RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 16.191223.25
Datum uitspraak: 22 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2008 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in Basisregistratie Personen:
[adres] , [woonplaats] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 8 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L.A. ter Veer en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.M. Steller naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mevr. [naam 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mevr. [naam 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), dhr. [naam coach] als IFA-coach namens Levvel en de moeder van de verdachte naar voren is gebracht.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de benadeelde partij, dhr. [benadeelde partij] , namens de Loungeshop Almere B.V., bijgestaan door advocaat mr. N. van der Laan, naar voren is gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
het medeplegen van het opzettelijk stichten van brand en/of het teweegbrengen van een ontploffing op 24 juni 2025 te Almere, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar, dan wel gevaar voor lichamelijk letsel voor personen, te duchten was;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
het vernielen van een ruit van de deur van [slachtoffer] en/of Loungeshop Almere B.V. op 24 juni 2025 te Almere;
ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen en/of opslaan en/of vervaardigen en/of voorhanden hebben en/of aan een ander ter beschikking stellen van professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten een stuk knalvuurwerk (cobra 6) op 2 september 2025 te Almere.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing en het stichten van brand op 24 juni 2025 te Almere, terwijl daar gemeen gevaar voor dat pand en omliggende gebouwen en goederen, levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. Ondanks dat in het dossier een proces-verbaal van bevindingen zit waarin door verbalisanten geconcludeerd is dat er geen levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, zijn er volgens de officier van justitie voldoende aanknopingspunten om dit wel aan te nemen. Ter onderbouwing heeft de officier van justitie gesteld dat het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest dat in de coffeeshop en in de omliggende panden mensen aanwezig waren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van het opzettelijk teweegbrengen van de ontploffing en het stichten van brand, met gemeen gevaar voor goederen. De raadsman heeft wel bepleit dat geen sprake is geweest van levensgevaar dan wel gevaar voor lichamelijk letsel voor personen. Daarbij heeft de raadsman aangevoerd dat naar de specifieke omstandigheden moet worden gekeken en dat uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] volgt dat dit gevaar niet aanwezig was.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, van oordeel dat het ten laste gelegde feit gedeeltelijk wettig en overtuigend is bewezen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat daarbij gevaar voor dat pand en goederen te duchten was. Anders dan de officier van justitie spreekt de rechtbank verdachte vrij van levensgevaar en/of gevaar voor lichamelijk letsel voor personen, aangezien hiervoor onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aanwezig zijn. De rechtbank volgt daarbij het standpunt van de raadsman dat naar de specifieke omstandigheden van het geval moet worden gekeken, en dat de verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] in het proces-verbaal van 24 juni 2025 hebben geconcludeerd dat dit gevaar niet aanwezig was.
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, omdat de verdachte het feit heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd. Er is volgens de raadsman sprake van een eendaadse samenloop met de feiten 1 en 2, aangezien sprake is geweest van één wilsbesluit.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt niet tot een bewezenverklaring van dit ten laste gelegde feit aangezien in de tenlastelegging als plaatsnaam Almere is opgenomen, terwijl uit het dossier blijkt dat de cobra 6 in de slaapkamer van verdachte is aangetroffen en verdachte woonachtig is in [woonplaats] . De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 3 ten laste gelegde.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat
ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
hij op 24 juni 2025 te Almere, tezamen en in vereniging, opzettelijk brand heeft gesticht en een
ontploffing teweeg heeft gebracht aan een gebouw gelegen aan de Grote Markt 23, door open vuur in aanraking te brengen met petflessen met daarin benzine en door open vuur in aanraking te brengen met meerdere cobra's, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten goederen in en om het betreffende pand, het betreffende pand en aangrenzende gebouwen, te duchten was;
ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:
hij op 24 juni 2025 te Almere, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de deur die aan [slachtoffer] en/of Loungeshop Almere B.V. toebehoorde heeft vernield;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. Bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
7. Strafbaarheid van de feiten
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
8. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
9. Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir geëist om aan de verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 41 dagen, met aftrek, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf moet volgens de officier van justitie alleen de algemene voorwaarde dat de verdachte geen nieuwe strafbare feiten zal plegen worden gekoppeld. De officier van justitie eist daarnaast om aan de verdachte een werkstraf op te leggen van 150 uren, subsidiair 75 dagen jeugddetentie.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met de eendaadse samenloop van de feiten en de omstandigheid dat verdachte een first offender is. Nadat verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten, is hij nog lange tijd in zijn vrijheid beperkt geweest door onder andere de avondklok die als bijzondere voorwaarde bij de schorsing is opgelegd. Verdachte heeft ingezien hoe kwalijk zijn gedrag is geweest. Ook heeft de raadsman verzocht rekening te houden met de naar verwachting hoge schadevergoeding die verdachte zal moeten gaan betalen als gevolg van dit feit. Hoewel dit niet officieel gezien wordt als onderdeel van de straf, heeft dit wel enorme gevolgen voor verdachte. De raadsman verzoekt mede daarom geen werkstraf meer op te leggen, aangezien het belangrijk is dat verdachte de ruimte krijgt om te werken en geld te verdienen, zodat hij de benadeelde partij kan terugbetalen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf laat de rechtbank zich leiden door de persoon van de verdachte zoals die naar voren komt in de nagenoemde rapportages en hetgeen de deskundigen ter zitting hebben verklaard, alsmede door de ernst van het bewezen geachte en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich op 24 juni 2025 in Almere schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing bij de Loungeshop Almere B.V.. Deze ontploffing heeft geleid tot een brand met grote vlammen, die door de brandweer geblust moest worden. Hoewel niet uit het dossier naar voren komt dat verdachte hiermee iets te maken heeft en deze feiten niet aan verdachte ten laste zijn gelegd, is de Loungeshop Almere B.V. eerder dat jaar ook al het doelwit geweest van een ontploffing. Naast het feit dat de ontploffing voor veel materiële schade heeft gezorgd, zijn de gevolgen voor de eigenaren en medewerkers nog veel groter. De Loungeshop B.V. leefde in onzekerheid. De eigenaren waren bang dat zij in verband met de openbare orde en veiligheid op last van de burgemeester voor een bepaalde periode zouden moeten sluiten, waardoor zij extra beveiligingsmaatregelen hebben getroffen. Het handelen van verdachte heeft niet alleen gevolgen gehad voor de Loungeshop, maar ook voor de samenleving in het algemeen. Dit soort daden veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Verdachte heeft dit als klus gedaan voor een ander om daarmee geld te verdienen maar heeft geen enkele rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor anderen. Verdachte heeft verder geen enkele opheldering verschaft over de beweegredenen. Dat de slachtoffers nog steeds niet weten van wie de opdracht of het idee voor het plaatsen van het explosief kwam, is extra beangstigend.
Persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 31 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld. De verdachte zal worden aangemerkt als first offender.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages die over de verdachte zijn opgesteld, waaronder de rapportages van de JBRA ten behoeve van de voorlopige hechtenis en de rapportage van de JBRA van 6 oktober 2026 ten behoeve van de inhoudelijke behandeling.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapportages van de Raad die over verdachte zijn opgemaakt ten behoeve van de voorlopige hechtenis. De Raad heeft voor de zitting te kennen gegeven geen capaciteit te hebben om een adviesrapport uit te brengen ten behoeve van de inhoudelijke behandeling en heeft, via de zittingsvertegenwoordiger van de JBRA, ter zitting advies uitgebracht.
JBRA heeft naar voren gebracht dat er in de afgelopen tijd geen vaste gezinsmanager aan het gezin gekoppeld is geweest. Ondanks dat heeft verdachte zich gedurende zijn schorsing gehouden aan de voorwaarden. Verdachte heeft gereflecteerd op zijn eerdere keuzes en de gevolgen daarvan, waardoor er op dit moment geen signalen zijn die wijzen op een verhoogd recidiverisico. Daarnaast heeft de verdachte zich begeleidbaar opgesteld richting zijn IFA-coach en is hij actief bezig geweest met het vinden van een dagbesteding. JBRA heeft naar voren gebracht dat het opleggen van toezicht en begeleiding niet langer nodig is. JBRA vindt het wel belangrijk dat verdachte de komende tijd nog in contact blijft met zijn IFA-coach, totdat IFA aangeeft dat dit niet langer nodig is. Aangezien het IFA-traject al geruime loopt, is het niet nodig om dit als bijzondere voorwaarde op te leggen. JBRA heeft er vertrouwen in dat verdachte blijft meewerken en bovendien is het ook niet nodig vanwege financieringsredenen.
De Raad adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen. De Raad is het eens met de JBRA en vindt ook dat het opleggen van bijzondere voorwaarden, waaronder toezicht en begeleiding, niet langer aangewezen is.
Straf
Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een jeugddetentie van 72 dagen passend en geboden is, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank oordeelt dat 60 dagen niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als de verdachte zich voor de op 2 jaren gestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Aan dit voorwaardelijke gedeelte worden geen bijzondere voorwaarden verbonden. Dit betekent dat de verdachte, zolang hij zich aan de algemene voorwaarden houdt, niet opnieuw in detentie komt. Verder zal de rechtbank aan de verdachte een werkstraf voor de duur van 80 uren opleggen, zodat de verdachte ook nu nog de consequenties van zijn handelen ervaart. Indien de verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, zal vervangende jeugddetentie kunnen worden toegepast voor de duur van 40 dagen.
De rechtbank komt hiermee tot een andere straf dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank legt een lagere werkstraf op, omdat zij met de raadsman van oordeel is dat het van belang is dat de verdachte eerder kan beginnen met betaald werk. Op die manier kan hij zich richten op het terugbetalen van de schadevergoeding, die nader wordt besproken in de volgende rubriek. Daar staat tegenover dat de rechtbank aan de verdachte een hogere voorwaardelijke jeugddetentie oplegt. Bij het bepalen van die hoogte heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onderdeel dat betrekking heeft op het te duchten levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en de eendaadse samenloop tussen de feiten 1 en 2 Ook geldt in dit verband dat de rechtbank tot een vrijspraak komt van het onder 3 ten laste gelegde feit. Tenslotte houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop en de wijze waarop verdachte zich aan de geschorste voorwaarden heeft gehouden.
10. De benadeelde partij
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 224.621,04, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De kosten bestaan voor € 17.861,83 aan herstelschade van het gebouw en voor € 206.759,21 aan aanvullende beveiligingskosten, om te voorkomen dat de Loungeshop Almere B.V. niet op last van de burgemeester gesloten zou worden. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 2.850,- voor de vergoeding van de gemaakte proceskosten, bestaande uit twee punten voor het toelichten van de vordering ter zitting, bij een mondelinge behandeling waarvoor uitgebreidere behandeltijd is uitgetrokken en één punt voor het indienen van de vordering, met een waarde per punt van € 950,-.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een gedeelte van de vordering wat betrekking heeft op het herstel van het gebouw, te weten € 17.861,83, hoofdelijk voor toewijzing vatbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige gedeelte van de vordering, te weten de aanvullende beveiligingskosten, moet volgens de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard. Hoewel de officier van justitie ook denkt dat de gemeente het gebouw tijdelijk had gesloten als gevolg van de ontploffing en deze kosten dus eigenlijk te verhalen zijn op de verdachte, vindt de officier van justitie dat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat € 1.306,- aan proceskosten voor vergoeding in aanmerking komt. Er is geen uitgebreide behandeltijd uitgetrokken, dus daarvoor geldt slechts toewijzing van één punt, en daarnaast nog één punt voor het indienen van de vordering met een waarde van € 653,- per punt.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de herstelkosten het volgende naar voren gebracht. De raadsman verzoekt de rechtbank om de kosten voor de glazenwasser (€ 69,60) af te wijzen, aangezien die kosten er ook zonder schade zouden zijn geweest en die kosten geen rechtstreeks gevolg zijn van de schade. De raadsman verzoekt voorts om de vordering ten aanzien van het logo en de gevelplaat (€ 2.819,63) af te wijzen, aangezien deze kosten buitengewoon hoog zijn. In de factuur wordt verwezen naar de offerte, maar die ontbreekt bij de stukken.
De raadsman heeft ten aanzien van de aanvullende beveiligingskosten primair verzocht de vordering volledig af te wijzen. Uit de stukken blijkt onvoldoende dat deze extra beveiliging noodzakelijk is geweest en dat deze beveiliging een direct verband houdt met hetgeen verdachte wordt verweten. Indien de rechtbank toch van mening is dat gemaakte kosten rechtstreekse schade van het ten laste gelegde feit betreft, vraagt de raadsman zich af of de Loungeshop B.V. door het inschakelen van (nacht)beveiliging wel heeft voldaan aan de schadebeperkingsplicht. Volgens de raadsman was de schade mogelijk minder hoog geweest als de Loungeshop Almere B.V. voor drie maanden gesloten was geweest. Aangezien door de benadeelde partij niet onderbouwd is wat de kosten waren geweest als de Loungeshop Almere B.V. wel gesloten was geweest, moet de vordering subsidiair niet-ontvankelijk worden verklaard. Meer subsidiair heeft de raadsman naar voren gebracht dat niet onderbouwd is voor welke periode de beveiliging noodzakelijk is geweest en dat vanwege eerdere ontploffingen bij de Loungeshop Almere B.V. op dit moment niet kan worden vastgesteld welke schade het (rechtstreekse) gevolg is geweest van het aan verdachte ten laste gelegde. Gelet op het voorgaande is volgens de raadsman de omvang van de schade niet goed vast te stellen. Het uitzoeken daarvan is volgens de verdediging een onevenredige belasting van het strafgeding waardoor de Loungeshop Almere B.V. niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.
Ten aanzien van de proceskosten heeft de raadsman naar voren gebracht dat deze volgens hem lager zouden moeten uitvallen, namelijk 2 punten ter waarde van € 432,-. In totaal kan er aan proceskosten dus € 864,- worden toegewezen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst de vordering gedeeltelijk tot een bedrag van € 17.861,83,- (zegge: zeventienduizend achthonderd eenenzestig euro en drieëntachtig cent) toe, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 24 juni 2025, tot aan de dag van algehele voldoening. De vordering wordt hoofdelijk toegewezen. De vordering wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De materiële schade ten aanzien van het glasherstel (€ 941,39) van datum 03-07-2025, cameraherstel (€ 803,41) van datum 09-07-2025, glas herstel (€ 5.350,-) van datum 09-09-2025, herstel brandschade cfr. schaderapport (€ 4.278,90) van datum 11-09-2025 en herstel brandschade cfr. schaderapport van € 3.598,90 zijn voldoende onderbouwd en niet betwist en derhalve voor toewijzing vatbaar.
De vordering ten aanzien van de glazenwasser (€ 69,60) van datum 03-07-2025 en het herstel van de reclame aan de buitenpui (€ 2.819,63) zijn wel betwist. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat ook deze kosten aan te merken zijn als rechtstreekse schade en is de rechtbank van oordeel dat de kosten voldoende zijn onderbouwd. Dit alles bij elkaar betekent dat de rechtbank het gehele bedrag onder het kopje ‘schade uitbouw/pand’, te weten € 17.86183, toewijst.
Ten aanzien van de materiële schade in verband met de aanvullende beveiligingskosten is de rechtbank met de raadsman van verdachte van oordeel dat de vordering onvoldoende concreet is onderbouwd. Voor de rechtbank is in de eerste plaats niet voldoende duidelijk geworden of en zo ja voor hoe lang de gemeente tot sluiting van het pand zou zijn overgegaan. Ook is niet vast komen te staan of er nog andere maatregelen dan het sluiten van het pand genomen hadden kunnen worden waarmee volgens de gemeente de risico’s tot een aanvaardbaar niveau konden worden teruggebracht. De behandeling van de vordering levert daarom een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarom ten aanzien van dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Proceskosten
De gevorderde proceskosten zijn conform het toepasselijke liquidatietarief toewijsbaar. De rechtbank zal de verdachte dan ook hoofdelijk veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij, in de nog te maken kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging. Voor de benadeelde wijst de rechtbank één liquidatiepunt toe voor het indienen van de vordering. Daarnaast kent de rechtbank twee liquidatiepunten toe aan de benadeelde partij voor het toelichten van de vordering tijdens de mondelinge behandeling. De rechtbank gaat uit van het liquidatietarief kanton geldend per 1 februari 2026 en het daarin genoemde tarief tot € 20.000,- van € 432,- per punt. In totaal wordt toegewezen een bedrag van € 1.296,- aan proceskosten.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de Loungeshop Almere B.V. wordt als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 55, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 157, 350 van het Wetboek van Strafrecht.
12. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Spreekt verdachte vrij van het onder feit 3 ten laste gelegde.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde:
een eendaadse samenloop van:
medeplegen van het opzettelijk brand stichten/een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
en
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel aan een ander toebehoort, vernielen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 72 (tweeënzeventig) dagen.
Beveelt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 60 dagen, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van de voorwaarden.
Stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.
Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf van 80 uren.
Beveelt dat, als de verdachte de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen.
Benadeelde partij Loungeshop Almere B.V.
Wijst de vordering van de benadeelde partij Loungeshop Almere B.V. gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 17.861,83,- (zegge: zeventienduizend achthonderd eenenzestig euro en drieëntachtig cent) voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 24 juni 2025, tot aan de dag van algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Loungeshop B.V., behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 1.296,-.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van Loungeshop Almere B.V. ter hoogte van € 17.861,83,- (zegge: zeventienduizend achthonderd eenenzestig euro en drieëntachtig cent), behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van ontstaan van de schade, te weten 24 juni 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Betaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt de benadeelde partij Loungeshop B.V. voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.J. Wiersma, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. W. Aardenburg en C.F. de Lemos Benvindo, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Elsman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 oktober 2026.