ECLI:NL:RBAMS:2026:10170

ECLI:NL:RBAMS:2026:10170

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 15-10-2026
Zaaknummer AMS 26/5846
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Voorlopige voorziening, noodopvang, niet voldaan aan bindingseis, belangenafweging, belangen van de kinderen, IVRK, inwoning, afwijzing voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/5846

(gemachtigde: mr. B. Blanckenburg),

en

(gemachtigde: mr. H. Kras).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor noodopvang. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat de belangenafweging in het nadeel van verzoekster uitvalt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor noodopvang. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 14 augustus 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen op 21 september 2026 bezwaar gemaakt en op 29 september 2026 de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, J. Mazor als tolk Spaans en de gemachtigde van het college.

Ter zitting heeft verzoekster, voor zover nodig, gevraagd om een ordemaatregel, inhoudende plaatsing in de noodopvang, voor de periode van 16 oktober 2026 tot aan de uitspraak in deze voorlopige voorzieningenprocedure.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Verzoekster heeft de Dominicaanse nationaliteit. Zij heeft met haar Nederlandse partner, de vader van de kinderen (hierna: vader), twee minderjarige kinderen: een zoon van drie jaar en een dochter van zeven jaar oud. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Vader en verzoekster zijn ongeveer tien jaar geleden getrouwd en vader reisde regelmatig naar de Dominicaanse Republiek. Sinds een aantal jaar zit vader in detentie en kan hij daardoor niet meer naar de Dominicaanse Republiek reizen. Verzoekster heeft, in overleg met vader, besloten om in september 2025 naar Nederland te komen. De reden daarvoor is dat de dochter haar vader erg miste. Vader heeft bepaalde vrijheden in de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) waardoor hij in Nederland drie keer per week zijn kinderen kan zien. Na aankomst in Nederland is verzoekster met de kinderen aanvankelijk ingetrokken bij de grootmoeder van vader. Ze konden daar echter niet blijven omdat dit een seniorenwoning betreft. Verzoekster is daarom in het voorjaar van 2026 bij de moeder van vader (hierna: schoonmoeder) ingetrokken. De dochter van verzoekster zit op school en haar zoon gaat drie dagen per week naar de opvang in Amsterdam.

4. Verzoekster heeft bij de aanvraag aangegeven nog steeds bij haar schoonmoeder te verblijven, maar dat er sprake is van steeds meer oplopende spanningen. Verzoekster voert aan dat zij overdag dakloos is omdat zij geen sleutel heeft van de woning, waardoor zij en haar twee kinderen vaak lange tijd buiten moeten wachten tot haar schoonmoeder weer thuis is. Inmiddels heeft de schoonmoeder hangende deze procedure aangegeven dat verzoekster en haar kinderen tot uiterlijk 15 oktober 2026 in haar woning kunnen blijven. Volgens verzoekster staat zij daarna met haar kinderen op straat en heeft zijn geen andere plek om naar toe te gaan. Verzoekster wil niet terug naar de Dominicaanse Republiek omdat haar financiële positie in Nederland beter is en zij hier een bestaan wil opbouwen. Verzoekster stelt dat met de verklaring van schoonmoeder is aangetoond dat er sprake is van dreigende dakloosheid en daarmee bestaat ook het gevaar van een uithuisplaatsing van de kinderen. Verzoekster moet daarom worden toegelaten tot de noodopvang. Daarnaast heeft het college volgens verzoekster onvoldoende onderzoek gedaan naar de situatie en zijn de belangen van de kinderen niet kenbaar meegewogen bij de afwijzing van de noodopvang waardoor het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.

5. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoekster niet voldoet aan de regiobindingseis en omdat zij bij haar schoonmoeder verblijft. Daarnaast heeft het college ter zitting erop gewezen dat verzoekster zonder goed plan naar Nederland is gekomen. Nu zij stelt hier geen verblijfplaats meer te hebben, dient zij te overwegen weer terug te gaan naar de Dominicaanse Republiek en eventueel terug te komen als vader uit de PI is en een woning heeft gevonden. Het college is bereid verzoekster hier financieel in te ondersteunen. Verder wijst het college erop dat verzoekster al maanden, en nog steeds, bij haar schoonmoeder verblijft en dat die omstandigheden nu plotseling lijken te zijn veranderd zonder dat het college dat heeft kunnen onderzoeken. De verklaring van de schoonmoeder dat zij verzoekster en haar kinderen niet meer wil opvangen is pas een dag voor de zitting overgelegd.

Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?

6. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen allereerst of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.

7. Noodopvang voor dakloze gezinnen is geen algemene voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, maar buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet toetsen of het college het beleid consistent heeft toegepast en of de fundamentele rechten van verzoekster niet zijn geschonden. Het college heeft in het beleid de toegang tot noodopvang beperkt tot Amsterdamse gezinnen die feitelijk acuut dak- en thuisloos zijn geworden. Het doel van de noodopvang is om deze Amsterdamse gezinnen een plek te geven van waaruit zij mogelijkheden voor een meer structurele oplossing kunnen zoeken. Zij krijgen opvang voor de maximale duur van drie maanden, indien zij aan de regiobindingseis voldoen en actief op zoek zijn naar woningen in of buiten Amsterdam. De regiobindingseis houdt in dat ieder lid van het gezin minstens vier jaar in Amsterdam moet hebben gewoond, dat wil zeggen ingeschreven zijn in de BRP. De achtergrond van de regiobindingseis is dat de noodopvang beschikbaar blijft voor mensen die een binding hebben met Amsterdam. Zo wordt voorkomen dat gezinnen de noodopvang gebruiken als een manier om zich te vestigen in Amsterdam. Niet in geschil is dat verzoekster en haar kinderen niet voldoen aan deze bindingseis. In die zin is het besluit in overeenstemming met het beleid en consistent toegepast.

8. De volgende vraag die dan beantwoord moet worden is of de fundamentele rechten van de kinderen voldoende zijn meegewogen in de besluitvorming. Verzoekster wijst hierbij onder andere naar de artikelen 3, 6, 9 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK). De voorzieningenrechter is van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit summier is en dat daarin de belangen van de kinderen niet kenbaar zijn betrokken, terwijl dit op grond van het IVRK wel had gemoeten. De besluitvorming bevat op dit punt een gebrek. In de beslissing op bezwaar kan dit gebrek echter worden hersteld en kan ook een evenredigheidstoets plaatsvinden. De gestelde onrechtmatigheid is dus geen reden voor toewijzing van de gevraagde voorziening.

Belangenafweging

9. De voorzieningenrechter zal ten slotte op grond van een belangenafweging beoordelen of er reden bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Het belang van het college is dat de beperkte mogelijkheden voor noodopvang in de gemeente Amsterdam eerlijk en volgens de regels moeten worden verdeeld. Bovendien gaat het hier om een voorziening op grond van buitenwettelijk begunstigend beleid die niet in elke gemeente aanwezig is, waarbij het risico bestaat van aanzuigende werking indien de bindingseis lichtzinnig ter zijde wordt geschoven. Ter zitting heeft het college toegelicht dat heel veel mensen zich melden zonder regiobinding en dat de gebruikelijke noodopvangvoorzieningen voor gezinnen al enige tijd vol zitten, net als de twee hotels die gebruikt worden als uitwijkmogelijkheid. De noodopvang is enkel bedoeld voor gevallen waarin er echt geen alternatieve onderdakmogelijkheden zijn.

10. Het belang van verzoekster is te voorkomen dat zij met haar jonge kinderen op straat moet slapen. De voorzieningenrechter betrekt daarbij niet de gestelde vrees dat de kinderen van verzoekster in geval van dakloosheid direct uithuisgeplaatst worden. Verzoekster heeft aangevoerd dat hiertoe zeker wordt overgegaan bij dakloosheid. Dit is echter een niet onderbouwde stelling die om die reden niet wordt gevolgd. Zoals ook is overwogen in de uitspraak waar verzoekster naar verwijst, volgt uit artikel 9 van het IVRK dat ouders en kinderen alleen van elkaar gescheiden worden indien daartoe een noodzaak bestaat in het belang van het kind. In dit geval is ook niet gebleken dat eiseres niet intrinsiek in staat is om verantwoordelijkheid te nemen voor (de huisvesting van) haarzelf en haar kinderen.

11. Een belangrijke vraag voor de beoordeling van de belangen is of verzoekster daadwerkelijk met haar kinderen op straat zal belanden. Deze vraag is nooit met zekerheid te beantwoorden maar de omstandigheden die hieromtrent naar voren zijn gebracht, weegt de voorzieningenrechter in het kader van de belangenafweging.

12. De voorzieningenrechter weegt in dit geval zwaar mee dat verzoekster en haar kinderen op dit moment verblijven bij schoonmoeder, een direct familielid, namelijk de oma van de kinderen. Daarbij weegt ook mee dat het contact tussen haar zoon en de kinderen de reden is dat verzoekster met de kinderen naar Nederland is gekomen. Verzoekster heeft wel een verklaring ingebracht van haar schoonmoeder van 7 oktober 2026 waarin schoonmoeder verklaart dat 15 oktober 2026 de laatste dag is waarop zij verzoekster en haar kinderen in haar woning wil laten verblijven. Uit de verklaring van de schoonmoeder blijkt dat zij het gezin tijdelijk onderdak heeft willen bieden, maar dit niet langer wil voortzetten in verband met gezondheidsklachten. De voorzieningenrechter neemt aan dat er gezondheidsklachten zijn, maar deze zijn niet zodanig geconcretiseerd dat daaruit is af te leiden dat een wijziging in de situatie zal optreden, waardoor het feitelijk niet meer mogelijk zal zijn om verzoekster en haar kinderen langer op te vangen. Ook is op de zitting niet duidelijk geworden waarop de uiterlijke datum van 15 oktober 2026 is gebaseerd. De schoonmoeder van verzoekster was bovendien niet op de zitting aanwezig om haar verklaring toe te lichten of om daarover vragen te beantwoorden. Verzoekster heeft hierover ter zitting toegelicht dat schoonmoeder het lawaai van de kinderen vervelend vindt en dat zij zich aan alles stoort. De voorzieningenrechter begrijpt dat er spanningen zijn in de woning door het lawaai van de kinderen en dat de onderlinge verhoudingen moeizaam zijn. Tegelijkertijd stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekster geen gebruik heeft gemaakt van de mediation mogelijkheid die nadrukkelijk door de GGD is geadviseerd en aangeboden om de spanningen te verbeteren.

13. De voorzieningenrechter betrekt bij de belangenafweging ook dat verzoekster pas ruim vijf weken na de afwijzing van haar aanvraag bezwaar heeft gemaakt en ruim een week later om een voorlopige voorziening heeft verzocht. Hoewel dit volgens de gemachtigde ook te wijten is aan drukte en andere zaken in zijn praktijk, wijst dat in ieder geval niet op een zodanig onhoudbare situatie dat het gezin niet in de woning van schoonmoeder kan blijven. In dat verband betrekt de voorzieningenrechter ook dat de verklaring van de schoonmoeder pas één dag voor de zitting is overgelegd. Voor zover verzoekster aangeeft dat zij geen sleutel heeft van de woning, en daarom vaak moet wachten tot zij naar binnen kan, is dit, hoewel het uiteraard zeer onwenselijk is, niet doorslaggevend, nu verzoekster en haar kinderen daarbij wel, in tegenstelling tot vele anderen, een dak boven hun hoofd hebben. De voorzieningenrechter weegt verder mee dat in het verslag van de GGD staat dat Stichting Profor verzoekster ondersteunt en dat zij hebben aangegeven dat het voor verzoekster positief is dat er ondersteuning is vanuit het eigen netwerk, mede omdat vader over een netwerk beschikt. Hoewel deze stelling verder niet concreet is gemaakt, komt deze van een professionele hulporganisatie en is het wel een indicatie voor mogelijk aanwezige alternatieven.

14. De voorzieningenrechter overweegt tot slot dat op dit moment niet is gebleken dat het niet goed gaat met de gezondheid en/of veiligheid van de kinderen. Weliswaar ligt er een verklaring van de leerkracht van de dochter van verzoekster, waarin staat dat zij meer in zichzelf gekeerd is en tijdens de les in slaap is gevallen, maar daarin staat ook dat zij zich met veel doorzettingsvermogen blijft inzetten op school en dat verzoekster goed voor de kinderen zorgt, zoals blijkt uit het feit dat de dochter er altijd verzorgd uitziet en met een gezonde gevulde broodtrommel naar school komt. De voorzieningenrechter begrijpt dat de woonsituatie verre van ideaal is voor de kinderen, maar er is niet gebleken, bijvoorbeeld met een medische verklaring, dat door de omstandigheden en de inwoning bij schoonmoeder de kinderen worden geschaad in hun ontwikkeling.

15. Concluderend acht de voorzieningenrechter het gelet op het geheel van omstandigheden van belang dat de verklaring van de schoonmoeder en de situatie daaromtrent nader wordt onderzocht. Het college heeft ter zitting aangegeven naar aanleiding van de verklaring graag met schoonmoeder in gesprek te willen gaan. Daarbij kan dan worden onderzocht of en waarom de situatie onhoudbaar is en waar de stelling op is gebaseerd dat verzoekster en haar kinderen daar niet langer zouden kunnen blijven. Meer concreet, waarom er niet kan worden gewacht op het onderzoek door het college in de bezwaarfase en de screening voor de maatschappelijke opvang. Nu met de verklaring van schoonmoeder op dit moment onvoldoende concreet is gemaakt waarom verzoekster en haar kinderen niet langer bij schoonmoeder kunnen blijven en het college dit niet heeft kunnen onderzoeken, valt de belangenafweging in het nadeel van verzoekster uit. Het belang van het college voor het toepassen van de bindingseis en om daarbuiten alleen noodopvang toe te kennen in uiterste noodgevallen weegt in dit geval zwaarder.

Conclusie en gevolgen

16. De conclusie is dat de belangenafweging in het nadeel van verzoekster en haar kinderen uitvalt en er daarom geen reden is om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Het college hoeft daarom niet per direct noodopvang te bieden. Het college is wel gehouden om de situatie in de bezwaarprocedure uitgebreid te onderzoeken, waaronder de situatie bij schoonmoeder en de mogelijkheden voor alternatieven in het netwerk van verzoekster of van vader. Het college dient daarbij ook de belangen van de kinderen goed in kaart te brengen.

17. Het college heeft ter zitting aangegeven dat het onderzoek op korte termijn mogelijk is, evenals een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter geeft partijen daarom mee om zo spoedig mogelijk met elkaar in gesprek te gaan en het onderzoek uit te voeren.

18. Omdat de datum van deze uitspraak vóór 15 oktober 2026 ligt, is er geen reden om te beslissen op het voorwaardelijke verzoek om een ordemaatregel.

19. Bij deze stand van zaken is er geen aanleiding om een proceskostenveroordeling toe te kennen of het griffierecht te vergoeden. Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van der Kroft, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N. van der Kroft

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand