ECLI:NL:RBAMS:2026:10140

ECLI:NL:RBAMS:2026:10140

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 15-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 71/236910-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte is – conform procesafspraken – veroordeeld tot een gevangenisstraf van 44 maanden voor de handel in vuurwapens en cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 71/236910-22

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [woonplaats]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. Z. Trokic, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. O.E. de Jong, naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van een tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gesloten overeenkomst van 16 september 2026, waarin door hen gemaakte procesafspraken zijn neergelegd.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het

1. medeplegen van het overdragen en/of voorhanden hebben van vuurwapens in of omstreeks de periode van 31 maart 2020 tot en met 13 mei 2020;

2. voorhanden hebben van vuurwapens en munitie in of omstreeks de periode van 31 maart 2020 tot en met 14 september 2022;

3. medeplegen van opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van in totaal 751 kilogram cocaïne in of omstreeks de periode van 22 februari 2021 tot en met 4 juli 2022;

4. opzettelijk aanwezig hebben van 40 kilogram cocaïne op of omstreeks 4 september 2020;

De volledige tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Procesafspraken

Totstandkoming procesafspraken

Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn tot een overeenkomst gekomen waarin door hen gemaakte procesafspraken zijn neergelegd. Deze overeenkomst dateert van 16 september 2026 en is ook op die datum aan de rechtbank toegezonden per e-mail.

De overeenkomst inclusief bijlage is als bijlage II aan dit vonnis gehecht en de inhoud geldt als hier ingevoegd.

Overeengekomen procesafspraken

In de procesafspraken staat onder meer vermeld dat het Openbaar Ministerie en de verdediging door het maken van de procesafspraken beogen de behandeling van de strafzaak zo efficiënt mogelijk te maken. Ook is opgenomen dat tijdens het maken van de afspraken uitdrukkelijk rekening is gehouden met de eisen van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn in de procesafspraken, zakelijk weergegeven, overeengekomen dat:

de verdachte in het kader van deze overeenkomst

afziet van het indienen van onderzoekswensen;

geen ontvankelijkheids-, bewijs-, kwalificatie- of strafmaatverweren voert;

geen (nadere) verklaring hoeft af te leggen;

zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;

het Openbaar Ministerie in het kader van deze overeenkomst ter terechtzitting:

zal rekwireren tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 en 4, zoals weergegeven in de overeenkomst;

een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf van 44 maanden zal vorderen.

Het Openbaar Ministerie en de verdediging zien af van hoger beroep als de bewezenverklaring en de strafoplegging in overeenstemming met de procesafspraken plaatsvindt.

Beoordeling procesafspraken

De rechter kan alleen acht slaan op een door het Openbaar Ministerie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 EVRM stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang, omdat in een afdoeningsvoorstel de verdachte in de regel afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.

De rechtbank heeft de procesafspraken op de terechtzitting van 1 oktober 2026 met verdachte besproken, terwijl hij werd bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij de procesafspraken met zijn raadsman heeft doorgesproken en dat hij begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden. De rechtbank heeft op de terechtzitting de gevolgen van de procesafspraken met hem besproken en de rechtspositie van verdachte concreet aan de orde gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte – die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door een advocaat – vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie, en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van vergewist dat verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.

4. Bewijs en bewezenverklaring

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich - overeenkomstig de procesafspraken - op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2, 3 en 4 kunnen worden bewezen, met dien verstande dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 genoemde voorhanden hebben van een M16 en een AR15 (eerste twee gedachtestreepjes) omdat de M16 uit feit 1 en de M16 en AR15 uit feit 2 zijn te identificeren als het zelfde vuurwapen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - overeenkomstig de procesafspraken - geen bewijsverweren gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan zoals hierna weergegeven, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1

in de periode van 31 maart 2020 tot en met 13 mei 2020 te Spijkenisse, Rotterdam, Tilburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten

- omstreeks 12/13 mei 2020 een automatisch geweer van het merk Colt, type

M16 (zaaksdossier I, p. 36 e.v./p. 150), en

vuurwapens als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- omstreeks de periode van 31 maart 2020 tot en met 2 april 2020 een pistool van het merk Heckler & Koch, type P8 (zaaksdossier I, p. 19 e.v./p. 152) en

- omstreeks 12 april 2020 een pistool, van het merk STI Grand Master (kaliber .38 Super) (zaaksdossier I, p. 31 e.v./p. 154),

althans hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor voornoemde wapens en/of essentiële onderdelen van vuurwapens en/of onderdelen van wapens die van wezenlijke aard zijn,

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;

2

in de periode van 31 maart 2020 tot en met 14 september 2022 te Rotterdam, Spijkenisse en/of elders in Nederland,

vuurwapens als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten

- omstreeks 10 mei 2022 een (semi)automatisch machinegeweer, van het merk Heckler & Koch, type/model MP5 (zaaksdossier I, p. 300/p. 311), en

- omstreeks 14 september 2022 een automatisch geweer, van het merk Česká Zbrojovka (CZ), type Scorpion Evo 3 (zaaksdossier I, p. 82/p. 356), envuurwapens als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- omstreeks de periode van 14 augustus 2022 tot en met 14 september 2022 drie pistolen, van het merk Glock, type 17 (p. 82/p. 331/p. 351 e.v.),

althans hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor voornoemde wapens en/of essentiële onderdelen van vuurwapens en/of onderdelen van wapens die van wezenlijke aard zijn,

en

munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2, categorie II onder 1 van de Wet wapens en

munitie, te weten

- omstreeks 5 februari 2021 120 stuks patronen bestemd voor een AK-aanvalsgeweer (zaaksdossier I, p. 74 e.v./p. 193),

voorhanden heeft gehad;

3

omstreeks de periode van 22 februari 2021 tot en met 4 juli 2022 te Amsterdam, IJmuiden en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht

- in de periode van 22 februari 2021 tot en met 9 maart 2021 ongeveer 582 kilogram cocaïne (zaaksdossier II) en

- in de periode van 13 juni 2022 tot en met 4 juli 2022 ongeveer 169 kilogram cocaïne (zaaksdossier III),

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4

op 4 september 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 40 kilogram cocaïne (zaaksdossier II), zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - in overeenstemming met de procesafspraken - gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 44 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft - in overeenstemming met de procesafspraken - geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer twee jaar schuldig gemaakt aan de handel in (zware) vuurwapens en grote hoeveelheden cocaïne. Verdachte had hierin een leidende, sturende en organiserende rol. Daarbij werd op georganiseerde wijze samengewerkt met anderen en professioneel te werk gegaan door onder meer het gebruik van versleutelde communicatie door middel van Sky-ECC en Encrochat. De handel in vuurwapens en drugs hebben een grote ontwrichtende invloed op de samenleving, zowel op het gebied van gezondheid en welzijn als de veiligheid. Met zijn handelen faciliteerde verdachte zware criminaliteit en bracht hij de openbare veiligheid ernstig in gevaar.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 10 augustus 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Ook volgt hieruit dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van toepassing is, zoals hierna nog nader wordt toegelicht.

Afdoeningsvoorstel en strafoplegging

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het afdoeningsvoorstel. Uit de procesafspraken blijkt dat de officier van justitie zonder procesafspraken een gevangenisstraf had gevorderd van 66 maanden (5,5 jaar). De officier van justitie heeft op de zitting toegelicht dat daarbij rekening is gehouden met de recente veroordeling van verdachte in onderzoek Stuiver. Die veroordeling heeft tot gevolg dat in deze strafzaak artikel 63 Sr van toepassing is. Indien de onderhavige zaak gelijktijdig met onderzoek Stuiver zou zijn behandeld, dan zou het Openbaar Ministerie een gevangenisstraf van in totaal 10 jaar passend hebben gevonden. Dat komt volgens de officier van justitie neer op een gevangenisstraf van 5,5 jaar in deze zaak. Bij de beslissing om hiervan in matigende zin af te wijken weegt mee dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer 1 jaar en 10 maanden. De redelijke termijn in deze zaak is namelijk aangevangen op 29 november 2022 en is daarmee verstreken op 29 november 2024. Daarnaast weegt bij de uiteindelijk overeengekomen strafeis, met het oog op de omvang van de te verwachten onderzoekshandelingen, ook mee de constructieve houding van verdachte om deze strafzaak efficiënt af te wikkelen.

De rechtbank is van oordeel dat het afdoeningsvoorstel met daarbij de strafkorting, gegeven de voornoemde omstandigheden, in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak. Het voorstel dient bovendien niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling, maar ook een effectieve afdoening van de zaak. De op te leggen straf kan, vanwege het afzien van hoger beroep bij strafoplegging conform het voorstel, onmiddellijk ten uitvoer worden gelegd. Het voorstel doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.

Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte - overeenkomstig de procesafspraken - op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 44 maanden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 55, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1

eendaadse samenloop van

medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II

en

eendaadse samenloop van

medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit gepleegd met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 3

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 44 (vierenveertig) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. A. Ş. Doğan en C.S. Groefsema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.A. Overbosch

Griffier

  • mr. J.A. Baaijens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand