RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-180247-26
Datum uitspraak: 23 september 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 6 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 mei 2026 door de Tribunale Ordinario di Catanzaro – Sezione GIP/GUP (Ordinary Lawcourt of Catanzaro – Chambers of the investigating judge/judge of preliminary hearing), Italië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedag] 1997,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting van 25 augustus 2026
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door de raadslieden, mrs. A.M.S. Jumelet en M. van Loon, beiden advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Spaanse taal. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 9 september 2026 omdat de opgeroepen tolk niet langer beschikbaar was.
Zitting van 9 september 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door voornoemde raadslieden, mrs. A.M.S. Jumelet en M. van Loon, en door een tolk in de Spaanse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Colombiaanse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een Remand in custody order issued by the Lawcourt of Catanzaro on 23rd April 2026 – no. 32/2026 R.M.C, met referentie 2931/2024 R.G.N.R. Mod. 21 - 2235/2024 R.G. GIP Lawcourt of Catanzaro.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Italiaans recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
Genoegzaamheid en onschuldverweer
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is, vanwege de beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit zou zijn gepleegd en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. De opgeëiste persoon kan het feit niet hebben gepleegd, omdat hij voor 19 april 2024 niet in Europa was en vanaf 6 juni 2024 gevangen zat in een Nederlandse gevangenis zonder ongecontroleerd contact met de buitenwereld. Daarnaast klopt de identiteit die is vermeld op het EAB niet, althans de geboortedatum komt niet overeen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. De tijd, plaats en mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon staan vermeld in het EAB.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In artikel 2 OLW is duidelijk bepaald aan welke vereisten een EAB moet voldoen en welke gegevens het moet bevatten. Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB - in samenhang gelezen met het A-formulier - voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt gevraagd en wat zijn betrokkenheid daarbij zou zijn geweest. De verdenking ziet op deelname aan een criminele organisatie, waarbij een omschrijving is gegeven van het oogmerk en een aantal strafbare feiten waar deze organisatie bij betrokken zou zijn geweest. Als pleegperiode wordt genoemd 2022 tot, naar de rechtbank begrijpt, het moment waarop de opgeëiste persoon op grond van het EAB is aangehouden in 2026. De opgeëiste persoon zou hierbij volgens het zogenoemde A-formulier als dader betrokken zijn geweest. Dit betreft een ruime periode, maar dat maakt de omschrijving niet onvoldoende duidelijk. Datzelfde geldt voor het feit dat het EAB niet vermeldt welke specifieke gedragingen aan de opgeëiste persoon worden toegeschreven en wanneer die gedragingen zouden hebben plaatsgevonden. De stelling dat de opgeëiste persoon voor 19 april 2024 niet in Europa was en vanaf 6 juni 2024 gevangen zat in een Nederlandse gevangenis komt neer op een bewijsverweer en staat uitsluitend ter beoordeling van de rechter in de uitvaardigende lidstaat. Nu het gaat om een vervolgings-EAB zal de precieze gang van zaken met betrekking tot het feit waarvan de opgeëiste persoon in Italië wordt verdacht, later in Italië moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is de naleving van het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd.
De rechtbank merkt op dat voor zover er een onschuldverweer is gevoerd, dit ter beoordeling staat aan Italiaanse strafrechter en kan niet tot weigering van de overlevering leiden.
De rechtbank verwerpt het verweer. Artikel 2 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg.
4. Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Italië maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft namens de opgeëiste persoon een beroep gedaan op gelijkstelling met een Nederlander, omdat hij ook de Spaanse nationaliteit heeft en hem als EU-onderdaan verblijfsrecht in Nederland toekomt. De opgeëiste persoon zit reeds twee jaar in Nederland gedetineerd in afwachting van de behandeling van zijn Nederlandse strafzaak. De verwachting is dat dit nog jaren kan duren. In de loop der jaren ontstaat een binding tussen opgeëiste persoon en Nederland.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van artikel 6 OLW geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op artikel 6 OLW niet slaagt, nu de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en dus geen duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen.
6. Artikel 9 OLW: ne bis in idem
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een deel van de pleegperiode sprake is van een strafvervolging in Nederland als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. De overlevering van de opgeëiste persoon wordt dus deels verzocht voor dezelfde (soort) feiten als waarvoor hij op dit moment in Nederland wordt vervolgd.
In Nederland wordt de opgeëiste persoon in de zaak vervolgd voor poging tot moord in vereniging dan wel voorbereiding daarvan, en het voorhanden hebben van vuurwapens in de periode van 5 tot 6 juni 2024. De Nederlandse en Italiaanse vervolgingen zien op (deels) dezelfde pleegperiode. Daarom dient de overlevering te worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat Italië met de aanvullende informatie van 12 en 27 augustus 2026 heeft bevestigd dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd voor de Nederlandse en Spaanse zaken. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW doet zich niet voor.
Oordeel van de rechtbank
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is.
De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van ‘dezelfde feiten’ als bedoeld in artikel 3 en 4 Kaderbesluit 2002/584/JBZ (en in artikel 9 OLW) moet worden beantwoord aan de hand van het autonome, Unierechtelijke begrip zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit begrip heeft alleen betrekking op de feiten zelf en omvat een geheel van onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete omstandigheden, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang. De gelijkheid van de materiële feiten wordt opgevat als een geheel van concrete omstandigheden die voortvloeien uit gebeurtenissen die in wezen dezelfde zijn, aangezien daarbij dezelfde dader betrokken is en zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en plaats. Het is aan de nationale rechter (in casu: de rechtbank) om te na te gaan of er sprake is van vervolging voor dezelfde feiten.
De rechtbank is van oordeel dat het verweer dat het feit dat aan het EAB ten grondslag ligt, namelijk deelneming aan een criminele organisatie, overlap vertoont met de tegen opgeëiste persoon gevoerde strafzaak in Nederland, niet slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een geheel van concrete omstandigheden die voortvloeien uit gebeurtenissen die in wezen dezelfde zijn en die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en plaats.
Uit de omschrijving van het feit in het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in Italië wordt verdacht van lidmaatschap van een criminele organisatie die is gericht op het plegen van terroristische moorden en aanslagen tegen politieke tegenstanders van het Iraanse Ayatollah regime. Als pleegperiode wordt genoemd 2022 tot, naar de rechtbank begrijpt, het moment waarop de opgeëiste persoon op grond van het EAB is aangehouden in 2026.
De opgeëiste persoon wordt in Nederland verdacht van een poging tot het medeplegen van, dan wel medeplichtigheid aan een poging tot moord op een persoon in Nederland. De poging tot moord enerzijds en de deelneming aan een criminele organisatie anderzijds staan niet in zodanig verband met elkaar dat moet worden gesproken van één feitencomplex. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een aanzienlijk verschil tussen de in het EAB omschreven gebeurtenissen die ten grondslag liggen aan de verdenking van de opgeëiste persoon voor deelneming aan een criminele organisatie in Italië en de verdenking in Nederland. De poging tot moord in Nederland is in het EAB enkel vermeld als voorbeeld van feiten die de criminele organisatie worden toegerekend.
Dit wordt bevestigd door aanvullende informatie van de Italiaanse justitiële autoriteit van 12 en 27 augustus 2026, waarin wordt meegedeeld dat de feiten die in Nederland en in Spanje zijn gepleegd uitsluitend zijn genoemd om de strafbaarstelling van het misdrijf “gewapende bende” (waaronder de rechtbank verstaat: deelneming aan een criminele organisatie) te onderbouwen. Dat het genoemde feit in Spanje geen betrekking heeft op de opgeëiste persoon doet daar niet aan af. De Italiaanse justitiële autoriteiten hebben namelijk ten aanzien van de opgeëiste persoon expliciet meegedeeld dat de opgeëiste persoon voor de poging tot moord in Nederland en Spanje niet kan worden vervolgd, omdat deze feiten niet (deels) in Italië hebben plaatsgevonden. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW doet zich niet voor.
7. Artikel 11 OLW
Detentieomstandigheden
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB in verband met de detentieomstandigheden in Italië. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over waar de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden, de persoonlijke leefruimte in de cel, de activiteiten buiten de cel, het gevangenisregime waar hij in terecht zal komen en de zorg voor mentale klachten. Ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat gevaar van een schending van grondrechten voor gedetineerden in Italië vanwege de overbevolking. De overige materiële detentieomstandigheden voldoen daarnaast niet om het gebrek aan persoonlijke celruimte te compenseren. De verdediging heeft hiertoe een rapport van de Garante Nazionale dei diritti delle persone private della libertà personale (GNPL) van 7 april 2026 overgelegd waaruit onder meer volgt dat het de gemiddelde nationale overbevolking 138% bedraagt. Daarnaast heeft de verdediging verwezen naar een rapport van het VN Comité tegen Foltering (het CAT) van april 2026 en naar de website van NGO Antigone, ten aanzien van de materiële detentieomstandigheden en zelfmoordpogingen in de Italiaanse gevangenissen. De opgeëiste persoon kampt namelijk al langere tijd met mentale klachten. De verdediging heeft gesteld dat volgens het CAT de psychische en psychiatrische zorg in gevangenissen ver ondermaats is.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen algemeen gevaar ten aanzien van de detentieomstandigheden in Italië is aangenomen. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor de overlevering. Het door de verdediging overgelegde rapport van GNPL vormt onvoldoende aanleiding om hiervan af te wijken.
Oordeel van de rechtbank
Bij uitspraak van 27 mei 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het tot dan toe aangenomen algemene gevaar, dat gedetineerden in (tien) penitentiaire inrichtingen in Italië aan een onmenselijke en vernederende behandeling werden blootgesteld, was weggenomen. De rechtbank had zich bij de vaststelling van dit gevaar gebaseerd op rapporten van Antigone. Nadien bleek echter dat deze organisatie bij de berekening van het aantal vierkante meters persoonlijke celruimte (exclusief sanitair) waarover gedetineerden beschikten, andere berekeningen aanhield (namelijk ook exclusief meubilair) dan de gebruikelijke, ook door de rechtbank gehanteerde en uit de arresten Muršić en Dorobantu voortvloeiende, methode om de persoonlijke celruimte in een meerpersonencel te berekenen waarover een gedetineerde kan beschikken, namelijk drie m² persoonlijke celruimte exclusief sanitaire voorzieningen maar inclusief meubilair. Een en ander betekende , aldus de rechtbank, dat volgens Antigone een gedetineerde over meer persoonlijke celruimte moet beschikken dan uit het Unierecht voortvloeide en dat daarom het eerder aangenomen reële gevaar, achteraf bezien, ten onrechte was gebaseerd op een dergelijke eis.
De rechtbank overweegt dat het door de verdediging overgelegde rapporten van GNPL en het CAT weliswaar wijzen op overbevolkingsproblemen in Italiaanse detentiecentra. Deze rapporten zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor de vaststelling dat er een algemeen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in Italië. Alhoewel de rechtbank niet twijfelt aan het overbevolkingspercentage, maakt dit naar haar oordeel geen verschil voor de beoordeling of het vastgestelde algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De rechtbank dient dit namelijk niet te beoordelen aan de hand van het percentage overbevolking in een penitentiaire inrichting, maar aan de hand van de criteria zoals die zijn opgenomen in het arrest Dorubantu.
Verder overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de overbevolking na de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank uit 2025 aanmerkelijk is toegenomen. In deze uitspraak is ook aandacht besteed aan het stijgende aantal zelfmoorden in de detentiecentra. De verdediging stelt verder dat volgens het CAT de psychische en psychiatrische zorg in gevangenissen ver ondermaats is. De passage in het rapport waarop zij zich beroept, luidt echter: “regard to psychological assistance in detention, the Committee is concerned that, according to information received, treatment for prisoners with mental health conditions is based predominantly on the distribution of medication, and that prisoners with mental health issues may be held in isolation or remain in prison for long periods awaiting transfer to residences for the execution of safety measures.” Die passage ondersteunt niet de algemene conclusie die de verdediging daaraan verbindt. Op grond van wat de verdediging heeft aangevoerd, kan daarom geen algemeen gevaar worden vastgesteld.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat, hoewel de rapporten zorgwekkende signalen bevatten, er geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in Italië voorhanden zijn op grond waarvan een algemeen gevaar kan worden aangenomen dat gedetineerden in Italië wegens overbevolking een reëel risico lopen om te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling.
De rechtbank verwerpt het verweer en ziet in het licht van het voorgaande ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen.
Artikel 11 OLW staat niet aan overlevering in de weg.
Artikel 8 EVRM ( family life )
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB omdat overlevering zou leiden tot een schending van het beschermde recht op gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over waar de opgeëiste persoon gedetineerd zal worden en de materiële omstandigheden aldaar.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het moeilijk kunnen opnemen van contact met familie niet aan de overlevering in de weg staat.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat overlevering, gelet op artikel 52, eerste lid, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, een toegestane beperking is van de uitoefening van het hiervoor genoemde recht. Vanwege de tijdelijke aard van de beperking is de verhouding tussen de belangen die overlevering beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, niet onevenredig. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden zal het familie- en gezinsleven van een opgeëiste persoon zwaarder wegen dan het legitieme doel dat met de overlevering wordt nagestreefd. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval niet gebleken. Het verweer wordt dan ook verworpen.
8. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW
Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren en stelt zich op het volgende standpunt. De pleegperiode van het in het EAB vermelde feit sluit direct aan op de verdenking in Nederland, zodat de gedragingen van de opgeëiste persoon in die periode nauw samenhangen met hetgeen in Nederland zou hebben plaatsgevonden. Vanuit het oogpunt van een goede rechtsbedeling, bevindt daarom juist Nederland zich in de meest adequate positie om de opgeëiste persoon te vervolgen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter de facultatieve weigeringsgrond is ervoor te zorgen dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd door die rechterlijke autoriteit – uitvaardigend of uitvoerend – die zich vanuit het oogpunt van een goede strafrechtsbedeling in de meest adequate positie bevindt;
- voor het overige beoogt deze facultatieve weigeringsgrond te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank moet bij haar beoordeling rekening houden met de omstandigheden van het geval, zoals:
De rechtbank stelt vast dat gelet op de door de officier van justitie aangevoerde omstandigheden het gegeven dat het feit geacht wordt geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen. Wat de verdediging heeft aangevoerd, is onvoldoende voor de rechtbank om tot een ander oordeel te komen.
9. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
10. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
11. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Tribunale Ordinario di Catanzaro – Sezione GIP/GUP (Ordinary Lawcourt of Catanzaro – Chambers of the investigating judge/judge of preliminary hearing), Italië, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. L. Sanders, voorzitter,
mrs. A.B.M. Wijnveldt en M. Speksnijder, rechters,
in tegenwoordigheid van B.C.M. Burger, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 september 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.