RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-014809-26
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in de [naam PI] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Ruijs, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P. Scholte, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging – ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 13 januari 2026 te Lelystad, althans in Nederland, opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer) 50,82 kg hennep, althans (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, althans (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in of omstreeks de periode van 8 november 2025 tot en met 13 januari 2026 te Almere en/of Lelystad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) anderen, althans alleen, meermaals, althans eenmaal, (telkens) al dan niet opzettelijk, zonder registratie zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet een werkzame stof, te weten ongeveer (bruto) 1021 kilogram ketamine, in elk geval een hoeveelheid van een materieel bevattende ketamine heeft bereid en/of ingevoerd en/of in voorraad heeft gehad en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd dan wel in werkzame stoffen een groothandel gedreven;
3
hij in of omstreeks de periode van 8 november 2025 tot en met 8 januari 2026 te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer) en/of Lelystad, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) anderen, althans alleen, meermaals, althans eenmaal, (telkens) al dan niet opzettelijk, zonder registratie zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet een werkzame stof, te weten ongeveer (netto) 17,64 kilogram, althans 6,6 kilogram, ketamine, in elk geval een hoeveelheid van een materieel bevattende ketamine heeft bereid en/of ingevoerd en/of in voorraad heeft gehad en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft afgeleverd dan wel in werkzame stoffen een groothandel gedreven.
3. Procesafspraken en de beoordeling daarvan
De rechtbank heeft kennisgenomen van de tussen de officier van justitie en de verdediging gemaakte procesafspraken. De overeenkomst waarin deze procesafspraken zijn neergelegd is aan dit vonnis gehecht in een bijlage.
De procesafspraken houden – kort gezegd en onder meer – in dat de officier van justitie op de zitting zal concluderen tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden zal vorderen. De verdediging zal volgens de overeenkomst geen onderzoekswensen indienen en geen bewijsverweren voeren. Verdachte doet afstand van de inbeslaggenomen goederen en hoeft geen verklaring af te leggen. Beide partijen zijn daarnaast overeengekomen dat zij geen hoger beroep zullen instellen als de rechtbank beslist tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen partijen gemaakte afspraken.
De rechtbank kan alleen acht slaan op een door de officier van justitie en de verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die
artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang, als van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
De procesafspraken zijn op de zitting van 2 oktober 2026 besproken met verdachte, in aanwezigheid van zijn raadsman. Verdachte heeft verklaard dat hij door zijn advocaat is voorgelicht over de inhoud van de procesafspraken. Hij heeft verder verklaard dat hij volledig achter de gemaakte afspraken staat en dat hij begrijpt welke gevolgen de afspraken hebben als de rechtbank overeenkomstig beslist.
De rechtbank leidt uit de verklaring ter terechtzitting van verdachte verder af dat hij, met bijstand van zijn raadsman, weloverwogen en ondubbelzinnig heeft beslist om mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten (zie Hoge Raad 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252). De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van vergewist dat de verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen de officier van justitie en de verdediging gemaakte procesafspraken.
Hoewel de officier van justitie en de verdediging het voorgaande zijn overeengekomen, heeft de rechtbank een eigen verantwoordelijkheid om antwoord te geven op de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Zowel bij het onderzoek ter terechtzitting als in dit vonnis is de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv leidend geweest. Bij het bepalen van de straf en de motivering daarvan zal de inhoud en doorwerking van de procesafspraken worden besproken.
4. Waardering van het bewijs
Standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging
De officier van justitie heeft zich – overeenkomstig de procesafspraken – op het standpunt gesteld dat de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
De raadsman heeft – overeenkomstig de procesafspraken – geen bewijsverweren gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de aan verdachte onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank vindt bewezen dat verdachte:
1
op 13 januari 2026 in Nederland opzettelijk heeft vervoerd 50,82 kg hennep;
2
in de periode van 8 november 2025 tot en met 13 januari 2026 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, zonder registratie zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet een werkzame stof, te weten 126 kilogram ketamine, in voorraad heeft gehad;
3
in de periode van 8 november 2025 tot en met 8 januari 2026 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, zonder registratie zoals bedoeld in de Geneesmiddelenwet een werkzame stof, te weten 6,6 kilogram ketamine, in voorraad heeft gehad en heeft afgeleverd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van de feiten en van verdachte
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
Vordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging
De officier van justitie heeft – conform de procesafspraken – gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft – conform de procesafspraken – geen strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht om de procesafspraken te volgen.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich samen met anderen beziggehouden met het op grote schaal en zonder de vereiste registratie voorhanden hebben en verhandelen van ketamine. Daarnaast heeft hij een aanzienlijke hoeveelheid hennep vervoerd. Zijn handelen maakte deel uit van een professioneel opgezette handelsstructuur, gericht op de verdere verspreiding van deze middelen.
De rechtbank rekent verdachte in het bijzonder de professionele en georganiseerde wijze van handelen aan. Verdachte en zijn medeverdachten zijn vanuit het buitenland naar Nederland gekomen en hebben hier een infrastructuur opgezet ten behoeve van de handel in hennep en ketamine. Zij huurden opslaglocaties en een woning, die ook werd gebruikt om ketamine in bloemornamenten te verwerken. Daartoe werd de ketamine gemengd met gips en water en in mallen gegoten. Deze werkwijze was erop gericht de ketamine te verbergen en de verdere internationale verspreiding daarvan mogelijk te maken. Daaruit blijkt een planmatige aanpak, waarbij doelbewust gebruik werd gemaakt van Nederlandse locaties en voorzieningen.
Met zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de illegale handel in hennep en ketamine. Deze handel brengt maatschappelijke schade met zich en faciliteert de beschikbaarheid van middelen waarvan het (ongereguleerde) gebruik gezondheidsrisico’s oplevert. De rechtbank betrekt daarbij de omvang van de handelsvoorraad, de samenwerking met anderen en de verhullende werkwijze.
Over de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte is weinig bekend geworden, behalve dat hij in Nederland niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en heeft aangegeven dat hij voornemens is om na zijn detentie Nederland te verlaten.
De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op de procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging. Deze houden voor verdachte een gevangenisstraf van 21 maanden in, met aftrek van het voorarrest. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij een gevangenisstraf van 30 maanden als uitgangspunt genomen en daarop een vermindering van 30 procent toegepast.
Gelet op de ernst en de omvang van de feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
De rechtbank acht de voorgestelde afdoening, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de hiervoor beschreven omstandigheden, in een redelijke verhouding staan tot de zaak. De rechtbank zal daarom overeenkomstig de procesafspraken en de eis van de officier van justitie aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 21 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, artikel 38 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.
9. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1:
Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2 en feit 3, telkens:
Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 38, eerste lid van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 21 (eenentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Wildeman, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en M. Smit, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.F. Coskun, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 oktober 2026.