RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-309204-25
Datum uitspraak: 3 februari 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 24 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 november 2025 door the Public Prosecutor at the Judicial Court of Dunkirk, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] (Syrië),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. J.P.A. van Schaik, advocaat in Veenendaal.
Op 18 december 2025 is de opgeëiste persoon door de officier van justitie in vrijheid gesteld, vanwege het verstrijken van de bewaringtermijn.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Syrische nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest warrant van 14 november 2025, uitgevaardigd door een onderzoeksrechter van the Judicial Court of Dunkirk. Prosecution file n°: 25317000081 and Investigation file n°: JI JI225000013.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
mensenhandel.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. Artikel 11 OLW: Franse detentieomstandigheden
Inleiding
In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan drie m². Mannelijke verdachten en veroordeelden die een (rest)straf korter dan twee jaar uitzitten, worden in een Huis van Bewaring gedetineerd, en zo ook de opgeëiste persoon. Voor hem geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van zijn grondrechten in detentie in Frankrijk.
Gelet op dit algemeen gevaar heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op 1 december 2025 gevraagd waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd en hoe de omstandigheden aldaar zijn.
Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat geen gevolg dient te worden gegeven aan het EAB, omdat er al diverse keren om een detentiegarantie is gevraagd en er geen enkele reactie van de Franse autoriteiten is gekomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of de behandeling van de zaak moet worden aanhouden om de detentiegarantie af te wachten of dat er, wegens het ontbreken van detentiegarantie, geen gevolg dient te worden geven aan het EAB. Op 12 december 2025 is de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd om een detentiegarantie. Er is gerappelleerd bij de Franse autoriteiten op 11 december 2025, op 16 december 2025 via de liaisonofficier, op 29 december 2025 en op 12 januari 2026. De rappels zijn gestuurd naar het emailadres waarvan het Openbaar Ministerie ook de vertaling van het EAB heeft ontvangen. Er is geen reactie gekomen.
Oordeel van de rechtbank
Van de Franse uitvaardigende justitiële autoriteit is geen reactie gekomen op het verzoek en de rappels daarop om informatie over waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden gedetineerd en hoe de omstandigheden daar zijn. Het vastgestelde algemene gevaar is dan ook niet weggenomen en de rechtbank stelt daarom vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten bestaat.
Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan, omdat er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog – en binnen afzienbare tijd – kan worden uitgesloten. Op de volgende zitting zal de rechtbank onderzoeken of een wijziging in de omstandigheden optreedt.
De rechtbank stelt hierbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, een redelijke termijn van 30 dagen waarbinnen dergelijke informatie dient te worden ontvangen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op het einde van deze redelijke termijn (4 maart 2025) en veertien dagen voor het verstrijken van de beslistermijn, dus tussen 5 maart 2026 en 2 april 2026, zodat nagegaan kan worden of een wijziging in de omstandigheden binnen de termijn van 30 dagen is opgetreden. Op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, verlengt de rechtbank de termijn waarbinnen zij uitspraak moet doen met 60 dagen.
Wanneer binnen de hierboven gestelde redelijke termijn geen wijziging in de omstandigheden is opgetreden, zal aan de overlevering ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW, geen gevolg worden gegeven en zal de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard.
6. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek en bepaalt dat de zaak opnieuw moet worden ingepland op een zitting tussen 5 maart 2026 en 2 april 2026.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Arabische taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.