ECLI:NL:RBAMS:2026:10088

ECLI:NL:RBAMS:2026:10088

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 13-094759-26
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Overlevering. Griekenland. Na vaststelling van een algemeen reëel gevaar in de detentie-instelling in Chios stelt de rechtbank nu ook een individueel gevaar vast. De zaak wordt voor korte tijd aangehouden o.g.v. art. 11 lid 2 OLW zodat op de volgende zitting kan worden nagegaan of een wijziging van omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-094759-26

Datum uitspraak: 29 september 2026

TUSSEN-

UITSPRAAK

op de vordering van 8 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 11 februari 2026 door the Public Prosecution Office of the Court of Appeal of North Aegean, Griekenland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1964 te [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

Zitting van 1 juli 2026

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 1 juli 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. mw. A.M.S. Jumelet, advocaat in Rotterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

Tussenuitspraak van 15 juli 2026

In de tussenuitspraak van 15 juli 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de door de rechtbank geformuleerde vragen, die zien op de detentie-omstandigheden voor de opgeëiste persoon, aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

Zitting van 13 augustus 2026

Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw.

Tussenuitspraak van 27 augustus 2026

In de tussenuitspraak van 27 augustus heeft de rechtbank het onderzoek heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in

de gelegenheid te stellen na te gaan of het vastgestelde algemeen gevaar in de detentie-instelling in Chios voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen door

een individuele garantie.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

Zitting van 15 september 2026

Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Tussenuitspraken van 15 juli 2026 en 27 augustus 2026

In de tussenuitspraak van 15 juli 2026 heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de genoegzaamheid van het EAB, de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, de strafbaarheid van het feit en de garantie als bedoeld in artikel 6 OLW. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Ditzelfde geldt voor de overwegingen in paragraaf 7 van de tussenuitspraak van 15 juli 2026 en in paragraaf 4 van de tussenuitspraak van 27 augustus 2026 over de detentieomstandigheden in Griekenland in het licht van artikel 11 OLW.

4. Artikel 11 OLW: Griekse detentieomstandigheden

Inleiding

Nadat in de tussenuitspraak van 27 augustus 2026 een algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden in de detentie-instelling in Chios is aangenomen, heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 1 september 2026 vragen aan de Griekse uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld zodat de rechtbank hierna kan beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon dit gevaar zal lopen na overlevering:

“On 27 August 2026, the Court of Amsterdam issued an interlocutory judgement, ruling that there is a general real risk of violation of fundamental rights for people detained in the Chios Penitentiary. One reason is that prisoners detained in a multi-occupancy cell in Chios penitentiary are provided with less than 3 m2 personal space (excluding sanitary facilities) at their disposal and the reductions in the required minimum personal space of 3 m2 are not short, occasional and minor. As the Court of Amsterdam assesses the information regarding the penitentiary institution where requested person will be incarcerated in the light of the Dorobantu judgment (ECLI:EU:C:2019:857, § 70-77), we would like to ask you to provide us with specific and individual guarantees for [opgeëiste persoon] regarding the amount of person space he will have at his disposal in the Chios Penitentiary:

1. Can it be guaranteed that [opgeëiste persoon] will be provided with a minimum of 3 m2 of personal space (excluding sanitary facilities) in a multi occupancy cell, in light of the judgment in Dorobantu (ECLI:EU:C:2019:857, § 75-76)?

2. If 3 m2 cannot be guaranteed, please also answer the following questions (ECHR 20 October 2016, no. 7334/13 (Muršić v. Croatia, § 138)):

a. Can it be guaranteed for [opgeëiste persoon] that the reductions in the required minimum personal space of 3 m2 shall be short, occasional and minor?

b. Are such reductions accompanied by sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities?

c. Does this penitentiary unit generally have decent detention conditions and is the wanted person not subjected to other elements that are considered aggravating circumstances for poor detention conditions?

Besides, the Court has noted that a number of questions formulated by the Court and forwarded by the Public Prosecutor’s Office on 16 July 2026 and 28 July 2026 were left unanswered. Specifically, in her interlocutory judgement of 15 July 2026 the Court of Amsterdam requested more information on the general detention conditions in the Chios Penitentiary and on the announced measures relating to the following issues:

a. Overcrowding;

b. interpersonal violence among detainees;

c. the culture of impunity;

d. the significant influence of power groups;

e. the lack of supervision and staffing;

f. the shortage of medical personnel;

g. the absence of complaint procedures for detainees.

The Court of Amsterdam ruled that, as the Greek authorities did not provide any clarification regarding these specific topics on the situation at Chios, including which concrete improvements have already been implemented at the detention facility on Chios following the CPT report, and which measures are still planned, there is also general real risk of violation of fundamental rights because of the issues mentioned under a. till f.(see above).

As such, in order to take away the general real risk of violation of fundamental rights for [opgeëiste persoon] , the Court of Amsterdam requests an individual guarantee in which the measures relating to the issues under a. till f. are adequately discussed and which proves that [opgeëiste persoon] will not be at risk of a violation of fundamental rights relating to the issues under a. till f.”

Bij brief van 3 september 2026 heeft de directeur van de gevangenis in Chios aan the Hellenic Republic, Ministery of Citizens Protection, Chios Penitentiary establishment, de volgende informatie verstrekt:

“In continuation of the above-referenced correspondence, we hereby inform you of the

following regarding the questions raised by the Dutch Authorities:

1. A minimum personal space of 3 sq.m. cannot be guaranteed.

2. a) It cannot be guaranteed that the reductions in the required minimum personal

space of 3 sq.m. will be brief and occasional.

b) Freedom of movement outside the cell is sufficient, and fitness activities and

walking are available.

c) Detention conditions are deemed decent, providing protection to the detainee.

Regarding the questions of the Court of Amsterdam, we inform you of the following:

a) Overcrowding is observed.

b) Violence among detainees is rarely observed.

c) Transgressive behaviors within the Facility are punished.

d) No influence of power groups is observed.

e) There is no lack of supervision and staffing.

f) The Facility has a Rural Doctor and a permanent Nurse. The State Hospital of Chios is fully equipped and staffed at a short distance from our Facility.

g) There is full capability for the submission of complaints by the detainees.

Please be informed accordingly; we remain at your disposal for any clarification.”

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat het door de rechtbank vastgestelde reële gevaar op geen enkel punt is weggenomen voor de opgeëiste persoon met de aanvullende informatie van 3 september 2026. Dit leidt tot een individueel reëel gevaar voor de opgeëiste persoon wanneer hij zou worden overgeleverd. Omdat in dit geval evident is dat er geen mogelijkheid meer bestaat dat een wijziging in de omstandigheden kan optreden binnen een te stellen redelijke termijn, heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om de zaak niet meer aan te houden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, maar om geen gevolg te geven aan het EAB. Er is immers geen verwachting dat de Griekse autoriteiten binnen afzienbare tijd nadere informatie zullen verstrekken op grond waarvan het reële gevaar voor de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. In dit kader heeft de raadsvrouw onder meer de volgende aspecten benoemd:

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank moet – wanneer een garantie niet is verstrekt, noch is goedgekeurd door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit – aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, beoordelen of het algemeen gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende informatie van 3 september 2026 het reële gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) voor gedetineerden in de detentie-instelling in Chios niet wegneemt voor de opgeëiste persoon. Deze informatie bevestigt daarentegen juist dat het kernpunt van dit eerder vastgestelde reële gevaar – namelijk dat gedetineerden in Chios in een meerpersoonscel over minder dan 3 m2 persoonlijke leefruimte kunnen beschikken en dat die beperking niet enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate is – ook geldt voor de opgeëiste persoon als hij zou worden overgeleverd.

Reeds hierom stelt de rechtbank vast dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling Chios. Het feit dat in de aanvullende informatie van 3 september 2026 nu wél gereageerd is op de punten a) tot en met g), zoals in de hiervoor weergegeven vraagstelling, maakt dit oordeel niet anders. Het kernpunt van het reële gevaar ziet immers op het gebrek aan persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel, terwijl de reacties van de directeur van de gevangenis in Chios op de punten a) tot en met g) bovendien zeer summier zijn.

Dit betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren.

Hoewel de verstrekte informatie van 3 september jl. tekortschiet, is het in dit geval niet evident dat er geen mogelijkheid meer bestaat dat er een wijziging in de omstandigheden kan optreden die het reële gevaar voor de opgeëiste persoon binnen een redelijke termijn zal wegnemen. Hoewel al meermaals om informatie omtrent de detentieomstandigheden is verzocht, zijn de vragen van het IRC voor het eerst volledig geconcentreerd op de concrete situatie van de opgeëiste persoon bij de vraagstelling van 1 september 2026. Tot dat moment zag het onderzoek immers op de vraag of sprake was van een algemeen gevaar voor gedetineerden in Chios. Van een situatie waarbij de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat al expliciet zijn gewezen op de consequentie van het niet-verstrekken van de juiste informatie en waarbij door of namens de uitvaardigende autoriteit al te kennen is gegeven dat geen specifiekere beantwoording van de vragen meer kan worden gegeven, is in deze zaak geen sprake.

Gelet op de tot nu toe stellige, maar tekortschietende antwoorden van de Griekse autoriteiten, ziet de rechtbank wel aanleiding om de behandeling van de zaak op een relatief korte termijn weer op zitting te plannen om op die zitting – ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW – na te gaan of een wijziging van omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn.

Dit betekent dat de rechtbank de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW zal aanhouden. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland in de week van 12 oktober 2026 (dus op de zitting van dinsdag 13, woensdag 14 of donderdag 15 oktober 2026).

Verlenging van de beslistermijn

Ten aanzien van de beslistermijn merkt de rechtbank op – mede gelet op het gevoerde verweer – dat de OLW er in voorziet (artikel 22 OLW) dat deze termijn met telkens maximaal dertig dagen wordt verlengd zolang de rechtbank onderzoek doet naar een reëel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, als bedoeld in artikel 11, eerste lid OLW en met telkens maximaal 60 dagen in het geval de rechtbank haar beslissing heeft aangehouden krachtens artikel 11, tweede lid OLW.

De beslistermijn zou aflopen op 1 oktober 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij de termijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 60 dagen.

5. Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting in de week van 12 oktober 2026.

HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.

VERLENGT op grond van artikel 22, tweede lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,

mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 september 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. D.L.S. Ceulen

Griffier

  • mr. A.T.P. van Munster

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand