RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13-014844-26
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Ruijs.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij, in of omstreeks de periode van 8 tot en met 13 januari 2026 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht, zulks al dan niet op een wijze zoals bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en/of opzettelijk heeft/hebben bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad, (ongeveer) 144 kg hennep (marihuana), althans (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep (marihuana), althans (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. Vrijspraak
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Wildeman, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en M. Smit, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.F. Coskun, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 oktober 2026.