RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-157622-26
Datum uitspraak: 23 september 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 8 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 16 april 2026 door het Amtsgericht Krefeld, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 september 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van het recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van het Amtsgericht Krefeld, van 2 september 2019, met referentie: 25 Ls-3 Js 576/18-10/19.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Duitsland. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren en zes maanden minus één dag. Deze veroordeling ziet op de feiten die zijn omschreven in het EAB.
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB niet genoegzaam is, omdat het onderliggende vonnis ontbreekt bij de stukken. Op grond hiervan dient het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot behandeling van het EAB. Ter onderbouwing verwijst de raadsman naar de uitspraak van deze rechtbank van 16 april 2024, ECLI:RBAMS:2026:3812.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Volgens de officier van justitie is het niet verplicht om het onderliggende vonnis over te leggen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het EAB in deze zaak genoegzaam is. In artikel 2 OLW is duidelijk bepaald aan welke vereisten een EAB moet voldoen en welke gegevens het moet bevatten. De enkele vermelding van een onderliggend vonnis is in dit verband voldoende. Een afschrift van dat vonnis is op grond van artikel 2, tweede lid, onder c, OLW dan ook niet vereist. Uit de door de raadsman aangehaalde uitspraak kan niets anders worden afgeleid dan dat aan het EAB een rechterlijke beslissing (in dat geval een nationaal aanhoudingsbevel) ten grondslag moet liggen en dat het EAB het bestaan van die beslissing moet vermelden. De rechtbank verwerpt daarom het verweer. Artikel 2 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.
Oordeel van de rechtbank
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
5. Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzetaanranding;
mishandeling;
poging tot diefstal.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 241, 300 en 310 Wetboek van Strafrecht, 2, 5 en 7 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Krefeld (Duitsland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. L. Sanders, voorzitter,
mrs. A.B.M. Wijnveldt en M. Speksnijder, rechters,
in tegenwoordigheid van B.C.M. Burger, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 september 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.