RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/094837-25 (zaak A) en 13/276081-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 30 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van
strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] (hierna te noemen: verdachte),
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 16 januari 2026. Verdachte was niet bij de behandeling aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsman, mr. B.W. van Beek, advocaat in Amsterdam, die hiertoe gemachtigd was.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.W.M. van der Linde, en van wat de raadsman naar voren heeft gebracht.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
2. Tenlastelegging
Zaak B:
Aan verdachte is – samengevat en na een wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 8 oktober 2025 – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Zaak A:
1. diefstal van een fiets op 5 december 2024 te Amsterdam;
2. diefstal van een (bak)fiets van het merk Urban Arrow op 16 mei 2024 te Amsterdam, door twee of meer verenigde personen;
subsidiair ten laste gelegd als heling;
3. het witwassen van een bakfiets op 19 oktober 2023, te Krommenie, gemeente Zaanstad;
1. heling van een snorfiets op 16 oktober 2025 te Amsterdam.
De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en gelden als hier ingevoegd.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de
tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor
schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2 primair, 3 (zaak A) en 1 (zaak B) tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
Zaak A
Feit 1
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Feit 2
Er zijn geen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat verdachte aanwezig was bij de diefstal van de bakfiets. Bovendien is het feit dat verdachte de bestuurder was van de bestelbus waarin de bakfiets is aangetroffen, onvoldoende om aan te nemen dat verdachte wetenschap zou hebben gehad van de gestolen bakfiets, zodat verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Feit 3
Uit het dossier blijkt niet dat de fiets gestolen is. Ook blijkt overigens niet van een eigen misdrijf of een ander gronddelict voor het vermeende witwassen. Als de rechtbank aanneemt dat er een vermoeden van witwassen bestaat, dan is het aan verdachte om een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring daarover af te leggen. Dat heeft hij gedaan, want hij heeft verklaard dat de bakfiets van een vriend was. Die had gevraagd of verdachte een slot op de fiets kon zetten. Het Openbaar Ministerie heeft geen nader onderzoek gedaan naar deze verklaring van verdachte. Omdat er geen onderzoek is gedaan naar de verklaring van verdachte kan niet worden vastgesteld dat het ‘niet anders kan’ dan dat de fiets afkomstig is uit enig misdrijf, waardoor verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Zaak B
Er is niets bekend over enige wetenschap van verdachte van een mogelijke diefstal van de snorfiets op het moment dat hij deze voorhanden kreeg. Bovendien blijkt uit het rijden zonder sleutel niet zonder meer dat verdachte de snorfiets ook zonder sleutel voorhanden heeft gekregen, waardoor verdachte dient te worden vrijgesproken van opzet- dan wel schuldheling.
Het oordeel van de rechtbank
Zaak A
Feit 1: diefstal fiets
De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte het tenlastegelegde
feit heeft gepleegd, zoals hierna bij de bewezenverklaring naar voren komt.
Omdat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend en de raadsman hiervoor geen
vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359 derde lid van het Wetboek van
Strafvordering, voor deze bewezenverklaarde feiten met de in de bijlage 2 genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.
Feit 2: diefstal in vereniging bakfiets
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging van een bakfiets. Zij overweegt hierover als volgt.
Uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat [aangeefster] op 16 mei 2024 haar bakfiets had neergezet aan de [straatnaam] ter hoogte van perceel [perceelnummer] te Amsterdam. Zij had haar fiets op slot gezet met een kettingslot en een beugelslot. Omstreeks 22:45 uur kwam de aangeefster erachter dat haar fiets was weggenomen.
Uit de uitgekeken camerabeelden blijkt dat er twee personen op 16 mei 2024 tussen 22.26.31 uur tot en met 22.38.00 uur een bakfiets hebben weggenomen aan de [straatnaam] ter hoogte van perceelnummer [perceelnummer] te Amsterdam. Op de beelden is te zien hoe [persoon 1] de bakfiets optilt en richting de bestelauto brengt. [persoon 2] doet vervolgens de schuifdeur van de bestelauto open en samen tillen zij de bakfiets in de bestelauto.
Kort hierna krijgen verbalisanten om 22.45 uur een melding dat er in een voertuig met kenteken [kenteken] mogelijk gestolen bakfietsen zaten. Omstreeks 22:47 uur zagen verbalisanten het desbetreffende voertuig rijden en gaven zij de bestuurder een stopteken. De bestuurder bleek verdachte te zijn. De verbalisanten zagen dat er in het voertuig een bakfiets lag en dat verdachte ook een slijptol en andere inbrekerswerktuigen bij zich had. Toen de verbalisanten vroegen van wie de bakfiets was verklaarde hij dat de bakfiets van een vriend was. De verbalisanten zagen dat de bakfiets nog op slot zat doormiddel van een hangslot op het achterwiel. Op dat moment arriveerde de aangeefster, die door middel van track and trace op haar telefoon haar bakfiets had gevolgd.
Ter terechtzitting van 2 juli 2025 heeft verdachte verklaard dat hij zijn neefje had opgehaald en dat hij de fiets in de bestelauto had gedaan. Zijn neefje is vervolgens uit de bestelauto gesprongen.
Gelet op het zeer korte tijdbestek tussen het wegnemen van de bakfiets (tussen 22.26.31 uur tot en met 22.38.00 uur) en het aantreffen van verdachte met de bakfiets omstreeks 22:47 uur in combinatie met de verklaring van verdachte dat hij zijn neefje heeft opgehaald en dat hij de bakfiets in de auto heeft geladen, stelt de rechtbank vast dat verdachte degene is geweest die samen met zijn neefje de bakfiets heeft weggenomen en in de bestelauto heeft getild. Daarbij komt dat verbalisanten hebben gezien dat er in de bestelauto waar verdachte de bestuurder van was een slijptol en gereedschap lagen en dat de bakfiets met een hangslot op slot zat.
De rechtbank overweegt dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking
tussen verdachte en zijn mededader die duidelijk uit de camerabeelden naar voren komt. Op de beelden is te zien hoe zij samen de bakfiets in de bestelauto hebben getild. Hiermee hebben zij een voldoende substantiële bijdrage hebben geleverd aan diefstal en in nauwe en bewuste samenwerking gehandeld. Op grond van het voorgaande, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal in vereniging van een bakfiets.
Feit 3: witwassen bakfiets
De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 19 oktober 2023 zagen verbalisanten verdachte rijden met een Urban Arrow bakfiets in Krommenie in de gemeente Zaanstad. De verbalisanten zagen dat de bakfiets niet voorzien was van een slot. Na onderzoek bleek dat het framenummer van de bakfiets niet bekend was bij Urban Arrow en dat er mogelijk aanpassingen zijn gedaan aan het framenummer. Op grond hiervan was er sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, wat betekent dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
De verbalisanten hebben aan verdachte gevraagd van wie de bakfiets was. Verdachte verklaarde vervolgens dat de fiets van een vriend genaamd [persoon 3] was en dat [persoon 3] hem had gevraagd om de bakfiets te voorzien van een slot. Verdachte verklaarde dat hij zijn vriend kon bellen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarmee op dat moment een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
De verbalisanten hebben vervolgens de verklaring van verdachte geverifieerd, waarbij verdachte zijn telefoon overhandigde aan verbalisant [verbalisant] . Verbalisant [verbalisant] vroeg aan de persoon die opnam of hij iets afwist van het feit dat verdachte zijn fiets had. De man antwoordde hierop meerdere malen dat hij hier niets van af wist en dat hij ook niet in het bezit was van een bakfiets. De verbalisant zag op het telefoonscherm van verdachte dat de man stond opgeslagen als: [persoon 4] . Toen er vervolgens tijdens het politieverhoor van verdachte werd gevraagd van wie de bakfiets was verklaarde verdachte opnieuw dat deze van ene [persoon 3] was en dat hij het daarbij wilde laten en verder niets wilde verklaren.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte tijdens het politieverhoor niet concreet genoeg is om nader te verifiëren. Nadat de verbalisanten de verklaring van verdachte ter plaatse hadden geverifieerd, waaruit bleek dat het door verdachte aangedragen telefoonnummer niet van de bezitter van de bakfiets bleek te zijn, heeft verdachte namelijk geen verdere informatie gegeven over de identiteit van de eigenaar of de herkomst van de bakfiets.
Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit redelijkerwijs had moeten vermoeden. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde witwassen van de bakfiets.
Zaak B: heling snorfiets
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan schuldheling van een snorfiets. Zij overweegt hierover als volgt.
Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat verdachte op 16 oktober 2025 is aangehouden terwijl hij op een scooter/snorfiets reed. Deze bleek te zijn gestolen. Verbalisant zag dat verdachte de snorfiets uitdeed met een knop aan de voorzijde van de snorfiets en dat er geen sleutel in het slot zat. Verdachte heeft wisselend verklaard over de herkomst van de snorfiets. Gelet hierop, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de snorfiets redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van misdrijf afkomstig was.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage 2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (zaak A):
op 5 december 2024 te Amsterdam, een fiets, die aan [persoon 5] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde (zaak A):
op 16 mei 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een bakfiets van het merk Urban Arrow, die aan [aangeefster] , toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde (zaak A):
op 19 oktober 2023, te Krommenie, gemeente Zaanstad een bakfiets, voorhanden heeft gehad, en hiervan gebruik van heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde (zaak B):
op 16 oktober 2025 te Amsterdam, een snorfiets, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
5. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een
rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte
uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregel
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur
van 4 maanden, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan verdachte, als de rechtbank tot een veroordeling komt, een gevangenisstraf op te leggen die korter is dan de duur van het voorarrest.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten, namelijk de diefstal van een fiets, de diefstal in vereniging van een bakfiets, het witwassen van een bakfiets en schuldheling van een snorfiets. Dit zijn overlastgevende feiten die vaak gepaard gaan met (financiële) schade voor het slachtoffer, maar ook voor de maatschappij. Verdachte heeft zich hierbij niet bekommerd om de gevolgen voor anderen en enkel aan zijn eigen financiële gewin gedacht. Bovendien heeft verdachte door het voorhanden hebben van een gestolen snorfiets bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 5 januari 2026. Hieruit volgt dat verdachte een veelvuldig recidivist is.
Verdachte is vaker veroordeeld voor diefstal van een fiets en andere vermogensdelicten. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsrapport van 23 juni 2025. Hieruit blijkt dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat en dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om met voorwaarden of toezicht de risico's te beperken.
De straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf gekeken naar de
oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht
(LOVS) en naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank houdt daarnaast bij de straftoemeting rekening met hetgeen bepaald is in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Alles afwegende, acht de rechtbank de straf zoals door de officier van justitie is geëist passend en geboden. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
8. Beslag
Onder verdachte zijn, ten aanzien van feit 2 (zaak A), de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- 8 stuks Gereedschap (G6502648);
- 1 stuk Slijpmachine (G6502652);
- 1 stuk Zaag (G6502662).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen gereedschap (G6502648), de slijpmachine (G6502652) en de zaag (G6502662) verbeurd wordt verklaard, omdat deze inbrekerswerktuigen passen bij het wegnemen van de bakfiets.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft teruggave aan verdachte van het in beslag genomen gereedschap verzocht, primair vanwege de bepleite vrijspraak en subsidiair wegens het ontbreken van enig verband tussen het gereedschap en de verdenking.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van feit 2 (zaak A) is er in de bestelbus waar verdachte de bestuurder van was gereedschap aangetroffen. Uit de aangifte is gebleken dat de aangeefster haar fiets met een kettingslot en een beugelslot heeft vastgezet. Dit kettingslot is vervolgens niet bij de gestolen fiets aangetroffen, waardoor dit kettingslot moet zijn verbroken met gereedschap zoals dat in de bestelbus is aangetroffen. In het licht van deze feiten en omstandigheden zullen de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: het gereedschap (G6502648), de slijpmachine (G6502652) en de zaag (G6502662), die aan verdachte toebehoren, worden verbeurd verklaard.
9. De vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling (13/306245-22)
Bij de stukken bevindt zich de vordering van 17 september 2024 van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/306245-22, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 2 december 2022 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, te weten 16 dagen, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de bepaalde proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd om de vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien de tenuitvoerlegging als is bevolen op de terechtzitting van 16 december 2024.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot
tenuitvoerlegging, omdat de tenuitvoerlegging al is bevolen op de terechtzitting van 16 december 2024.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 57, 63, 310 311, 417bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank:
ten aanzien van zaak A:
Verklaart het onder feit 1, feit 2 primair en feit 3 tenlastegelegde bewezen.
ten aanzien van zaak B:
Verklaart het onder feit 1 tenlastegelegde bewezen.
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan
hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 (zaak A) :
diefstal
ten aanzien van feit 2 (zaak A):
diefstal door twee of meer verenigde personen
ten aanzien van feit 3 (zaak A):
schuldwitwassen
ten aanzien van feit 1 (zaak B):
schuldheling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beslag
Verklaart verbeurd:
- 8 stuks Gereedschap (G6502648);
- 1 stuk Slijpmachine (G6502652);
- 1 stuk Zaag (G6502662).
Vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijk veroordeling (13/306245-22)
Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mrs. R.A. Overbosch en A.L. op 't Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 januari 2026.
[(...)]