ECLI:NL:RBAMS:2026:10277

ECLI:NL:RBAMS:2026:10277

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 21-10-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer C/13/701248 / HA ZA 21-421
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Heineken en dochterbedrijf AB moeten samen een schadevergoeding van 111,2 miljoen euro betalen aan de Griekse bierproducent MTB.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/701248 / HA ZA 21-421

Vonnis van 21 oktober 2026

in de zaak van

de rechtspersoon naar buitenlands recht

MACEDONIAN THRACE BREWERY S.A.,

te Komotini (Griekenland),

eisende partij,

hierna te noemen: MTB,

advocaat: mr. M.H.J. van Maanen,

tegen

1. HEINEKEN N.V.,

te Amsterdam,2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

ATHENIAN BREWERY S.A.,

te Athene (Griekenland),

gedaagde partijen,

hierna te noemen: Heineken en AB,

advocaat: mr. J.S. Kortmann.

1. Dit vonnis in het kort

Dit vonnis is het eindvonnis in een zaak waarin het gaat over een schadeclaim van in hoofdsom € 82 miljoen wegens een inbreuk op de mededinging door de Griekse bierbrouwerij AB op de Griekse biermarkt. Dit vonnis bouwt voort op de eerder in deze zaak gewezen vonnissen, die gezien hun omvang in dit vonnis slechts beperkt zullen worden weergegeven.

De claim is ingesteld door MTB, een concurrent van AB, en gericht tegen zowel AB als de Nederlandse moedervennootschap van AB, Heineken.

Het gaat om een zogenoemde follow on-zaak. De inbreuk is namelijk al eerder vastgesteld door de Griekse mededingingsautoriteit (Hellenic Competition Commission, HCC) en bestaat uit misbruik van machtspositie op de Griekse biermarkt gedurende een periode van 16 jaar (1998-2014) via verschillende praktijken gericht op uitsluiting van concurrenten.

In het tussenvonnis van 18 februari 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat MTB door de inbreuk schade heeft geleden in de vorm van misgelopen winst en dat de omvang daarvan kan worden berekend overeenkomstig de door MTB geformuleerde uitgangspunten, zij het dat werd geoordeeld dat MTB niet op de juiste wijze rekening had gehouden met een accijnsverhoging bij de berekening van de prijs in de situatie waarin het machtsmisbruik is weggedacht. MTB mocht op een berekening van Heineken en AB op dit punt reageren. Partijen hebben zich ook nader uitgelaten over de gevorderde kosten voor de door MTB ingeschakelde deskundige. Partijen zijn ten slotte in de gelegenheid gesteld om te reageren op het oordeel van de Hoge Raad over de vraag of de rechtbank ook jegens AB bevoegd is.

Partijen hebben hierna de in dit vonnis te bespreken akten genomen. MTB heeft daarbij ook gewezen op de uitspraak van het HvJ EU in de zaak [naam arrest], die volgens haar tot herziening van een eerdere beslissing van de rechtbank over de gevorderde rente moet leiden. Heineken en AB hebben hierop ook hun visie gegeven.

De rechtbank komt nu tot het eindoordeel dat zij bevoegd is jegens zowel AB als Heineken en dat deze partijen hoofdelijk veroordeeld worden om aan MTB een schadevergoeding te betalen van € 111.224.000,- (€ 43.337.000 aan schade en € 67.887.000 aan rente), vermeerderd met de litigation interest vanaf 1 oktober 2026.

2. De procedure

De eerdere beslissingen in deze procedure

Eerder zijn in deze zaak al de volgende beslissingen genomen.

In het vonnis van 9 mei 2018 in het incident heeft de rechtbank zich bevoegd verklaard in de zaak tegen Heineken en zich onbevoegd verklaard in de zaak tegen AB en verder het verzoek tot aanhouding van de zaak afgewezen. Tegen dit vonnis heeft Heineken hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 16 februari 2021 de Nederlandse rechter alsnog bevoegd verklaard in de zaak tegen AB en de zaak terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam ter verdere berechting. Tegen dit arrest heeft AB op haar verzoek tussentijds cassatie mogen instellen, terwijl Heineken en AB ermee akkoord gingen dat ondanks de cassatie, de procedure voor de rechtbank Amsterdam zou worden voortgezet. In deze cassatieprocedure heeft de Hoge Raad in een arrest van 23 juni 2022 prejudiciële vragen gesteld, die het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) op 13 februari 2025 heeft beantwoord. De Hoge Raad heeft vervolgens op 29 mei 2026 de tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam gerichte cassatieberoepen verworpen.

Deze rechtbank heeft in de hoofdzaak in het tussenvonnis van 25 mei 2022 geoordeeld:

dat de vorderingen van MTB worden beheerst door Grieks recht,

dat het beroep van Heineken en AB op verjaring van de vorderingen (naar Grieks recht) wordt gepasseerd,

dat behoefte bestaat aan uitleg van enkele bepalingen uit het Griekse recht.

In de tussenvonnissen van 24 augustus 2022, 22 februari 2023, en 21 juni 2023 is het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) benoemd als deskundige en zijn vragen geformuleerd. Na beantwoording van de vragen door het IJI, is in het tussenvonnis van 6 december 2023 geoordeeld:

i) dat de civiele rechter gebonden is aan het oordeel van de HCC, namelijk dat AB misbruik heeft gemaakt van haar machtspositie, omdat de vastgestelde inbreuk, de daaraan ten grondslag liggende feiten en de juridische kwalificaties daarvan onder het onweerlegbaar vermoeden van artikel 9 van de Griekse Antitrust Damages Act (ADA) vallen,

ii) dat geen tussentijds hoger beroep tegen deze uitspraak zal worden opengesteld.

In het tussenvonnis van 23 oktober 2024 is geoordeeld:

i) dat Heineken beslissende invloed op het handelen van AB heeft gehad, zodat Heineken en AB deel uitmaken van dezelfde onderneming in de zin van artikel 102 VWEU en dat Heineken daardoor tezamen met AB hoofdelijk aansprakelijk is voor de nog vast te stellen schade van MTB als gevolg van de door de HCC vastgestelde inbreuk op het Griekse mededingingsrecht.

In het tussenvonnis van 18 februari 2026 (hierna: het tussenvonnis), is geoordeeld:

i. dat MTB grotendeels kan worden gevolgd in haar stelling dat zij in decounterfactual situatie (de situatie dat geen machtsmisbruik zou hebben plaatsgehad) meer bier zou hebben verkocht, tegen een hogere prijs en tegen (naar rato) gelijke kosten, en dat MTB daarmee een hogere totaalwinst zou hebben behaald,

op het punt van de prijs die MTB zou hebben kunnen krijgen voor het door haar verkochte bier in de situatie waarin het misbruik is weggedacht (de counterfactual) volgde de rechtbank niet de berekening van Oxera; CRA had hierover terecht aangevoerd dat bij die berekening rekening dient te worden gehouden met (de doorberekening van) een accijnsverhoging. Hierover moesten partijen een akte nemen. Ook dienden akten te worden genomen over de kosten van de deskundige en over het toen nog te wijzen arrest van de Hoge Raad over de bevoegdheid.

Daarna is verder geprocedeerd en zijn de volgende stukken aan het dossier toegevoegd:

de Akte uitlating kosten deskundige van MTB,

de Akte uitlating berekening CRA van Heineken en AB,

de Akte uitlating berekening CRA tevens wijziging eis van MTB,

de Antwoordakte uitlating kosten deskundige Heineken en AB,

het procesvoorstel van MTB van 10 juni 2026, met daarin het verzoek van MTB om zich bij akte ook te mogen uitlaten over het arrest [naam arrest],

de reactie daarop van Heineken en AB van 15 juni 2026, inhoudende dat zij geen bezwaar hebben tegen het procesvoorstel,

het e-mailbericht van de rechtbank van 18 juni 2026, waarin op basis van het procesvoorstel nadere instructies worden gegeven over de verdere procedure,

de Akte uitlating arresten HR en HvJ EU van MTB,

de Akte uitlating HR arrest 29 mei 2026 en HvJ EU arrest [naam arrest] van Heineken en AB.

Partijen hebben op instructie van de rechtbank de laatstgenoemde twee akten in concept met elkaar gedeeld en reageren daarin op elkaar.

De rechtbank heeft bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

3. De feiten die van belang zijn voor dit vonnis

Introductie van partijen

MTB exploiteert een bierbrouwerij die sinds 1996 actief is op de Griekse biermarkt. In 1998 begon MTB met de productie en verkoop van Vergina, met als doel een premium biermerk van lokaal gebrouwen Grieks bier te introduceren.

Ook AB exploiteert een bierbrouwerij die actief is op de Griekse biermarkt. AB is opgericht in 1962 door onder andere Amstel Brouwerij B.V. (Amstel). Heineken is een beursgenoteerde (houdster)vennootschap die Amstel heeft overgenomen en gedurende de in deze procedure relevante periode indirect - als (over)grootmoedervennootschap - nagenoeg het gehele kapitaal (98,8%) van AB in handen had.

AB produceerde dan wel importeerde hoofdzakelijk de buitenlandse biermerken Heineken en Amstel. In 1999 heeft AB Alfa geherintroduceerd als Grieks biermerk.

De HCC-beschikking

Naar aanleiding van onderzoek heeft de Hellenic Competition Commission (HCC) op 19 september 2014 een beschikking gegeven (hierna: de HCC-beschikking), die op 15 december 2015 is gepubliceerd. In haar beschikking heeft de HCC geoordeeld:

- dat AB op de Griekse biermarkt een economische machtspositie inneemt,

- dat AB van die machtspositie misbruik heeft gemaakt in de periode van september 1998 tot september 2014 (hierna: de inbreukperiode),

- dat dit kwalificeert als één enkele voortdurende inbreuk op het Europese (artikel 102 VWEU) en het Griekse (artikel 2 Griekse mededingingswet (GCA)) verbod van misbruik van machtspositie (hierna: de inbreuk). Vanwege de inbreuk heeft de HCC aan AB een boete opgelegd van ruim € 31 miljoen overeenkomstig het toegestane wettelijk maximum van 10% van de omzet van AB in het jaar voorafgaand aan het besluit. Deze boete is later in de administratieve procedure verlaagd tot € 27 miljoen.

In het beschikkende gedeelte van het besluit (het dispositief) oordeelt de HCC dat AB in het bijzonder misbruik van machtspositie heeft gemaakt doordat zij (AB):

“(…)

i) (..) has implemented market foreclosure, exclusivity, loyalty rebate, and discriminatory treatment practices at the on-trade consumption level (in key accounts and other final points of sale), according to the above grounds,

ii) (…) has implemented market foreclosure, exclusivity, customer loyalty inducement, and discriminatory treatment practices at the wholesale level, according to the above grounds,

iii) (…) has imposed a term regarding obtaining shelf space, satisfactory to it, in consideration of granting a relevant loyalty rebate to supermarkets, according to the above grounds.”

Het tegen de beschikking door AB ingestelde hoger beroep is verworpen. Het daartegen bij de Griekse Council of State ingestelde beroep is bij beslissing van 31 mei 2023 verworpen.

4. Het geschil

MTB vordert van de rechtbank in de hoofdzaak - samengevat, en na driemaal wijziging van eis - bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat Heineken en AB wegens het schenden van artikel 102 VWEU c.q. artikel 2 GCA op de Griekse biermarkt in de periode vanaf september 1998 tot en met 14 september 2014 toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld jegens MTB;

Heineken en AB hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan MTB van een schadevergoeding ter hoogte van € 82.230.000 of € 195.460.000,- inclusief rente, althans € 75.230.000 of € 181.840.000 inclusief rente, te vermeerderen met de daarover verschuldigde Griekse procesrente (litigation interest), althans de Griekse wettelijke rente, vanaf 1 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

Heineken en AB hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan MTB van de kosten van de werkzaamheden van Oxera ter hoogte van € 1.193.390,44, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum van de betreffende facturen van Oxera tot aan de dag der algehele voldoening;

Heineken en AB hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.

MTB stelt dat zowel AB als Heineken met de inbreuk op Europese en Griekse mededingingsregels naar Griekse recht onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade inclusief rente die MTB door de inbreuk heeft geleden MTB vindt ook dat zij de kosten van haar economisch deskundige Oxera moeten betalen.

Volgens MTB bestaat haar schade (vordering II) uit misgelopen winst (vermeerderd met rente), doordat de inbreuk bij MTB heeft geleid tot de combinatie van:

een volumeverlies;

een prijsverlies; en

hogere kosten.

Heineken en AB spreken de vorderingen van MTB volledig en op alle onderdelen tegen. Daarbij gaan Heineken en AB in op de wijze waarop de HCC beschikking (al dan niet) doorwerkt in de beoordeling van deze civiele schadevordering, de wijze waarop schade en de gestelde rente naar Grieks recht dient te worden beoordeeld en zij betwisten de schadebegroting van MTB inhoudelijk, met verwijzing naar rapporten van haar economisch deskundige CRA.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De verdere beoordeling

Arrest van de Hoge Raad over de bevoegdheid van de rechtbank jegens AB

Partijen zijn in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld op het door de Hoge Raad te wijzen arrest over de bevoegdheid van de rechtbank jegens AB te reageren.

De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU die zijn beantwoord in het arrest van het HvJ EU van 13 februari 2025. De Hoge Raad heeft vervolgens in zijn arrest van 29 mei 2026 de cassatieberoepen tegen het arrest van het hof Amsterdam verworpen. In dat arrest was aangenomen dat de rechtbank bevoegd is jegens zowel AB als Heineken.

Met de beslissing van de Hoge Raad is dus definitief komen vast te staan dat de rechtbank ook jegens AB bevoegd is. Ook partijen zijn tot die conclusie gekomen. Dat leidt op grond van de eerdere beslissingen in deze zaak tot het oordeel dat Heineken en AB hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door MTB geleden schade door misbruik van AB van haar machtspositie op de Griekse biermarkt.

De omvang van de schade

In het tussenvonnis heeft de rechtbank de omvang van de schade beoordeeld.

De rechtbank volgt in grote lijnen de berekening van de schade zoals voorgesteld door MTB. De rechtbank gaat ervan uit dat de groei van het totale verkoopvolume van MTB in de counterfactual drie jaar eerder zou zijn gerealiseerd. Er zou dan dus eerder een productie van 200.000 hectoliter zijn bereikt. MTB gaat in haar berekening uit van (naar rato) gelijk blijvende kosten. MTB stelt dat in de counterfactual een hogere prijs had kunnen worden berekend voor het door haar verkochte bier. De berekening van MTB van die schade behoeft correctie voor zover geen rekening is gehouden met de accijnsverhoging die in 2016 en 2017 is doorgevoerd. Voor zover de hogere prijs van bier van MTB na de inbreuk verband houdt met de accijnsverhoging ontbreekt het causaal verband met de inbreuk.

CRA (deskundige van de kant van Heineken) heeft berekend welke gevolgen het buiten beschouwing laten van de accijnsverhoging heeft in haar berekening “Before interest, Excl. excise taxes, Scenario 1” (tussenvonnis onder 5.83). Deze berekening komt uit op een bedrag van € 43,34 miljoen. In het tussenvonnis is bepaald dat Heineken en AB die berekening moesten toelichten en dat MTB daarop mocht reageren.

Heineken en AB hebben in hun akte de aan de berekening ten grondslag liggende gegevens en de gebruikte rekenmethode toegelicht.

MTB heeft deze berekening aan haar deskundige Oxera voorgelegd. Oxera heeft - voor zover hier relevant - wel enkele kanttekeningen bij de wijze van berekening gemaakt, maar acht de berekening van CRA op zichzelf niet onjuist.

In het kader van de berekening van de rente is Oxera uitgegaan van een iets lager bedrag, te weten een schade van € 43.337.000. De rechtbank gaat daarom uit van een schade (exclusief rente) ter hoogte van dit bedrag.

Het arrest van het HvJ EU in de zaak [naam arrest]

De rechtbank heeft in de overwegingen 5.89-94 van het tussenvonnis geoordeeld over de rente die over de hoofdsom kan worden toegewezen. Daarbij is de rechtbank ervan uitgegaan dat artikel 3 lid 3 ADA geen terugwerkende kracht toekomt. De rechtbank kwam tot de conclusie dat de Griekse litigation interest vanaf de dagvaarding toewijsbaar is, maar dat over de periode daarvoor geen default interest toewijsbaar is, omdat daarvoor de voorwaarde geldt dat deze is aangezegd. Daaraan heeft MTB in de periode tot aan de dagvaarding niet voldaan.

MTB verzoekt de rechtbank terug te komen van deze bindende eindbeslissing, omdat deze in het licht van het arrest [naam arrest] niet juist is. Zij verwijst onder meer naar punten 39, 40 en 51 van genoemd arrest die als volgt luiden:

“39 Wat betreft de toepassing in de tijd van de nationale bepalingen ter uitvoering van richtlijn 2014/104, moet een onderscheid worden gemaakt tussen het geval waarin de door de nationale bepaling uitgevoerde regel van deze richtlijn een codificatie vormt van de rechtspraak van het Hof inzake artikel 101 VWEU, in welk geval deze nationale bepaling onmiddellijk van toepassing moet zijn, en het geval waarin deze bepaling uitsluitend voortvloeit uit die richtlijn, in welk geval de toepasselijkheid in de tijd van die nationale bepaling moet worden bepaald aan de hand van artikel 22 van de richtlijn (zie in die zin arrest van 16 februari 2023, [naam arrest] , C‑312/21, EU:C:2023:99, punt 33).

40 Wat betreft de regel in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2014/104 volgens welke de volledige vergoeding van de schade door een inbreuk op het mededingingsrecht de vergoeding van de daadwerkelijke schade en de gederfde winst alsmede de betaling van rente moet omvatten, heeft het Hof reeds vastgesteld dat deze regel, zoals blijkt uit overweging 12 van deze richtlijn, een codificering vormt van de rechtspraak over artikel 101, lid 1, VWEU, met name het arrest van 13 juli 2006, Manfredi e.a. (C‑295/04–C‑298/04, EU:C:2006:461, punt 95), zodat de nationale maatregelen ter omzetting van artikel 3, lid 2, met onmiddellijke ingang van toepassing zijn op alle schadevorderingen die binnen de werkingssfeer van voornoemde richtlijn vallen, zoals bevestigd door artikel 22, lid 2, ervan (zie in die zin arrest van 16 februari 2023, [naam arrest] , C‑312/21, EU:C:2023:99, punten 34 en 35).

(…)

51 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 2, en artikel 22, lid 2, van richtlijn 2014/104, gelezen in samenhang met artikel 101, lid 1, VWEU, aldus moeten worden uitgelegd dat een nationale bepaling ter omzetting van het recht op volledige vergoeding van de schade door een inbreuk op het mededingingsrecht, die voorschrijft dat de rente over deze volledige vergoeding berekend moet worden aan de hand van het – in voorkomend geval vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn liggende – tijdstip waarop de schade is ontstaan, onmiddellijk van toepassing is op alle rechtsvorderingen waarbij een dergelijke vergoeding wordt geëist en die zijn ingediend na de inwerkingtreding van deze nationale bepaling of, indien deze inwerkingtreding heeft plaatsgevonden na het verstrijken van de omzettingstermijn van die richtlijn, op alle dergelijke schadevorderingen die na het verstrijken van deze termijn zijn ingediend.”

Volgens MTB maakt het geen relevant verschil dat het arrest [naam arrest] ziet op een schending van artikel 101 VWEU, terwijl het in de onderhavige procedure gaat om een schending van artikel 102 VWEU. De rechtspraak van het HvJ EU over het recht

op volledige compensatie maakt immers - net als de Kartelschaderichtlijn - geen

onderscheid tussen deze twee bepalingen.De juridische situatie in de onderhavige procedure is nagenoeg identiek aan de juridische situatie in de zaak [naam arrest] . Ook MTB heeft haar rechtsvordering ingesteld na 27 december 2016, namelijk op 23 februari 2017, en ook artikel 3 lid 3 van de Griekse ADA is een nationale bepaling ter uitvoering van artikel 3 lid 2 Kartelschaderichtlijn. Artikel 3 lid 3 van de Griekse ADA is dus van toepassing op de vordering van MTB, zodat MTB recht heeft op vergoeding van wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

MTB heeft een renteberekening in het geding gebracht die is gebaseerd op de van jaar tot jaar door CRA berekende schade, van in totaal € 43.337.000, waarop de Griekse statutory interest is toegepast tot de datum van de dagvaarding en de litigation interest vanaf die datum. Deze berekening resulteert in een rente per 1 oktober 2026 van € 67.887.000,-, aldus nog steeds MTB.

Heineken en AB menen dat de rechtbank niet zou moeten terugkomen van de bindende eindbeslissing inzake de rente, omdat deze niet berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, die de uitkomst van de procedure raakt.

Volgens Heineken en AB is het arrest [naam arrest] een bevestiging van eerdere rechtspraak waarop MTB zich al had beroepen en brengt het niets nieuws, althans niets dat niet reeds in het eerdere partijdebat aan de orde is geweest.

Ook betwisten Heineken en AB dat de juridische situatie in de onderhavige procedure nagenoeg identiek zou zijn aan de juridische situatie in de zaak [naam arrest] . Het algemene Griekse privaatrecht voorzag reeds in een mogelijkheid om rente te vorderen vanaf het moment dat de schade was ontstaan en wijkt op dit punt af van het Oostenrijkse recht. De toepassing van de Griekse rechtsregels komt dan ook niet in strijd met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Omdat het naar Grieks recht, ook vóór de introductie van de ADA, wel mogelijk was (en is) om rente te vorderen vanaf het moment van het ontstaan van de schade, doet dat Griekse recht geen afbreuk aan de nuttige werking van het Europese mededingingsrecht.

Er is volgens Heineken en AB een relevant verschil tussen een heimelijke kartelinbreuk (artikel 101 VWEU) zoals aan de orde was in de zaak [naam arrest] en het misbruik van machtspositie (artikel 102 VWEU) waar deze zaak over gaat. In geval van een (beweerd) misbruik van machtspositie komt veelvuldig voor dat de gedupeerden wél op de hoogte zijn van de misbruikelijke handelingen. Niet zelden dienen zij klachten in bij de mededingingsautoriteiten (zoals in de onderhavige zaak ook door MTB is gedaan). In een dergelijke situatie is het niet bezwaarlijk - laat staan ‘buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk’ - om een aansprakelijkstelling of sommatie te doen uitgaan. Bovendien had MTB daarnaast ook nog de mogelijkheid om vergoeding te vorderen van investeringsverlies (compensatoire interessen). Bij die stand van zaken is van een schending van het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel geen sprake, aldus nog steeds Heineken en AB.

De rechtbank ziet in het arrest [naam arrest] wel aanleiding terug te komen van haar in het tussenvonnis gegeven bindende eindbeslissing. In het tussenvonnis is onder 5.93 aangenomen dat de regel van artikel 3 lid 3 ADA, die inhoudt dat rente moet worden betaald over de periode vanaf het moment dat de schade is ontstaan ​​tot de betaling van de schadevergoeding, een nationale rechtsregel is die wordt vastgesteld ter naleving van materiële bepalingen van de richtlijn. Uit artikel 22 van de Kartelschaderichtlijn heeft de rechtbank afgeleid dat daaruit volgt dat aan artikel 3 lid 3 ADA geen terugwerkende kracht toekomt.

Uit genoemd arrest blijkt echter dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen het geval waarin de door de nationale bepaling uitgevoerde regel van de Kartelschaderichtlijn een codificatie vormt van de rechtspraak van het Hof inzake artikel 101 VWEU, in welk geval deze nationale bepaling onmiddellijk van toepassing moet zijn, en het geval waarin deze bepaling uitsluitend voortvloeit uit die richtlijn (zie 5.10 punt 39). Het HvJ EU oordeelt dat artikel 3, lid 2, van de Kartelschaderichtlijn een dergelijke codificatie vormt, zodat de nationale maatregelen ter omzetting van artikel 3, lid 2, van de Kartelschaderichtlijn met onmiddellijke ingang van toepassing zijn op alle schadevorderingen die binnen de werkingssfeer van voornoemde richtlijn vallen (zie 5.10 punt 40). In de onderhavige zaak staat buiten discussie dat artikel 3 lid 3 ADA een nationale (Griekse) bepaling is ter omzetting van artikel 3, lid 2, van de Kartelschaderichtlijn. Een en ander betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat artikel 3 lid 3 ADA geen terugwerkende kracht toekomt.

De rechtbank ziet in het arrest [naam arrest] een verduidelijking van het arrest [naam arrest] van 16 februari 2023. Dat MTB op dat arrest eerder in de procedure al een beroep had gedaan staat er daarom ook niet aan in de weg dat de rechtbank nu terugkomt van haar eerdere bindende eindbeslissing.

Omdat op grond van het arrest [naam arrest] (en het arrest [naam arrest] ) moet worden aangenomen dat artikel 3 lid 3 ADA terugwerkende kracht heeft (in elk geval) voor vorderingen ingesteld na 27 december 2016 (zoals de vordering van MTB), zal rente vergoed moeten worden over de periode vanaf het ontstaan van de schade tot de dag der algehele voldoening. Daarvoor is (anders dan overigens geldt in het Griekse recht) in geval van vorderingen uit hoofde van schending van het mededingingsrecht geen aanzegging van de rente vereist.

MTB heeft de rente berekend op basis van het (juiste) uitgangspunt dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf het ontstaan van de schade. De juistheid van die berekening is door Heineken en AB niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan.

Wel stellen Heineken en AB nog dat deze (nieuwe) renteberekening en -beslissing tot ontoelaatbare overcompensatie leidt. Zij voeren daartoe aan dat de rente bijna twee derde van het gevorderde schadebedrag uitmaakt. Het grote tijdsverloop dat deze disproportionele verhouding heeft veroorzaakt is niet aan Heineken en AB toe te rekenen. Heineken en AB wijzen er in het bijzonder op dat zowel de openbare orde als het unierechtelijke verbod op overcompensatie in de weg staat aan toewijzing van litigation interest, de verhoging met twee procentpunten vanaf het moment van dagvaarding.

De rechtbank volgt Heineken en AB niet in dit betoog. Dat de rentevergoeding het grootste deel uitmaakt van de schadeveroordeling, is een gevolg van de lange duur van de inbreuk en van de doorgaans lange duur van het bestuursrechtelijke handhavingstraject bij inbreuken op de mededinging en het daaropvolgende civielrechtelijke traject met een follow on-procedure. Het grote aandeel aan rente in de veroordeling is dus een niet ongebruikelijk gevolg van de rechtsgang bij inbreuken op de mededinging, en kan daarom niet als overcompensatie worden beschouwd. De litigation interest kan ook niet als overcompensatie worden beschouwd. Litigation interest is een verhoging van de rentevergoeding met twee procentpunt vanaf het moment van dagvaarding. Die keuze van de Griekse wetgever, kennelijk ter aansporing van de aangesproken partij, is voorbehouden aan de Griekse wetgever en de rentevergoeding die daar het gevolg van is kan ook niet als excessief worden beschouwd.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank aan rente tot 1 oktober 2026 € 67.887.000 zal toewijzen.

Kosten deskundige

MTB diende bij akte de gestelde kosten van haar deskundige nader toe te lichten. De rechtbank overwoog in het tussenvonnis:“5.101. Nu duidelijk is dat kosten zijn gemaakt zal de rechtbank MTB (Oxera) in de gelegenheid stellen om bij akte de gevorderde kosten van een nadere toelichting te voorzien om te kunnen verifiëren of de door Oxera gefactureerde werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht in het kader van deze procedure en of is voldaan aan het naar Grieks recht toepasselijke noodzakelijkheidsvereiste. Daarbij dient MTB (Oxera) toe te lichten in hoeverre zij als economisch deskundige betrokken is bij de procedure van Olympic Brewery tegen AB en Heineken of nog een andere procedure over deze inbreuk van AB en Heineken op de Griekse biermarkt, en of haar werkzaamheden mede betrekking hebben op die procedure(s).”

Nadere toelichting MTB

In de akte uitlating berekening CRA tevens wijziging van eis heeft MTB de naar aanleiding van het tussenvonnis door Oxera nog gemaakte kosten van € 30.000 toegelicht en de factuur en specificatie van de werkzaamheden in het geding gebracht. Dit leidt tot een wijziging van eis; gevorderd worden nu de totale kosten van € 1.193.390,44.

MTB heeft in haar akte toegelicht op welke wijze binnen Oxera de verificatie van de tijdbesteding heeft plaatsgevonden. Ook heeft zij toegelicht welke werkzaamheden Oxera in drie verschillende fasen van de procedure heeft verricht, hoeveel uren zij daarvoor heeft gemaakt, welk bedrag zij daarvoor in rekening had kunnen brengen en welk (lager) bedrag na overleg met MTB daadwerkelijk is gefactureerd. Oxera heeft over het geheel van de werkzaamheden een korting van 42% gegeven. MTB heeft een volledig urenoverzicht in het geding gebracht.

Aangezien de facturen door Oxera pas werden opgemaakt nadat gesprekken hadden plaatsgevonden (en overeenstemming was bereikt) met MTB over het te factureren lagere bedrag en de uitsplitsing hiervan over verschillende facturen, was het in die context niet noodzakelijk voor MTB om facturen te ontvangen met een precieze omschrijving van de per fee earner gepleegde werkzaamheden en de daarmee gemoeide tijd. Als gevolg van deze werkwijze waren de omschrijvingen van de door Oxera verrichte werkzaamheden op de facturen summier, aldus MTB.

MTB heeft de factuur van Oxera van 27 januari 2022 ten bedrage van € 4.000, met kenmerk #INVGB11652 en met de omschrijving “Carlsberg work” als volgt toegelicht. Dit betroffen geen werkzaamheden in opdracht van of ten behoeve van Carlsberg of haar dochtervennootschap Olympic Brewery. Carlsberg wordt in haar procedure tegen Heineken bijgestaan door economisch expert Compass Lexecon. Oxera heeft in de periode november tot en met december 2021 de positie van Carlsberg geëvalueerd om deze te vergelijken met haar eigen schadeberekeningen ten behoeve van MTB. Door de positie van MTB te vergelijken met die van Carlsberg, een andere concurrent op de markt, kon Oxera vaststellen dat haar voorgestelde schadeberekening aan de conservatieve kant was.

Volgens MTB waren de werkzaamheden noodzakelijk en redelijk. Zij heeft de conceptrapporten van Oxera ook nog laten toetsen door Alix Partners, de kosten van Alix partners worden niet gedeclareerd.

MTB heeft ook een toelichting van Oxera op de werkzaamheden en de daarvoor gefactureerde bedragen in het geding gebracht. Volgens deze toelichting is een korting van 45% verleend.

Standpunt Heineken en AB

Volgens Heineken en AB is MTB er niet in geslaagd de door Oxera gefactureerde werkzaamheden van een toereikende toelichting te voorzien. MTB geeft enkel op hoofdlijnen een omschrijving van de werkzaamheden die Oxera in drie verschillende ‘fasen’ heeft verricht. Per ‘fase’ geeft MTB slechts een totaal aan gedeclareerde uren en een totaal gefactureerd bedrag, maar welk bedrag met welke specifieke werkzaamheden, op welk moment, door wie en ten behoeve waarvan is gemoeid, blijft onduidelijk.

De werkzaamheden die Oxera per fase beschrijft zijn niet verifieerbaar, omdat de juistheid van de door haar gestelde werkzaamheden niet blijkt uit de overgelegde facturen en urenstaten. De urenstaten bevatten voornamelijk korte en algemeen geformuleerde ‘omschrijvingen’ van Oxera’s werkzaamheden, zoals “Project Work” en “Generic - Billable”. Deze omschrijvingen samen zijn al goed voor ruim 1.600 uur aan werkzaamheden. Deze en andere algemene omschrijvingen bieden onvoldoende toelichting om te kunnen verifiëren of de werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht in het kader van deze procedure en of zij daarvoor noodzakelijk waren. Heineken en AB betwisten voor een aantal beschreven werkzaamheden onder verwijzing naar voorbeelden dat deze voldoen aan het noodzakelijkheidscriterium van artikel 189 Grieks Rv.

Heineken en AB achten de onder 5.25 gegeven toelichting op de factuur met omschrijving “Carlsberg work” onvoldoende. Zij wijzen erop dat op de urenstaten op meerdere tijdregels de omschrijving “Joint Claimant process with Carlsberg” is te lezen, onder andere in april 2022 (dus niet in de door MTB genoemde periode van november tot en met december 2021). Deze omschrijving strookt niet met de stelling van MTB dat de werkzaamheden slechts een vergelijking van posities zou hebben betroffen, maar duidt eerder op een verdergaande vorm van afstemming of samenwerking tussen MTB en Carlsberg. De kosten die Oxera aan een “Joint Claimant process” besteedt voldoen niet aan het noodzakelijkheidscriterium van artikel 189 Grieks Rv.

In 27 tijdregels is AlixPartners genoemd en hiervoor is circa € 22.500 gedeclareerd.

MTB heeft nu toegelicht dat dit een second opinion betrof. Volgens Heineken en AB komen second opinion-activiteiten niet voor vergoeding in aanmerking.

Volgens Heineken en AB heeft MTB gelet op het voorgaande onvoldoende onderbouwd dat de kosten noodzakelijk en redelijk zijn. Dat is ook niet uit de verleende korting af te leiden. Dit geldt ook voor het aanvullende bedrag van € 30.000. De meest recente factuur (zie 5.23) betreft controle van een berekening van CRA ter correctie van een door Oxera gemaakte fout, die Oxera al in een eerdere fase had moeten corrigeren. Dit is bovendien een eenvoudige berekening; het was niet nodig aan de controle daarvan 96 uur te besteden. Volgens Heineken en AB moet de vordering met betrekking tot de kosten van de deskundige niet ontvankelijk worden verklaard, althans moet deze volledig worden afgewezen. Aldus nog steeds Heineken en AB.

Beoordeling kosten deskundige

De vordering van MTB die ziet op vergoeding van de kosten van Oxera wordt beoordeeld naar Grieks recht, artikel 189 Grieks Rv. Deze bepaling kent als uitgangspunt ‘Only court and extrajudicial costs that were necessary for the conduct and defense of the case shall be reimbursed (…)’.

De rechtbank oordeelt op basis van de nu in het geding gebrachte urenstaten in combinatie met de door Oxera en MTB gegeven toelichting en mede op basis van de door MTB in het geding gebrachte rapporten van Oxera als volgt.

De urenstaten bevatten een specificatie waarin op elke regel is vermeld: de datum, de naam van de medewerker, de verrichte werkzaamheden, de functie van de medewerker, het aantal uren (op een kwartier nauwkeurig) en de fase (1, 2, 3.1 en 3.2). Iedere fase betreft een tijdvak waarin gewerkt is. De specificatie omvat 25 pagina’s en in totaal naar schatting ruim 1.900 regels.

Daarnaast heeft MTB in haar akte een algemene omschrijving gegeven van de werkzaamheden die verricht zijn. Deze werkzaamheden hebben geleid tot de door MTB in het geding gebrachte rapporten van Oxera. De rechtbank heeft de door Oxera in het geding gebrachte rapporten gebruikt voor de begroting van de schade en de daartegen ingebrachte bezwaren van de kant van Heineken en AB en hun deskundige grotendeels verworpen.

De rechtbank gaat ervan uit dat de gefactureerde werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht. Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid is van belang dat Oxera MTB als economisch specialist heeft bijgestaan tijdens de diverse stappen in deze langdurige procedure, die complexe materie betreft. De rechtbank acht, anders dan Heineken en AB, een marktverkennend onderzoek (“A review of the merger examined in decision No 606/2015 to gather insights into the Greek beer market more generally”) en “Review of IvJTB ‘s witness statements submitted in 2025” redelijkerwijs noodzakelijk om goed te kunnen adviseren. Ook overleg met MTB en haar advocaten is daarvoor onmisbaar, zodat ook “Review of legal submissions, alongside considerations and comments from BarentsKrans”, en “Internal discussions and coordination with MTB and the legal team” voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten die Oxera gemaakt heeft in verband met de second opinion van AlixPartners komen niet voor vergoeding in aanmerking. Heineken en AB betwisten de noodzakelijkheid en MTB heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

Hoewel gelet op het voorgaande wel vast staat dat MTB noodzakelijke kosten heeft moeten maken voor werkzaamheden van Oxera in deze zaak, is daarmee niet gegeven dat alle door Oxera gefactureerde kosten noodzakelijk waren en voor rekening van Heineken en AB moeten komen. De algemeen geformuleerde omschrijvingen van Oxera’s werkzaamheden, zoals “Project Work” en “Generic - Billable” zijn op zichzelf beschouwd onvoldoende om vergoeding van kosten te rechtvaardigen. Weliswaar kan in samenhang met de algemene omschrijving van MTB (en Oxera) van de werkzaamheden per fase en de opgeleverde rapporten en toelichting van Oxera ter zitting voor een belangrijk deel van de kosten worden aangenomen dat deze voldoen aan het noodzakelijkheidscriterium, maar dat geldt niet voor de volledige omvang van het gevorderde. Daarvoor had het op de weg gelegen van MTB om inzichtelijk te maken welk bedrag voor welke specifieke werkzaamheden uiteindelijk is gefactureerd om voor het gehele bedrag toetsbaar te zijn of deze kosten noodzakelijk waren. Bij het ontbreken daarvan komen de gevorderde kosten de rechtbank vanaf een bepaalde grens bovenmatig en niet meer noodzakelijk voor.

Ook weegt mee dat MTB de factuur met omschrijving “Carlsberg work” heeft toegelicht, maar de rechtbank die uitleg niet geheel afdoende acht, mede gezien de regels met omschrijving “Joint Claimant process with Carlsberg”. Ook al stelt MTB dat Carlsberg een andere deskundige heeft ingeschakeld, deze omschrijving wijst op een vorm van samenwerking tussen MTB en Carlsberg. Dat kan mede verklaren waarom Oxera de gemaakte uren slechts gedeeltelijk heeft gefactureerd aan MTB. Voor de korting van 42% heeft Oxera zelf geen reden opgegeven.

De rechtbank zal alles overziend op basis van de hiervoor genoemde omstandigheden de toewijsbare noodzakelijke kosten begroten op twee derde van het gevorderde bedrag, afgerond € 800.000. Voor dat deel komen de kosten die MTB gemaakt heeft voor vergoeding in aanmerking, omdat deze noodzakelijk waren voor het aantonen van haar schade en dus voldoen aan de maatstaf van artikel 189 Grieks Rv: “necessary for the conduct (…) of the case”.

MTB vordert ook de wettelijke rente over deze kosten vanaf de datum van de betreffende facturen van Oxera tot aan de dag der algehele voldoening. Omdat de facturen slechts gedeeltelijk worden toegewezen, zal de gewone wettelijke rente naar Grieks recht op grond van artikel 3 lid 3 ADA worden toegewezen over 67% van de door Oxera aan MTB gefactureerde bedragen vanaf de factuurdatum tot de volledige betaling.

Uitvoerbaar bij voorraad-verklaring

MTB heeft verzocht om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. MTB voert daartoe aan dat zij al jaren snakt naar financiële genoegdoening, en dat bij de afweging van belangen ook moet worden betrokken dat een slachtoffer eindelijk schadeloos wordt gesteld.

Heineken en AB maken bezwaar tegen de gevraagde uitvoerbaar bij voorraad-verklaring van het vonnis. Zij wijzen daartoe op de discrepantie tussen middelen die MTB heeft en de gevorderde bedragen. Het restitutierisico is volgens Heineken en AB aanzienlijk, en dat is voldoende reden om dit af te wijzen (zie Hoge Raad 20 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:66). Heineken en AB hebben daarbij gewezen op de mogelijkheid van zekerheidstelling.

De rechtbank acht het restitutierisico onvoldoende concreet onderbouwd. Het enkele feit dat MTB een groot bedrag aan schadevergoeding zal ontvangen is geen reden om aan te nemen dat zij als later over de verschuldigdheid daarvan anders geoordeeld zou worden wat zij te veel ontvangen zou hebben niet zou kunnen terugbetalen. Dus zal het vonnis overeenkomstig de hoofdregel uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Proceskosten

Heineken en AB zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van MTB worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

97,31

- griffierecht

€

3.582,00

- salaris advocaat

€

37.048,00

(8 punten × € 4.631,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

40.916,31

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

De betalingsveroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.

6. De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat Heineken en AB wegens het schenden van artikel 102 VWEU c.q. artikel 2 GCA op de Griekse biermarkt in de periode vanaf september 1998 tot en met 14 september 2014 toerekenbaar onrechtmatig hebben gehandeld jegens MTB,

veroordeelt Heineken en AB hoofdelijk tot betaling aan MTB van een schadevergoeding ter hoogte van € 111.224.000,00 (€ 43.337.000 aan schade en € 67.887.000 aan rente), te vermeerderen met de over de hoofdsom van de schade verschuldigde Griekse procesrente (litigation interest) vanaf 1 oktober 2026 tot aan de dag der algehele voldoening,

veroordeelt Heineken en AB hoofdelijk tot betaling aan MTB van de kosten van de werkzaamheden van Oxera ter hoogte van € 800.000, te vermeerderen met de daarover verschuldigde gewone wettelijke rente naar Grieks recht over 67% van de door Oxera aan MTB gefactureerde bedragen vanaf de factuurdatum tot de volledige betaling,

veroordeelt Heineken en AB hoofdelijk in de proceskosten van € 40.916,31, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Heineken en AB niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt Heineken en AB hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzitter, en mr. C.M.E. de Koning en mr. R.C.J. Hamming, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R.H.C. Jongeneel
  • mr. C.M.E. de Koning
  • mr. R.C.J. Hamming

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand