ECLI:NL:RBAMS:2026:10214

ECLI:NL:RBAMS:2026:10214

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 19-10-2026
Datum publicatie 16-10-2026
Zaaknummer C/13/794028 / KG ZA 26-826 LV/GR
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Een leerling van het Fons Vitae Lyceum hoeft niet te worden toegelaten tot havo 2.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter

Zaaknummer: C/13/794028 / KG ZA 26-826 LV/GR

Vonnis in kort geding van 19 oktober 2026

in de zaak van

[eisende partij] ,

te [woonplaats] ,

eisende partij bij dagvaarding van 25 september 2026,

voor zichzelf en in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige] ,

hierna te noemen: de moeder en [minderjarige] ,

advocaat: mr. W.D. Berkhout,

tegen

de stichting

STICHTING V.O. AMSTERDAM-ZUID,

te Amsterdam,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de school,

verschenen bij [naam rector] (rector).

1. De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 5 oktober 2026 heeft de moeder de dagvaarding toegelicht. De school heeft verweer gevoerd aan de hand van een vooraf ingediend verweerschrift (conclusie van antwoord). Beide partijen hebben producties in het geding gebracht, en de moeder ook een pleitnota.

Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:aan de zijde van de moeder: de moeder, [minderjarige] , [naam 1] en [naam 2] . en [naam 3] met mr. Berkhout;

aan de zijde van de school: [naam rector] (rector), [naam 4] (afdelingsleider) en [naam 5] (ondersteuning coördinator) met gemachtigde mr. E.R. Koster.

Na verder debat is vonnis bepaald op 19 oktober 2026.

2. De feiten

De moeder heeft een dertienjarige zoon genaamd ‘ [minderjarige] ’. [minderjarige] woont samen met zijn moeder en zijn oma. Bij [minderjarige] thuis wordt Engels en Nederlands gesproken. De moeder van [minderjarige] is Franstalig.

[minderjarige] heeft in groep 8 een havoadvies gekregen. In het betreffende adviesrapport valt te lezen dat zijn basisschool ervan uitging dat [minderjarige] havo aan zou kunnen, “mits hij voldoende ondersteuning krijgt op het gebied van taal.” Daarbij is de moeder door de basisschool “aangeraden [minderjarige] in te schrijven op een scholengemeenschap zodat hij in alle rust kan kijken wat het best bij hem past. […] [minderjarige] heeft intensieve begeleiding op het gebied van taal nodig.”

De moeder heeft voor het schooljaar 2025/2026 (hierna: het schooljaar) een hardheidsclausuleaanvraag gedaan bij het Fons Vitae Lyceum in Amsterdam (onderdeel van de school; hierna ook: ‘het Fons Vitae’). Op 13 maart 2025 heeft de school de moeder als volgt aangeschreven.

Beste Mevr. [eisende partij] ,

[…]

Hartelijk dank voor uw hardheidsclausule aanvraag bij het Fons vitae lyceum.

Uw aanvraag is in goed orde ontvangen.

Helaas moet ik u via deze mail laten weten dat wij de aanvraag niet gaan honoreren.

We kunnen ons voorstellen dat jullie met enige zorg een geschikte middelbare school voor jullie zoon zoeken,

maar wij hebben andere verzoeken binnengekregen die wat ons betreft een hogere urgentie kennen voor wat betreft de toekenning van de hardheidsclausule.

Daar komt bij dat "taal" een onderdeel is waar wij als school nog in de ontwikkeling zitten voor een breed taal beleid wat juist meer aandacht behoeft.

Via deze weg wens ik jullie veel succes in het keuzeproces en hoop ik dat [minderjarige] een plek op een passende school zal krijgen! Dat kan ook onze school zijn via de matching.

[minderjarige] is via de reguliere centrale loting aan het Fons Vitae toegewezen en is daar het schooljaar in brugklas één havo/vwo gestart.

In december 2025 onderging [minderjarige] oma een hartklepoperatie. Tijdens een van de IC- opnames is [minderjarige] aanwezig geweest. In verband met complicaties volgde er in maart 2026 opnieuw een ziekenhuisopname van oma.

Omdat de resultaten van [minderjarige] niet voldoende waren om op het lyceum te blijven, heeft de klassenmentor van [minderjarige] de moeder op 8 januari 2026 als volgt bericht.

[…] Please dont forget to investigate schools that offer vmbo-t education and keep me posted on developments with this.

I will discuss the language issue with my colleagues from the zorgteam and the Dutch teacher to collect information about what kind of support we could offer or suggest. […]

De moeder heeft [minderjarige] klassenmentor diezelfde dag geantwoord:

[minderjarige] already receives sufficient support at home through an external teacher, and we are closely involved in his planning and study structure. For now, we therefore do not see a need for involvement of the zorgteam or additional Dutch support at school.

Bij e-mailbericht van 14 april 2026 heeft de moeder bij de school haar zorgen geuit over het pestgedrag van twee medeleerlingen van [minderjarige] .

Op 15 april 2026 heeft de school een Ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) aan de moeder voorgelegd, als kernbehoefte wordt daarin vermeld [minderjarige] Nederlandse taalverwerving en -vaardigheid. De samenvattende analyse in het OPP luidt als volgt.

We zien dat [minderjarige] graag de havo zou willen doen en heeft dat vanaf het begin van het jaar ook nagestreefd. De cito-scores aan de start van het jaar en resultaten voor vakken in de loop van het jaar laten een beeld zien dat de havo voor [minderjarige] op dit moment cognitief niet haalbaar is. Daarom is het advies een overstap te maken naar een school met vmbo-t.

[minderjarige] heeft het schooljaar in brugklas één havo/vwo volledig doorlopen. De school heeft [minderjarige] niet bevorderd naar twee havo. [minderjarige] heeft op zijn eindlijst vier onvoldoendes, waarvan twee onvoldoendes voor de kernvakken Nederlands (5,0) en Wiskunde (4,8), en nog twee andere onvoldoendes voor Geschiedenis (4,9) en Muziek (5,1). In de overgangsnormen, die gepubliceerd zijn in de schoolgids, is opgenomen dat een leerling met vier onvoldoendes wordt bevorderd naar twee vmbo en deze leerling geen bespreekgeval is. Het Fons Vitae heeft geen vmbo afdeling. In de schoolgids is tevens opgenomen dat doubleren in het eerste jaar niet mogelijk is.

Op 25 juni 2026 heeft de school besloten dat [minderjarige] van het Fons Vitae af moet.

De moeder heeft op 29 juni 2026 een omvangrijk revisieverzoek bij de school ingediend. Op 30 juni 2026 heeft de school de moeder als volgt bericht.

Beste mevrouw [eisende partij] ,

Uw revisie verzoek is in goede orde ontvangen. Tegelijkertijd zullen we, los hiervan, een school moeten regelen voor [minderjarige] , in het geval hij niet op het Fons Vitae kan blijven, afwachtende de uitslag van uw revisieverzoek. Vandaar deze mail.

Gisteren hebben wij op de plaatsingstafel gevraagd welke scholen nog een passende plek hebben voor leerlingen die meertalig zijn en extra taalondersteuning nodig hebben.

Er is een school waarvan wij denken dat dit heel passend kan zijn voor [minderjarige] . Het betreft [naam internationale school] . (De Nieuwe Internationale School). […]

Zij hebben nog plek in leerjaar 2. Als u hiervoor toestemming geeft kan ik zijn dossier aan hen doorsturen. […]

Ik zet de leerplichtambtenaar in de cc van deze mail aangezien jullie op eerdere verzoeken tot inschrijven op een andere school geen gehoor hebben gegeven en we nu in een stadium zitten waarin jullie wel dienen te acteren. Ongeacht de uitkomst van het revisieverzoek.

Ik hoor graag of ik het dossier van [minderjarige] kan doorsturen.

De school heeft het revisieverzoek van de moeder op 1 juli 2026 ongegrond verklaard met daarbij het verzoek aan de moeder:

[ …] om het unanieme professionele oordeel van 12 docenten te horen en met [minderjarige] vooruit te kijken naar en nieuwe school waar hij goed tot zijn recht komt in 2vmbo-t.

Bij brief van 3 augustus 2026 heeft (de gemachtigde van) de school aan (de advocaat van) de moeder onder meer het volgende bericht:

Het Fons Vitae wil dat iedere leerling op zijn of haar niveau presteert. Soms kan dat ook de in eerste instantie niet gewenste of gehoopte conclusie zijn dat een leerling op vmbo-niveau beter af is dan op havo-niveau. Bij [minderjarige] heeft het Fons Vitae gezien dat hij in lastige omstandigheden hard gewerkt heeft en hij enorm zijn best heeft gedaan. Tegelijkertijd constateren de docenten ook dat [minderjarige] zijn punten vooral behaalt op leervragen en weinig punten behaalt op inzichtvragen. Over het algemeen verbetert dat niet wezenlijk wanneer een leerling met betere persoonlijke omstandigheden van doen heeft. […]

De beslissing om [minderjarige] niet over te laten gaan, is gebaseerd op een totaalplaatje van behaalde cijfers,

het matig scoren op inzichtvragen, de indruk die docenten hebben hoe informatie tijdens de les verwerkt

wordt en dergelijke. Daarbij is er de oprechte overtuiging dat [minderjarige] meer gebaat is bij het volgen van

vmbo-onderwijs dan nu op zijn tenen lopend het havo-onderwijs te volgen. De kans op doubleren en uitval is dan veel groter. School is bij uitstek deskundig om in te kunnen schatten waar een leerling het beste tot zijn recht kan komen.

[minderjarige] is na de zomervakantie weer op het Fons Vitae verschenen.

Vanaf eind augustus tot 22 september 2026 verbleef [minderjarige] halve dagen op school in een zogenoemde trajectvoorziening. Daarbij zat hij niet in de klas bij andere leerlingen en maakte hij door de school verstrekte opdrachten onder begeleiding van een medewerker.

Op 22 september 2026 heeft de school een definitief verwijderingsbesluit in de zin van artikel 8.15 Wet voortgezet onderwijs 2020 (Wvo) genomen. Het besluit vermeldt dat de moeder en [minderjarige] op 26 augustus, respectievelijk 28 augustus 2026 zijn gehoord, dat op 31 augustus 2026 een schriftelijke zienswijze is ingediend en dat overleg met de Inspectie van het Onderwijs heeft plaatsgevonden op zowel 19 en 20 augustus 2026 als op 15 september 2026. Het verwijderingsbesluit noemt ‘ [naam internationale school] ’ als alternatieve school.

3. Het geschil

De moeder vordert – samengevat – bij vonnis:

primair

I. de school te veroordelen [minderjarige] binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis toe te laten tot de school en tot het onderwijs in 2 havo;

subsidiair

II. de school te bevelen [minderjarige] binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis

voorlopig toe te laten tot 2 havo, voor de duur van een proefperiode die ten minste voortduurt tot na afronding van Toetsweek 2 van het schooljaar 2026-2027, met

verstrekking van de daarbij benodigde boeken, roostertoegang, Magistertoegang, een deugdelijk Ontwikkelingsperspectiefplan, taalondersteuning en inhaalmogelijkheden voor gemiste stof, waarbij beëindiging van deze proefplaatsing slechts kan plaatsvinden op grond van objectieve, vooraf kenbaar gemaakte criteria en na een nieuwe, zorgvuldige procedure;

meer subsidiair

III. de school te veroordelen [minderjarige] binnen drie werkdagen na betekening van dit

vonnis, in afwijking van haar reguliere beleid, alsnog toe te laten tot herhaling van het eerste leerjaar havo/vwo, met een deugdelijk Ontwikkelingsperspectiefplan en taalondersteuning;

nog meer subsidiair

IV. de school te verbieden [minderjarige] uit te schrijven uit haar leerlingenadministratie, of hem anderszins de toegang tot de school te ontzeggen, zolang niet is voldaan aan de eisen van artikel 8.15 Wvo, waaronder de eis dat een concrete, passende alternatieve onderwijsplaats daadwerkelijk beschikbaar is;

zowel primair als ((nog) meer) subsidiair

V. de school te bevelen schriftelijk te bevestigen welke persoonsgegevens van [minderjarige] worden verwerkt, en inzage te verlenen en een volledige kopie te verstrekken van al zijn persoonsgegevens, waaronder het leerlingdossier, de cijferadministratie, de toetsregistraties en de relevante correspondentie, alsmede de overige informatie als bedoeld in artikel 15 lid 1 AVG; en

VI. de school te veroordelen afschrift te verstrekken van alle door [minderjarige] in Toetsweek 2 en Toetsweek 3 van schooljaar 2025-2026 gemaakte toetsen, inclusief de bijbehorende beoordelingsmodellen, normeringen en het toetsrooster; en

VII. de school te veroordelen om de volledige, desgewenst geanonimiseerde, notulen en stemuitslagen te verstrekken van de docentenvergadering van 25 juni 2026 en de revisievergadering van 1 juli 2026;

een en ander op straffe van een dwangsom; en (VIII) met veroordeling van de school in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.

De moeder maakt de school een veelheid aan verwijten, maar in de kern komen haar stellingen erop neer dat de school [minderjarige] heeft aangenomen in de wetenschap dat zijn beheersing van de Nederlandse taal nog niet voldoende was, zonder hem daarbij vervolgens voldoende te begeleiden. In het verlengde daarvan heeft de school, in strijd met artikel 2.44 Wvo, het OPP veel te laat aan haar en [minderjarige] voorgelegd. Daarnaast heeft [minderjarige] op persoonlijk vlak een behoorlijk zwaar jaar achter de rug, met onder andere een opname van zijn oma op de IC en pestgedrag van medeleerlingen. Dit alles heeft ertoe geleid dat [minderjarige] de cijfers die nodig zijn om over te gaan naar twee havo niet heeft behaald. Bij één op één (thuis)onderwijs en uit diverse tests door externe organisaties blijkt dat [minderjarige] de havo aankan. Nu de school verwijtbaar heeft gehandeld, moet zij er daarom voor zorgen dat [minderjarige] alsnog naar twee havo kan.

De school voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Bij de beoordeling van de gevraagde voorzieningen staat voorop dat de voorzieningenrechter zich terughoudend dient op te stellen wat de juistheid en geldigheid van de beslissing (van de docentenvergadering) van de school betreft om [minderjarige] niet te bevorderen naar twee havo.

Er is alleen dan plaats voor ingrijpen door de voorzieningenrechter als die beslissing overduidelijk onjuist of onbegrijpelijk dan wel onzorgvuldig genomen is, in die zin dat de docentenvergadering in redelijkheid niet tot deze beslissing had kunnen komen.

Het standpunt van de moeder dat de docentenvergadering in redelijkheid niet tot de beslissing heeft kunnen komen dat [minderjarige] niet wordt bevorderd naar twee havo, wordt niet gevolgd. Dit wordt als volgt nader toegelicht.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat (de docentenvergadering van) de school de eigen overgangsnormen in acht heeft genomen bij haar beslissing om [minderjarige] niet te bevorderen naar twee havo (zie 2.10 en 2.14). Het algemene beeld is dat [minderjarige] gemiddeld cijfers tussen de 5,5 en 6,0 haalt. Niet valt uit te sluiten dat dat beeld met een bepaalde herkansing op een gunstig moment nog kan worden geflatteerd, maar dat maakt het basisniveau dat [minderjarige] volgens de school het afgelopen jaar heeft laten zien en dat op een professioneel en unaniem oordeel van twaalf docenten berust, niet anders. Daarbij heeft de school toegelicht dat het oordeel van de docenten niet uitsluitend is gebaseerd op cijfers, maar ook op observaties in de klas van zaken als het werktempo, het getoonde begrip van de lesstof en de snelheid waarmee nieuwe kennis wordt verworven.

voldoende begeleiding en ontwikkelingsperspectief

Moeder verwijt de school dat zij [minderjarige] onvoldoende heeft begeleid bij zijn taalachterstand en dat dit een negatieve invloed heeft gehad op zijn prestaties. Omdat de school nalatig is geweest had zij niet mogen besluiten [minderjarige] niet te bevorderen naar twee havo. De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee. Met het niet honoreren van de aanvraag voor de hardheidsclausule (zie 2.3) heeft de school voor de aanvang van het schooljaar te kennen gegeven, zij het dan impliciet, dat het voor het Fons Vitae lastig zal zijn [minderjarige] passend onderwijs aan te bieden, gelet op zijn taalachterstand. De moeder was zich bewust, althans had dat moeten zijn, van het feit dat [minderjarige] op school wellicht niet de taalondersteuning zou kunnen krijgen die hij nodig had. Toch is er voor het Fons Vitae gekozen. De moeder verwijt de school desalniettemin dat zij bij aanvang van het schooljaar geen Ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) in de zin van artikel 2.44 Wvo heeft vastgesteld voor [minderjarige] Nederlandse taalverwerving. De school heeft aangevoerd dat zij daar op dat moment nog geen aanleiding toe zag en dat is gezien het voorgaande niet onbegrijpelijk.

Na het eerste half jaar heeft [minderjarige] klassenmentor de moeder in januari 2026 geadviseerd alvast onderzoek te doen naar scholen die vmbo-t-onderwijs aanbieden en verder aangekondigd haar te zullen informeren over welke ondersteuning de school nog kan bieden of adviseren. De moeder heeft daarop te kennen gegeven dat [minderjarige] thuis al voldoende ondersteuning kreeg en dat extra ondersteuning in Nederlands op school daarom niet nodig was. De moeder heeft met voormeld bericht extra ondersteuning vanuit school afgehouden. Dat er op dat moment geen OPP is opgesteld is niet onbegrijpelijk, maar ook de school erkent dat het achteraf gezien beter was geweest als de school begin januari 2026 wel een OPP had voorgelegd. Dit maakt evenwel niet dat de school zodanig tekort is geschoten dat de school kan worden verplicht [minderjarige] te bevorderen naar twee havo, dan wel hem de brugklas over te laten doen.

De voorzieningenrechter is verder voorshands van oordeel dat uit het dossier genoegzaam blijkt dat de school [minderjarige] voldoende begeleiding en ondersteuning heeft geboden. Dit blijkt niet alleen uit de bevestiging van de moeder begin januari 2026 dat [minderjarige] zich “safe, comfortable, and motivated at school” voelt, maar vooral uit de grote hoeveelheid app- en mailberichten waarin de individuele vakdocenten [minderjarige] en de moeder met bovengemiddelde geduldig- en zorgvuldigheid ter wille zijn met allerhande vragen en verzoeken met betrekking tot toetsen, extra oefenmateriaal, tijdverlenging, herkansingen, nakijkperikelen, nadere uitleg, afwezigheid door ziekte en andere persoonlijke omstandigheden. Dat de school heeft erkend een van de toezeggingen (een pakket Nederlandse woordenschatoefeningen) niet te zijn nagekomen, betekent niet dat de school bij de begeleiding als geheel tekort is geschoten.

pestincidenten

De moeder stelt dat de school bij haar beslissing om [minderjarige] niet te bevorderen naar twee havo onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat [minderjarige] werd gepest en dat dit een negatieve invloed had op zijn prestaties. De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee. Uit de stukken blijkt dat de school adequaat op de melding over het pesten heeft gereageerd. Naar aanleiding van het door de moeder gemelde pestincident heeft de school een terugkoppeling gegeven, met daarin een uiteenzetting van de door de school genomen acties. In reactie op deze terugkoppeling heeft de moeder op 29 mei 2026 aan de school laten weten “heel blij” te zijn “dat dit serieus wordt genomen” en de school hartelijk bedankt “voor [haar] steun en voor het serieus nemen van deze kwestie.” Daarbij komt dat beide partijen in dit kort geding een beeld hebben geschetst van een leerling die het naar zijn zin had op het Fons Vitae en daar ook vriendjes had.

bijzondere persoonlijke omstandigheid

De moeder verwijt de school dat zij bij het beoordelen van de prestaties van [minderjarige] onvoldoende heeft betrokken dat het voor [minderjarige] thuis een moeilijk jaar was. De IC-opname van [minderjarige] oma (die bij hem in huis woont), en het daardoor vermeend tijdelijk ondermaats functioneren van [minderjarige] , maakt niet dat de school tekort is geschoten. Dit is een persoonlijke omstandigheid waarmee de school slechts beperkt rekening kan houden. De school heeft, hoewel de school in het eerste jaar in zijn algemeenheid geen herkansingsmogelijkheden aanbiedt en er in de schoolgids ook niets over herkansingen is geregeld, [minderjarige] toch een aantal herkansingen geboden waar hij ook gebruik van heeft gemaakt. Dat die herkansingen niet altijd op de voor [minderjarige] meest geschikte momenten waren, maakt niet dat de school hier is tekortgeschoten.

verwijderingsbesluit en deugdelijk alternatief

4.9. De moeder voert aan dat een leerling op grond van artikel 8.12 lid 2 Uitvoeringsbesluit Wvo wegens onvoldoende resultaten niet in de loop van een schooljaar mag worden verwijderd en dat het verwijderingsbesluit daarom niet rechtmatig is. Ook dit argument slaagt niet. Het verwijderingsbesluit is het directe gevolg van het negeren van het besluit van de school om [minderjarige] niet te bevorderen naar twee havo. Als gevolg hiervan moest [minderjarige] van school en had er moeten worden gezocht naar een andere school die vmbo aanbiedt. In plaats daarvan is [minderjarige] in september weer naar het Fons Vitae gekomen. Onder die omstandigheden is het niet onbegrijpelijk dat de school het verwijderingsbesluit heeft genomen. Het besluit ziet op het op het schooljaar 2026/2027 en is tijdig aangekondigd, zodat niet gesproken kan worden van een verwijdering in de loop van het schooljaar in de zin van voornoemd artikel.

4.10. Ook het argument dat er door de school geen deugdelijke alternatieve school is aangeboden, slaagt niet. De school heeft [naam internationale school] voorgesteld als alternatieve school. Moeder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [naam internationale school] niet bereid zou zijn [minderjarige] als leerling aan te nemen in twee vmbo-t dan wel dat [naam internationale school] geen deugdelijk alternatief zou zijn omdat er alleen maar les in het Engels zou worden gegeven en/of dat de leerlingenpopulatie louter uit leerlingen zonder Nederlandse (taal)achtergrond zou bestaan. Dit zijn blote stellingen, die door de school voorshands voldoende gemotiveerd zijn betwist; en voor zover deze stellingen over de voertaal en leerlingenpopulatie al juist zouden zijn, maakt dit niet dat [naam internationale school] een ongeschikte school is voor [minderjarige] en dat het verwijderingsbesluit niet voldoet aan artikel 8.15 Wvo. Het had bovendien op de weg van de moeder gelegen om in de loop van de tweede helft van het schooljaar zelf onderzoek te doen naar alternatieven (zie 2.6), zoals ook meermaals door de school geadviseerd.

varia; inzage en exhibitie

4.11. De vordering onder V zal worden afgewezen. De school heeft aangevoerd dat de moeder en [minderjarige] beschikken over de door de moeder gevraagde gegevens. Op voorhand is niet duidelijk welk belang de moeder heeft bij nadere gegevens en om welke gegevens het gaat.

Hetzelfde geldt voor de vordering onder VI. In dat verband is van belang dat het niet redelijk is om docenten na geruime tijd nog te verplichten over iedere toets tekst en uitleg te geven. Niet valt uit te sluiten dat er nog tiende punten gesprokkeld kunnen worden door iedere toets tegen het licht te houden, maar dat maakt het basisniveau dat [minderjarige] afgelopen jaar heeft laten zien niet anders (zie 4.3).

De vordering onder VII wordt ook afgewezen. Er zijn geen aanwijzingen dat de overgangsbeslissing mogelijk niet zorgvuldig, onbevooroordeeld of op de juiste gronden tot stand is gekomen. Daarbij heeft de school aangevoerd simpelweg niet over notulen en verslagen van de genoemde vergaderingen te beschikken en dat een dergelijke veroordeling dus ook niet kan worden nagekomen. In dat verband geldt dat het opstellen van notulen bij alle vergaderingen van een school met meer dan 1100 leerlingen een ondoenlijk karwei zou zijn. Hierin valt de school dus geen verwijt te maken. Eventuele andere aantekeningen zijn bovendien niet openbaar, omdat een docentenvergadering – mede in het belang van haar leerlingen – vrijuit moet kunnen spreken. Het anonimiseren daarvan maakt dat ook niet anders, omdat dit de eventuele herleidbaarheid tot individuele docenten niet volledig kan uitsluiten.

Tot slot geldt dat de school op voorhand voldoende heeft onderbouwd dat [minderjarige] (vooralsnog) te weinig inzicht toont om succesvol te zijn in twee havo. De rapportcijfers van [minderjarige] zijn door de moeder ook niet betwist, zodat daar in dit kort geding van uit is gegaan. Dat [minderjarige] bij individuele begeleiding beter presteert wordt door de school niet ontkent. De school heeft toegelicht dat het haar er met name om gaat dat [minderjarige] op school – in een klas vol met medeleerlingen – voldoende presteert en mee kan komen en dat dit niet het geval is. Hetzelfde geldt voor in opdracht van de moeder uitgevoerde testen die laten zien dat [minderjarige] op havo niveau kan presteren.

De conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen zullen worden afgewezen.

proceskosten

De moeder wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de school worden begroot op:

- griffierecht

€ 735

- salaris gemachtigde

€ 1.177

- nakosten

€ 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€ 2.101

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

weigert de gevraagde voorzieningen,

veroordeelt de moeder in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de moeder niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L . Voetelink, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.P. Raats, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.

Coll: M

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.P. Raats

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand