ECLI:NL:RBAMS:2026:10237

ECLI:NL:RBAMS:2026:10237

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 15-10-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer 13-188069-26
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Grieks Executie-EAB. Uitspraak. Artikel 12 OLW: beroep verworpen, Rechtbank gaat uit van vertrouwensbeginsel. Artikel 6a OLW: Gelijkstellingsverweer slaagt, weigering overlevering en overname van de straf. Straf aanpassen naar Nederlands strafmaximum.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-188069-26

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 27 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 31 maart 2026 door the Prosecutors Office, Court of Appeal of Thrace, Griekenland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Bulgarije),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

Zitting van 30 september 2026

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 30 september 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. J. Visscher, advocaat in Amersfoort, en door een tolk in de Bulgaarse taal.

De behandeling is geschorst om de verdediging in de gelegenheid te stellen nader kennis te nemen van door de officier ter zitting ingebrachte aanvullende informatie ten aanzien van artikel 12.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Zitting van 8 oktober 2026

Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. J. Visscher en door een tolk in de Bulgaarse taal.

De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Bulgaarse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB, gelezen in samenhang met de aanvullende informatie van 23 september 2026, vermeldt een arrest van the Single-Member Appeal Court for Felonies of Thrace van

21 september 2016 met kenmerk no. 579/2016.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zestien jaar en drie maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf nog geheel ondergaan in Griekenland.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Inleiding

In het EAB is een verouderd model van het D-formulier ingevuld. Naar aanleiding hiervan heeft het IRC op 7 augustus 2026 aanvullende vragen gesteld aan de Griekse autoriteiten. Op 12 augustus 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit een nieuw ingevuld D-formulier verstrekt. Hierin is aangegeven dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was op de zitting die tot het arrest heeft geleid, maar dat de opgeëiste persoon op 11 augustus 2016 in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces en dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van een persoonlijk informeren of een persoonlijke betekening. De opgeëiste persoon heeft conform de opdracht gehandeld en heeft Griekenland in 2014 verlaten. Hij is nooit meer teruggekeerd. Hierna heeft hij nooit meer iets gehoord van de zaak. Dit wordt bevestigd door de brief van zijn moeder. Daarnaast zijn er verschillen tussen het D-formulier uit het EAB en het nieuwe D-formulier dat is verstrekt op 12 augustus 2026. De aanvullende informatie van 12 augustus 2026 neemt de twijfels over de betekening niet weg. Daarbij heeft de raadsman verwezen naar de vertaalde eerste pagina van het Griekse arrest waarin van de medeverdachten een adres of woonplaats wordt vermeld, terwijl dat niet het geval is bij de naam van de opgeëiste persoon. Primair heeft de raadsman verzocht de overlevering te weigeren. Subsidiair heeft hij verzocht om nadere vragen over de wijze van betekening te stellen aan de Griekse autoriteiten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat uitgegaan dient te worden van het vertrouwensbeginsel. Met de aanvullende informatie van 12 augustus 2026 is duidelijk gemaakt

dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard op 11 augustus 2016, zodat sprake is van als een situatie bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

Uit het ingevulde D-formulier dat is verstrekt met de aanvullende informatie van 12 augustus 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 11 augustus 2016 in persoon is gedagvaard. Hij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Hierdoor staat op ondubbelzinnige wijze vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Ook is hem toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer hij niet zou verschijnen. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De rechtbank gaat daarbij uit van het vertrouwensbeginsel en ziet in wat de raadsman heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de verstrekte informatie. De brief van de moeder van de opgeëiste persoon is daartoe onvoldoende omdat deze niet kan worden aangemerkt als objectieve informatie. De rechtbank volgt de raadsman voorts niet in zijn betoog dat sprake is van verschillen tussen het D-formulier in het EAB en het nadien ingevulde D-formulier. Het enige verschil is dat het D-formulier dat is verstrekt met de aanvullende informatie van 12 augustus 2026 het juiste formulier is dat is ingevuld. Van enige tegenstrijdigheid tussen het eerder ingevulde D-formulier en het nieuwe D-formulier is niet gebleken. De omstandigheid dat op de eerste pagina van het Griekse arrest geen adres van de opgeëiste persoon wordt genoemd, is voor de rechtbank evenmin reden om te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte informatie. Op grond van het vorenstaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman en is de weigeringsgrond niet van toepassing.

5. Strafbaarheid: feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:

hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf.

Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Griekenland een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.

Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. Daartoe is aangevoerd dat de opgeëiste persoon meer dan vijf jaar rechtmatig en ononderbroken in Nederland verblijft. De raadsman heeft hiervoor stukken overgelegd waaruit het rechtmatige en ononderbroken verblijf gedurende die periode moet blijken. Verzocht is de overlevering te weigeren en de straf over te nemen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de vereisten voor gelijkstelling is voldaan en dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. De Griekse autoriteiten hebben toestemming verleend voor overname van de straf, nu zij een kopie van het veroordelende arrest en een ingevuld certificaat toegestuurd hebben. Verzocht is om de overlevering te weigeren en de straf over te nemen.

Oordeel van de rechtbank

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:

De eerste voorwaarde

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken, waaronder een inschrijving in de Basisregistratie personen vanaf 9 september 2020, een huurovereenkomst, aanslagen inkomstenbelasting van de Belastingdienst vanaf 2020 tot en met 2023, rapportages inkomstenbelasting over 2024 en 2025 en de daar bijbehorende bankafschriften met inkomstengegevens, heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Aan de eerste voorwaarde is hiermee voldaan. De rechtbank kan de opgeëiste persoon gelijkstellen met een Nederlander.

De tweede voorwaarde

Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Uit de brief van de IND van 23 september 2026 volgt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet verliest. Dit betekent dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan.

Kan de opgelegde vrijheidsstraf door Nederland worden overgenomen?

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.

De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf.

Het feit dat als lijstfeit is aangeduid, is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

Mensensmokkel, in vereniging begaan door meerdere personen.

Uit de Nederlandse kwalificatie volgt dat de in Griekenland opgelegde vrijheidsstraf hoger is dan de straf die in Nederland maximaal voor een dergelijk feit kan worden opgelegd. De rechtbank leidt uit de omschrijving van het feit in onderdeel e) van het EAB af dat de opgeëiste persoon veroordeeld is voor mensensmokkel in vereniging, zodat gelet hierop de strafbepaling van artikel 197a, vierde lid, Wetboek van Strafrecht met een maximale gevangenisstraf van tien jaar van toepassing is. De vrijheidsstraf moet daarom aangepast worden. De rechtbank zal, gelet op voorstaande, de opgelegde vrijheidsstraf van zestien jaar en drie maanden verlagen naar tien jaar.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de aldus aangepaste vrijheidsstraf kan worden overgenomen.

De binding van de opgeëiste persoon met Nederland

Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.

Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf?

De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Griekse bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat en een kopie van de veroordelende beslissing. Op 2 oktober 2026 heeft de rechtbank het certificaat ontvangen. Op 23 september 2026 heeft de rechtbank een kopie van het veroordelende arrest ontvangen. De kenmerken op het certificaat en het veroordelende arrest komen overeen met elkaar en het kenmerk op het EAB. Daarmee heeft de bevoegde autoriteit toestemming gegeven voor overname van de straf door Nederland.

Conclusie

De rechtbank is gelet op het voorgaande, bevoegd om de overlevering te weigeren op grond van artikel 6a, eerste lid, OLW. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.

De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de (aangepaste) vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

7. Overige verweren

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om, indien de straf overgenomen wordt op grond van artikel 6a OLW, de directe gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW niet te bevelen nu het een facultatieve bepaling betreft. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om, mocht die gevangenhouding wel worden bevolen, direct over te gaan tot schorsing van de gevangenhouding. Daartoe is aangevoerd dat geen sprake is van concreet vluchtgevaar gelet op zijn jonge gezin, zijn werk en zijn rechtmatig verblijf in Nederland. Mocht de rechtbank wel dat vluchtgevaar zien, dan kan deze ingeperkt worden met voorwaarden. De opgeëiste persoon heeft zich sinds zijn aanhouding aan alle voorwaarden gehouden en zal zich niet aan de tenuitvoerlegging onttrekken. Bovendien moeten er zaken geregeld worden. Voorts moet rekening gehouden worden met de belangen van de kinderen van de opgeëiste persoon. Volgens de raadsman stelt een schorsing de opgeëiste persoon in de gelegenheid om de zorg voor de kinderen en het inkomen te regelen. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat het Nederlandse gevangeniswezen onder druk staat en dat het overnemen van een Griekse straf uit 2016 geen prioriteit zou moeten hebben.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van dit verweer van de raadsman.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet in wat de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de gevangenhouding te bevelen. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om het bevel gevangenhouding te schorsen. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, kan alleen in zeer bijzondere omstandigheden een opgeëiste persoon geschorst worden na de uitspraak. Van dergelijke bijzondere omstandigheden die een schorsing rechtvaardigen, is niet gebleken. De omstandigheden die zijn aangevoerd, gelden immers voor veel veroordeelden die gedetineerd raken. Het verzoek om het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid OLW, te schorsen wijst de rechtbank dan ook af.

8. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en de straf door Nederland kan worden overgenomen onder aanpassing daarvan naar Nederlandse maatstaven. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland, aangepast naar Nederlandse maatstaven tot een vrijheidsbenemende straf van tien jaar.

9. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 197a Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.

10. Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Prosecutors Office, Court of Appeal of Thrace (Griekenland) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in van tien jaar.

HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .

BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. E.M. de Bie, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk en M.C. Nooij, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 oktober 2026.

De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.M. de Bie

Griffier

  • mr. G. Riedijk en M.C. Nooij

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand