat het gedrag van verdachte rond mei 2023 begon te veranderen. Verdachte werd gewelddadig richting aangeefster en begon met het uiten van bedreigingen richting haar. Zo herinnert aangeefster zich een moment dat verdachte een sigaret uitdrukte op haar knie en hij stuurde haar regelmatig berichten dat hij haar zou vermoorden. In november 2025 was aangeefster bij verdachte thuis. Verdachte pakte toen een mes waarmee hij in de richting van aangeefster liep. Hij zei dat hij haar makkelijk kon doodmaken, dat hij haar in stukken zou snijden en dat hij dan naar Somalië zou vluchten. Op 10 december 2025 waren verdachte en aangeefster in haar huis en zaten zij in haar slaapkamer. Op enig moment trapte verdachte aangeefster heel hard in haar buik. Dat deed zo veel pijn en was zo hard dat zij op de grond viel. Op 12 december 2025 is verdachte bij zijn huis opgehaald door de politie omdat hij nog een straf moest uitzitten. Ook toen verdachte net in detentie zat belde hij aangeefster dat hij haar zou dood maken. In 2026 heeft aangeefster verdachte geblokkeerd en vanaf dat moment heeft zij geen contact meer met hem gehad.

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. Zij heeft uitgebreid, consistent en gedetailleerd verklaard over hetgeen is voorgevallen in de periode dat zij met verdachte een relatie had. Bij een aantal incidenten die in de maanden voorafgaand aan haar aangifte hebben plaatsgevonden, heeft zij specifieke data genoemd. De rechtbank weegt bovendien mee dat de verklaring van aangeefster door meerdere bevindingen wordt ondersteund. Deze bevindingen worden hieronder beschreven.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat de verklaring van aangeefster steun vindt in de screenshots van de chatgesprekken die bij haar aangifte zijn gevoegd. Uit deze screenshots volgt dat aangeefster op meerdere momenten, van verschillende telefoonnummers en via de applicatie Snapchat, bedreigende berichten heeft ontvangen. Volgens aangeefster is het verdachte die deze berichten heeft gestuurd.

Uit onderzoek is gebleken dat de telefoonnummers waarmee de berichten zijn gestuurd, op naam van verdachte staan.

Ten aanzien van het snapchatgesprek waarin de gebruiker ‘ [gebruiker] ’ bedreigende teksten naar aangeefster heeft gestuurd, geldt dat de gebruiker bij die bedreigende teksten een selfie heeft gestuurd. Verdachte is door de politie op de selfie herkend en ook verdachte zelf heeft verklaard dat hij dat is. De rechtbank stelt op basis daarvan vast dat gebruiker ‘ [gebruiker] ’ verdachte is.

De verklaring van verdachte dat niet hij, maar aangeefster zelf de berichten zou hebben gestuurd met zijn telefoon naar haar eigen telefoon, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank stelt dan ook vast dat het verdachte is geweest die de ten laste gelegde berichten naar aangeefster heeft verstuurd.

Ten aanzien van de bedreigingen die tijdens telefoongesprekken tussen verdachte en aangeefster zijn geuit, geldt voorts dat de aangifte steun vindt in het proces-verbaal van bevindingen waarin een gevorderd telefoongesprek vanuit detentie van 17 december 2025 is beluisterd en vertaald door een tolk. Daarin is volgens de tolk te horen dat tegen aangeefster wordt gezegd: “als ik eruit kom, ga ik iedereen doden”. De rechtbank stelt op basis van de overige inhoud van dit gesprek vast dat verdachte dit gesprek met aangeefster voert. Het gesprek gaat onder meer over een sleutel van verdachte die aangeefster nog zou hebben en verdachte heeft verklaard dat hij hier boos over was. Daarnaast bevat het dossier een proces-verbaal van bevindingen waarin een door aangeefster overgelegde geluidsopname van een telefoongesprek vanuit detentie van 27 december 2025 is uitgeluisterd. Hierop is volgens de verbalisant een mannenstem te horen die in het Engels zegt: “I'm gonna break your fingers.” Verdachte heeft ten aanzien van dit gesprek verklaard dat hij dingen heeft gezegd die hij niet had moeten zeggen.

Voornoemde ten laste gelegde uitingen leveren naar het oordeel van de rechtbank bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling op. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de ten laste gelegde uiting “Ik kom naar je huis en steek het in de fik", aangezien die uiting een bedreiging met brandstichting zou opleveren en dit niet ten laste is gelegd.

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de eerste ten laste gelegde bedreigende uiting dateert van 20 oktober 2024 en de laatste van 27 december 2025. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de bedreigingen in die periode hebben plaatsgevonden.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde vindt de aangifte steun in het proces-verbaal van bevindingen dat is opgemaakt nadat het Openbaar Ministerie nadere vragen aan aangeefster heeft gesteld met betrekking tot de incidenten waarover zij heeft verklaard en het letsel dat als gevolg daarvan is ontstaan. Uit dat proces-verbaal volgt dat aangeefster heeft verklaard dat op foto 3 een plek te zien is van een sigaret die verdachte in het voorjaar van 2024 op haar knie heeft uitgedrukt. Een verbalisant heeft het letsel dat op deze foto te zien is in een ander proces-verbaal van bevindingen omschreven als letsel dat net zo groot is als de diameter van een sigaret. Het letsel is aan de buitenzijde donkerrood met in het midden een lichtere plek. Volgens de verbalisant lijkt het erop alsof er een sigaret op de knie is uitgedrukt. De verklaring van verdachte dat dit letsel zou zijn ontstaan als gevolg van een omgevallen asbak, acht de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank schuift de verklaring van verdachte op dit punt terzijde en gaat ervan uit dat het gegaan is zoals aangeefster heeft verklaard en dus dat verdachte een sigaret op haar been heeft uitgedrukt.

Met betrekking tot het in de buik schoppen van aangeefster wordt de aangifte ondersteund door de verklaring van de zus van aangeefster. Zij heeft verklaard dat zij zich een moment kan herinneren dat verdachte bij hen thuis was en dat zij aangeefster en verdachte ruzie hoorde maken en verdachte beledigende en bedreigende dingen hoorde roepen. Toen zij naar de woonkamer liep zag zij aangeefster op de grond liggen met haar handen tegen haar ribben. Zij zag dat aangeefster aan het huilen was en dat verdachte op een aantal centimeters bij haar vandaan stond. Zij hoorde aangeefster zeggen dat verdachte haar heel hard tegen haar ribben had geschopt en dat zij heel veel last had. De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen reden om de verklaring van de zus van aangeefster van het bewijs uit te sluiten. Deze verklaring is uitgebreid en voldoende concreet en specifiek en ondersteunt de aangifte op belangrijke punten en de rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat de verklaringen van aangeefster en haar zus op elkaar zouden zijn afgestemd. Ook het onder 2 ten laste gelegde acht de rechtbank derhalve bewezen.

De rechtbank acht voorts bewezen dat sprake is van geweld begaan tegen een levensgezel, nu de rechtbank uit de verklaring van aangeefster, de verklaring van verdachte en de verklaring van de zus van aangeefster afleidt dat zij ten tijde van de mishandelingen een langdurige en hechte relatie met elkaar hadden.

Vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen wat onder feit 3 is ten laste gelegd. De rechtbank is van oordeel dat de aangifte ten aanzien van dit feit, inhoudende dat verdachte zou hebben gedreigd om naaktvideo’s van aangeefster online te zetten als zij niet naar hem toe zou komen, onvoldoende steun vindt in het dossier. De verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1

in de periode van 20 oktober 2024 tot en met 27 december 2025 in Nederland, [aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [aangeefster] dreigend (in de Engelse taal) de woorden toe te voegen

- " Ik kan je makkelijk nu doodmaken, ik snijd je in stukken en ik vlucht dan gewoon naar Somalië", en

- " Ik ga je vermoorden", en

- " Ik zal je snel zien, ik zal je openmaken", en

- " Ik ga je steken", en

- " Ik ga je vingers breken", en

- " Als ik eruit kom, ga ik iedereen doden",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

ten aanzien van feit 2

in de periode van 1 januari 2024 tot en met 10 december 2025 in Nederland [aangeefster] heeft mishandeld, door

- een brandende sigaret op de knie van voornoemde [aangeefster] uit te drukken, en

- die [aangeefster] in de buik te schoppen,

terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk strafdeel dient een contactverbod met aangeefster te worden opgenomen.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met aangeefster. Deze maatregel dient voor de duur van vijf jaren te worden opgelegd en de vervangende hechtenis bij de eerste overtreding dient te worden bepaald op een week, oplopend telkens met een week per overtreding met een totale duur van de vervangende hechtenis van zes maanden De officier van justitie heeft gevraagd de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om in het geval van een veroordeling aan verdachte geen langere gevangenisstraf op te leggen dan verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. Daarnaast kan een voorwaardelijke straf worden opgelegd als stok achter de deur. Ten aanzien van het opnemen van een contactverbod heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan bedreiging en mishandeling van aangeefster, destijds zijn partner. Met deze handelingen heeft verdachte herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster. Zelfs toen verdachte gedetineerd zat heeft hij aangeefster vanuit de gevangenis gebeld en bedreigende teksten jegens haar geuit. Uit de aangifte volgt dat de feiten gevoelens van angst bij aangeefster hebben teweeg gebracht. Als strafverzwarende omstandigheid weegt de rechtbank mee dat aangeefster en verdachte een relatie met elkaar hadden en aangeefster zich dus juist veilig en vertrouwd bij verdachte zou moeten voelen. Verdachte heeft alles ontkend en dan ook geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn gedrag getoond.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte zich in het verleden veelvuldig heeft schuldig gemaakt aan soortgelijke feiten. Voor die feiten zijn aan hem zowel voorwaardelijke als onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. Verdachte liep ten tijde van de bewezen geachte feiten zelfs in drie proeftijden. De aan hem opgelegde straffen hebben verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Uit het strafblad van verdachte volgt eveneens dat artikel 63 Sr van toepassing is.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 25 augustus 2026, opgesteld door mevrouw [naam 1] . Volgens de reclassering lijkt verdachte, ondanks diverse inzet, geen bereidheid te tonen voor gedragsverandering en recidivevermindering middels een hulpverleningstraject. Tot op heden heeft bemoeienis vanuit de reclassering niet geleid tot een verandering hierin. Ook in onderhavig onderzoek geeft verdachte geen blijk van motivatie voor hulpverlening. Dat maakt dat de reclassering adviseert om in het geval van een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. Uit het Pro Justitia rapport van 2 juni 2026 volgt dat bij verdachte geen actuele psychische stoornis is vastgesteld en dat een eventuele verstandelijke beperking is uitgesloten.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gekeken naar de straffen die in

vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank weegt als strafverzwarende omstandigheid mee dat sprake is van recidive en dat verdachte ter terechtzitting geen inzicht heeft getoond in zijn handelen. Ook is strafverzwarend dat het gaat om huiselijk geweld en meerdere bedreigingen die gedurende een betrekkelijk lange periode hebben plaatsgevonden.

Alles afwegende en met inachtneming van artikel 63 Sr (oud) zal de rechtbank een gevangenisstraf van vijf maanden met aftrek van voorarrest opleggen. De rechtbank ziet geen reden om een voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen, omdat uit het strafblad blijkt dat er al eerder voorwaardelijke straffen aan verdachte zijn opgelegd en die hem er niet van hebben weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank zal conform de eis van de officier van justitie, ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten in de richting van aangeefster, ook de maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen, inhoudende dat verdachte gedurende vijf jaren geen direct of indirect contact mag hebben met aangeefster.

Om deze maatregel kracht bij te zetten, heeft iedere keer dat verdachte de maatregel overtreedt, een vervangende hechtenis van twee weken te gelden, tot een maximum van zes maanden. De rechtbank zal deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich weer belastend zal gedragen jegens aangeefster.

8. Vorderingen tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

Bij de stukken bevinden zich drie vorderingen tot tenuitvoerlegging na een voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam.

In de zaak met parketnummer 05/128985-25 is verdachte veroordeeld bij het onherroepelijk geworden vonnis van 28 juli 2025 van de politierechter te Gelderland tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand met aftrek van voorarrest, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

In de zaak met parketnummer 13/220806-23, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 17 januari 2025 van de politierechter te Amsterdam, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen met aftrek van voorarrest, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 27 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens het niet nakomen van de gestelde voorwaarden voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd.

In de zaak met parketnummer 16/033748-25 is verdachte veroordeeld bij het onherroepelijk geworden vonnis van 14 april 2025 van de politierechter te Midden-Nederland tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 dagen, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De aktes van uitreiking van deze voorwaardelijke veroordelingen, zoals bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, zijn aan verdachte uitgereikt.

Hoewel een deel van de feiten is gepleegd voordat bovenstaande vonnissen onherroepelijk zijn geworden, heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan strafbare feiten nadat de proeftijd in alle drie de vonnissen, waarvan de uitvoerlegging is gevorderd, is ingegaan. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straffen te gelasten.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 38v, 38w, 57, 63, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd,

en

bedreiging met zware mishandeling

ten aanzien van feit 2

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

De totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde

maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte

opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 28 juli 2025 met parketnummer 05/128985-25 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van één (1) maand met aftrek van voorarrest.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 17 januari 2025 met parketnummer 13/220806-23 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 27 dagen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 14 april 2025 met parketnummer 16/033748-25 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 28 dagen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.H.E. van der Pol, voorzitter,

mrs. G. Oldekamp en J.O. Rutten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.R. Hofstee, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 september 2026.

[--]

Bijlage II - Bewijsmiddelen

De inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen wordt steeds zakelijk weergegeven:

ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

1. Een proces-verbaal aangifte met bijlagen met nummer PL1300-2026016811-2 van 28 januari 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 2] , doorgenummerde pagina’s 6 tot en met 27.

Dit proces-verbaal houdt in de verklaring van de aangever [aangeefster] , zakelijk weergegeven:

Ik heb een relatie gehad met [verdachte] . [verdachte] veranderde toen hij verhuisde naar de [BRP-adres] te [geboorteplaats] . Hij heeft in die tijd ook weleens zijn sigaret uitgedrukt op mijn knie. In november 2025 was ik bij hem thuis. Ik zag dat hij mijn kant op kwam gelopen. Hij zette het mes op mijn keel. Ik hoorde hem zeggen: "Ik kan je makkelijk nu doodmaken, ik snijd je in stukken en ik vlucht dan gewoon naar Somalië". Op woensdag 10 december 2025, was hij bij mij thuis in [plaats 2] . Wij zaten op mijn bed. Ik stond op en ik voelde dat hij mij aan mijn haren naar beneden trok. Ik voelde dat hij mij vervolgens ontzettend hard schopte in mijn buik, onder mijn borsten, ter hoogte van mijn ribben. [verdachte] schopte mij terwijl hij nog zat op bed. Dit deed zo ontzettend veel pijn. Door de kracht van de schop viel ik op de grond. Ik moest heel hard huilen. Mijn zus, genaamd [naam getuige] , was op het geschreeuw afgekomen en zij heeft gezien dat hij mij heeft geschopt. Vanuit de gevangenis heeft [verdachte] mij meerdere keren gebeld. Dit was toen hij net vast zat. Hij zei dat ik kleding langs moest komen brengen. Ik hoorde hem zeggen dat als ik dit niet zou doen dat hij mij dan zou dood maken.

Foto 1

Omschrijving: gesprek tussen aangever en verdachte.

Foto 10

Omschrijving: ik zie je snel, ik zal je openmaken.

Foto 11

Omschrijving: Ik zweer ik steek je

2. De verklaring van verdachte, afgelegd terechtzitting van 2 september 2026.

Het klopt dat ik een relatie met aangeefster heb gehad. Die relatie begon in 2021 of 2022. U, voorzitter, houdt mij voor dat aangeefster heeft verklaard dat ik haar op 27 december 2025 vanuit de gevangenis heb opgebeld en dat daarvan een geluidsopname is gemaakt en teruggeluisterd. Ik heb wel dingen gezegd die ik niet had moeten zeggen. Ze zei dat ze mijn sleutels niet had. Ik was daar boos over.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2026016811-5 van 11 februari 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 4] , doorgenummerde pagina’s 28 tot en met 30.

Dit proces-verbaal houdt in de verklaring van de getuige [naam getuige] , zakelijk weergegeven:

Ik was in mijn eigen slaapkamer en ik hoorde [aangeefster] en haar vriend, [verdachte] ruzie maken.

Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Ik ga je dood maken en in stukken snijden." Ik zag dat mijn zus met haar rug op de grond lag. Ik zag dat mijn zus haar handen tegen haar ribben aanhield. Ik zag en hoorde dat mijn zus aan het huilen was, ik zag tranen over haar wangen. Ik zag dat [verdachte] op een aantal centimeters van haar vandaan stond. Ik hoorde dat ze zei, dat [verdachte] haar heel hard had geschopt tegen haar ribben en dat ze heel veel last had. Ook uit de gevangenis wordt mij zus gebeld. De bedreigingen blijven doorgaan. Tijdens de telefoontjes blijft hij mijn zus bedreigen.

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

4. Een proces-verbaal van bevindingen, met bijlage, met nummer PL1300-2026016811-27 van 18 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 4] , doorgenummerde pagina’s 7 tot en met 10 van het aanvullend procesdossier.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in de verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar zakelijk weergegeven:

Ik zag gevorderde telefoon gesprekken waren uitgewerkt. Ik zie dat dit gaat om het gesprek gevoerd op 17 december 2025 om 15.38 uur.

Ik zie dat er door telefoonnummer: [nummer 1] gebeld wordt en ik zie dat er gebeld wordt met telefoonnummer: [nummer 2] . Ik zie dat dit nummer op naam van [aangeefster] staat.

In het gesprek wordt er Nederlands en de Somalische taal gesproken. Dit gesprek is

vertaald door RBTV-beëdigende tolk vertaald met tolknummer: 18737.

Hieronder een kopie van het gesprek:

NNM/ [verdachte] klinkt weer boos en heft zijn stem op. "Ik heb maar een minuut en wil geen bla bla, als ik eruit kom, ga ik iedereen doden.”

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2026016811-9 van 13 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 4] , doorgenummerde pagina’s 53 tot en met 62.

NV: Verbalisant toont bijlage pagina 6.

MV: Op deze bijlage is het volgende te lezen en is er een foto te zien van de verdachte: Verdachte zegt: Ik zweer het ik ga je vermoorden. Ik heb je drie maanden geleden verteld het te verwijderen. Hoyada? Je bent dood.

V: De man op de foto in bijlage 6, Bent u dat?

A: Ja dat ben ik.

6. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026016811-10 van 13 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 4] , doorgenummerde pagina’s 37 en 38.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in de verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar zakelijk weergegeven:

Op 28 januari 2026 heeft het slachtoffer screenshots van de gesprekken gestuurd. Deze

gesprekken waren volgens het slachtoffer tussen haar en de verdachte [verdachte] , waarin [verdachte] bedreigingen naar het slachtoffer stuurt. Ik zie op de foto's dat het gaat om de volgende telefoonnummers.

Door de volgende informatie in onze beschikbare politiesystemen koppel ik de

telefoonnummers aan [verdachte] .

* + [nummer 3]

Ik zag als resultaat dat het genoemde telefoonnummer op naam stond van:

[verdachte] [BRP-adres] .

* + [nummer 4]

Ik zie dat er een bericht op de applicatie Snapchat onder de naam van: [gebruiker] & [naam 5]

zijn opgestuurd. Bij de naam [gebruiker] zie ik dat er in een gesprek een foto is

toegevoegd waarop een persoon te zien is. Ik zag in onze beschikbare politie systemen

onder strafketendatabank (SKDB) een foto van de verdachte [verdachte] . Ik zag dat de foto

van Snapchat en van SKDB van [verdachte] één en dezelfde persoon zijn.

7. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlage, met nummer PL1300-2026016811-14 van 13 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 4] , doorgenummerde pagina’s 31 tot en met 34.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in de verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar zakelijk weergegeven:

Ik heb naar aanleidingen van de bedreigingen een vordering gedaan bij Centraal

Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT) op telefoonnummer [nummer 4] .

Uitslag:

Telefoonnummer: [nummer 4]

Voorletters: [voorletter verdachte]

Achternaam: [verdachte]

Nummer: [huisnummer]

Straat: [straat]

Postcode: [postcode]

Woonplaats: [woonplaats]

Aanbieder: [provider]

8. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026016811-11 van 13 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 4] , doorgenummerde pagina’s 35 en 36.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in de verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar zakelijk weergegeven:

Op 11 maart 2026 had ik telefonisch contact met de aangever/slachtoffer [aangeefster] . Ik hoorde dat zij het volgende verklaarde: "Ik heb op 27 december 2025 nog telefonisch contact gehad met hem. Hij belde mij vanuit de gevangenis. Ik heb hier een geluidsopname van en deze stuur ik naar jullie toe."

Dezelfde dag ontving ik een geluidsbestand van aangever/slachtoffer. Ik las de volgende tekst erbij: Hoi, dit gesprek is opgenomen op 27-12-25. Ik zag dat het geluidsfragment 2 minuten en 58 seconden duurde.

Ik, verbalisant, hoor dat er een telefoongesprek was tussen een vrouw en een man. Ik hoorde dat het gesprek in de Nederlandse, Engelse en Somalische taal werd gesproken.

Bedreiging geluidsfragment

seconden: Ik hoor dat een mannenstem in de Engelse taal het volgende zegt: I'm gonna break your fingers.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

9. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen met nummer PL1300-2026016811-24 van 23 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 4] , pagina’s 4 tot en met 6 en 11 en 12 van het aanvullend procesdossier .

Dit proces-verbaal houdt onder meer in de verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar zakelijk weergegeven:

Foto 3 van het letsel:

Ik zie dat er op een knie letsel zit. Ik zie dat het letsel net zo groot is als een diameter van een sigaret. Ik zie dat het letsel aan de buitenzijde donkerrood is en ik zie in het midden een lichtere plek zitten. Het lijkt erop of er een sigaret op de knie is uitgedrukt.

10. Een proces-verbaal van bevindingen, met bijlage, met nummer PL1300-2026016811-26 van 23 maart 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 6] , pagina’s 13 en 14 van het aanvullend procesdossier.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in de verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar zakelijk weergegeven:

Foto 3:

Ik, verbalisant [naam 6] , omschreef het letsel op foto 3. [aangeefster] verklaarde daarover het volgende: Dit is een plek omdat hij een sigaret heeft uitgemaakt op mijn knie dit was in het voorjaar van 2024.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand