vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/090648-26
Datum uitspraak: 25 september 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1] ,
thans gedetineerd te: [P.I.] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sondermeijer, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. 3. Voorvragen
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 2 nietig dient te worden verklaard, omdat sprake is van een zogenaamd obscuur libel, dat wil zeggen dat de beschuldiging zo onduidelijk is dat de verdediging niet weet hoe zij zich daartegen moet verweren.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat duidelijk is wat onder feit 2 de beschuldiging is, waardoor de dagvaarding geldig is.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat een voldoende duidelijke en begrijpelijke omschrijving van het onder feit 2 ten laste gelegde is gegeven. Op de zitting is gebleken dat voor verdachte en zijn raadsvrouw aan de hand van de inhoud van de tenlastelegging, bezien in samenhang met het procesdossier en de eerder ingenomen standpunten ten aanzien van dit feit, voldoende duidelijk is geweest welk strafbaar handelen aan verdachte wordt verweten, zodat hij in staat is geweest zich daartegen te verdedigen. Het nietigheidsverweer van de raadsvrouw moet dan ook worden verworpen. De dagvaarding is geldig.
4. Waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle drie de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal met geweld. De raadsvrouw heeft ook aangevoerd dat de verklaring van het slachtoffer niet als bewijsmiddel kan dienen, omdat deze verklaring onbetrouwbaar is.
Ook ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Uit het dossier volgt niet dat verdachte zich bezig heeft gehouden met het voorbereiden van een diefstal met geweld, evenmin dat sprake zou zijn van medeplegen.
Ten aanzien van het wapenbezit (feit 3) heeft de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak van feit 2 (voorbereiding diefstal met geweld in vereniging)
Het dossier bevat weliswaar aanwijzingen dat verdachte zich samen met anderen bezighield met het volgen van personen en voertuigen, maar onvoldoende bewijs om vast te kunnen stellen dat het voorhanden hebben van de tenlastegelegde voorwerpen (zoals telefoons en GPS trackers) gericht was op het voorbereiden van een diefstal met geweld in vereniging. De rechtbank acht daarom niet bewezen wat onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Ten aanzien van feit 1 (diefstal met geweld in vereniging)
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder feit 1. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd acht de rechtbank de verklaring van het slachtoffer ten aanzien van de beroving voldoende betrouwbaar. Zijn verklaring dat hij met geweld door twee mannen van zijn rugtas is beroofd vindt immers ruim steun in het dossier. Dat het slachtoffer mogelijk niet het volledige verhaal heeft verteld, zoals door de raadsvrouw is gesteld, maakt niet dat daarom zijn verklaring niet betrouwbaar is. De verklaring kan daarom voor het bewijs worden gebruikt.
Uit de verklaring van het slachtoffer en de waarneming van het letsel door de politie volgt dat het slachtoffer bij de beroving van zijn rugtas tegen zijn hoofd is geslagen. Het slachtoffer heeft de telefoon die één van de daders na de beroving heeft achtergelaten aan de politie overhandigd. Uit onderzoek van de politie volgt dat deze telefoon aan verdachte gekoppeld kan worden. De rugtas van het slachtoffer bevatte een GPS-tracker en peilde na de beroving uit bij de McDonalds in [plaats] , waar de rugtas vervolgens ook is aangetroffen. Op de beelden van de McDonalds wordt verdachte herkend en is te zien dat hij de rugtas overdraagt aan een derde.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met een ander heeft gehandeld.
Ten aanzien van feit 3 (wapen- en munitiebezit)
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals omschreven in rubriek 5.
Omdat verdachte dit feit ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan:
de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 25 september 2026;
een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026028622-35, d.d. 22 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] , doorgenummerde pagina’s 184 t/m 185 (ZD2 Bijlagen algemene bevindingen);
een proces-verbaal van onderzoek met nummer PL1300-2026028622/38, d.d. 21 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar T1792, doorgenummerde pagina’s 186 t/m 190 (ZD2 Bijlagen algemene bevindingen).
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
op 17 maart 2026 te Maarssen, in vereniging met een ander, een rugzak met inhoud, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die [slachtoffer] aan te vallen en meermaals op het hoofd te slaan en de rugzak weg te rukken;
Ten aanzien van feit 3: op 20 april 2026 te Amsterdam,- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, model 17 GEN 4, kaliber 9x19 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en- bijbehorende munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een patroon van het merk Sellier & Bellot, kaliber 9x19 mm, althans hulzen, kaliber 9x19 mm
voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 35 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Aan de proeftijd dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden, zoals geadviseerd door de reclassering, namelijk een meldplicht, ambulante behandeling en dagbesteding.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en om in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen en een diefstal met geweld in vereniging. Door het handelen van verdachte heeft het slachtoffer letsel opgelopen in zijn gezicht. Daarnaast hebben dergelijke misdrijven ook impact buiten de kring van de direct betrokkenen. Ze worden immers als schokkend ervaren door de samenleving en hierdoor nemen gevoelens van onveiligheid binnen de samenleving toe. Ook in dit geval zijn er getuigen geweest. Uit het dossier blijkt ook dat de diefstal uitgebreid was voorbereid. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt daarnaast een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van personen. De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij een automatisch vuurwapen met munitie in zijn broeksband heeft gehad midden in een drukbezochte winkel. De rechtbank is van oordeel dat voor bovengenoemde feiten enkel een gevangenisstraf passend is.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf verder rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Strafoplegging die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken. Verdachte is niet eerder veroordeeld en is dus een first offender. Het oriëntatiepunt voor straatroof met licht geweld bij een first offender is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen in een openbare ruimte bij een first offender is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden. Gelet op het feit dat het bij de straatroof om meer dan licht geweld ging, de uitgebreide voorbereiding en het medeplegen acht de rechtbank in beginsel voor beide feiten samen een gevangenisstraf van 24 maanden passend.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het rapport van Inforsa van 21 september 2026, waaruit volgt dat het belangrijk is dat verdachte ondersteund wordt bij het creëren van afstand tot zijn criminele netwerk. Inforsa adviseert om deze reden de oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. De rechtbank ziet in het reclasseringsadvies aanleiding om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen in combinatie met de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Bij de strafoplegging zal de rechtbank ook deels tegemoetkomen aan de wens van verdachte om een taakstraf te krijgen, omdat dat kan bijdragen aan het aanbrengen van structuur in het leven van verdachte.
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van voorarrest. Aan de proeftijd worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering, namelijk een meldplicht, meewerken aan ambulante behandeling en dagbesteding. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf van 240 uur op, bij niet of gebrekkig uitvoeren te vervangen door 120 dagen hechtenis.
9. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
Onttrekking aan het verkeer t.a.v. nummer 1 t/m 4
Omdat met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Geen beslissing t.a.v. nummer 5
De computer (nummer 5) is al aan verdachte teruggegeven. Daarmee is het beslag geëindigd, waardoor de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 55, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Ten aanzien van feit 3:
eendaadse samenloop van:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 10 (tien) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- Meldplicht bij reclasseringDat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] ;
- Ambulante behandelingDat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Family Supporters of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel als mogelijk is. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op gedragspatronen, weerbaarheid, reflectievermogen en - indien mogelijk - delictanalyse;
- DagbestedingVeroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.
Voorlopige hechtenis
Wijst af het verzoek tot opheffing, dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis.
Beslag
Verklaart onttrokken aan het verkeer: 1, 2, 3 en 4
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.E. Wilbrink, voorzitter,
mrs. M.J. Wiersma en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 september 2026.
[....]
[....] [....] [....] [....] [....] [....]
[....] [....] [....] [....] [....]