ECLI:NL:RBAMS:2026:10387

ECLI:NL:RBAMS:2026:10387

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 23-10-2026
Datum publicatie 22-10-2026
Zaaknummer AMS 26/5933
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Een afhaal- en bezorgrestaurant in de Amsterdamse Jordaan moet haar kooktoestellen buiten gebruik laten tot er een afvoer van keukendampen zonder geuroverlast is mogelijk gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 oktober 2026 in de zaak tussen

RAM Hospitality B.V . h.o.d.n. [handelsnaam] , uit Amsterdam , verzoekster

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/5933

(gemachtigden: A. Verma en G. Rai),

en

(gemachtigden: D.C. Miller -Tjoen-A-Choy en N. Oraegbunam).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de last onder bestuursdwang die aan verzoekster is opgelegd. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom de werking van de last te schorsen, totdat op haar bezwaarschrift is beslist en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.

2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

3. Met het bestreden besluit van 24 september 2026 heeft het college aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster en de gemachtigden van het college.

Wat vooraf ging

5. Verzoekster exploiteert een horecabedrijf - een afhaalrestaurant - aan de [adres] . Zij heeft op 1 februari 2026 de exploitatie overgenomen van de vorige exploitant.

6. Op 22 oktober 2024 heeft het college aan de vorige exploitant een omgevingsvergunning verleend voor het aanbrengen van een afvoerpijp op het platte dak van de achteraanbouw ten behoeve van een inpandige afzuiginstallatie voor het adres [adres] . Hiertegen is bezwaar gemaakt. In de beslissing op bezwaar zijn deze bezwaren ongegrond verklaard waardoor het besluit in stand is gebleven.

7. Op 8 mei 2026 hebben toezichthouders van het college een controle uitgevoerd in het afhaalbedrijf. Daarbij is geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de vereisten van artikel 9.143 van het Omgevingsplan, omdat er geurhinder is. De ontgeuringsinstallatie is niet doelmatig, omdat het de geurdragende componenten onvoldoende afdraagt. Deze constateringen zijn vastgelegd in het rapport van bevindingen van 27 mei 2026.

8. Het college heeft aan verzoekster op 15 juli 2026 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kenbaar gemaakt.

9. Op 18 juli 2026 hebben de toezichthouders van het college opnieuw een controle uitgevoerd. In een slaapkamer van een melder hebben zij geur waargenomen, die later ook werd geroken bij het restaurant. Er was opnieuw sprake van geurhinder. Daarbij is ook geconstateerd dat de achterdeur op deze locatie openstond. Verder is vastgesteld dat het restaurant zeven dagen per week van 17.00 uur - 22.30 uur geopend is. Op basis van deze openingstijden heeft het college vastgesteld dat het bedrijf op jaarbasis circa 2.007,5 uur geopend is. Onder een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt verstaan dat het aantal uren met geurhinder, uitgedrukt als jaargemiddelde, niet meer bedraagt dan 176 uur per jaar. Er wordt niet voldaan aan artikel 9.85 van het Omgevingsplan. Deze bevindingen zijn vastgelegd in het rapport van bevindingen van 28 juli 2026.

10. Het college heeft op 24 september 2026 aan verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd. Deze last houdt in dat verzoekster de kooktoestellen op [adres] per maandag 29 september 2026 buiten gebruik stelt en houdt, zodat het afvoerkanaal voor keukendampen en de daarin opgenomen installaties niet gebruikt kunnen worden. De buiten gebruikstelling kan worden opgeheven op het moment dat verzoekster aantoonbare veranderingen heeft aangebracht waardoor de geurinstallatie doelmatig is en er geen sprake is van een onaanvaardbare geurhinder bij het gebruik van het afvoerkanaal.

11. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang

12. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Er moet sprake zijn van zodanige spoed dat een bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid). Een financieel belang vormt op zichzelf onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Eventuele schade kan namelijk worden verhaald als achteraf blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Dit kan anders zijn als aannemelijk is dat verzoekster in een financiële

noodsituatie is of zal komen te verkeren.

13. Verzoekster voert aan dat zij geen omzet heeft nu de keukentoestellen buiten gebruik zijn en moeten blijven, terwijl de vaste lasten doorlopen. De lonen van de werknemers kunnen ook niet uitbetaald worden. Vanaf 15 oktober 2026 huurt verzoekster een pand op een andere locatie, waar zij vanaf 1 januari 2027 wil gaan koken, zodat zij de locatie aan de [adres] per die datum zal verlaten. Voor het in de orde brengen van de nieuwe locatie, is kapitaal nodig. Een voorziening is nodig om de verdere opbouw van schulden te minimaliseren.

14. Het college heeft het spoedeisend belang van verzoekster niet betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang.

Toetsingskader

15. In het Omgevingsplan van de gemeente Amsterdam zijn regels opgenomen over onder andere geurhinder. In artikel 9.85 van het Omgevingsplan zijn regels opgenomen over het beperken en voorkomen van geurhinder. Op basis van artikel 9.143 van het Omgevingsplan moet een ontgeuringsinstallatie doelmatig zijn.

Standpunten verzoekster

16. Verzoekster vindt dat zij ten onrechte niet is gehoord op grond van artikel 4:11 van de Awb. De gelegenheid die het college heeft gegeven om een zienswijze in te dienen zag (nog) op een last onder dwangsom en dat is een wezenlijk andere, mindere ingrijpende maatregel dan de uiteindelijk opgelegde last onder bestuursdwang. Het uiteindelijke besluit is bovendien gebaseerd op een constatering van 18 juli 2026, die dus ná het voornemen tot het opleggen van de last onder dwangsom is geconstateerd. Ook vindt verzoekster het besluit onzorgvuldig voorbereid, ongemotiveerd en onevenredig. Zij wijst daarbij op verschillende gebeurtenissen voorafgaand aan de last. Verzoekster vindt ook de door het college gemaakte belangenafweging in het besluit onvoldoende. Tot slot vindt verzoekster de begunstigingstermijn van vier dagen onredelijk kort.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel

17. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van een overtreding van de artikelen 9.85 en 9.143 van het Omgevingsplan, doordat sprake is van geurhinder. Het college heeft daarover nog toegelicht dat op de locatie een vergunde geurinstallatie is geïnstalleerd, maar dat met dermate kruidige ingrediënten wordt gekookt, dat de installatie niet doelmatig is. Ook de voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat sprake is van de genoemde overtreding en dat het college dus bevoegd was om te handhaven. De voorzieningenrechter buigt zich vervolgens over de vraag of handhavend optreden wel evenredig is in dit specifieke geval.

18. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van een bijzonder geval.

19. Voor zover verzoekster stelt dat de hoorplicht is geschonden, overweegt de voorzieningenrechter dat dit gebrek kan worden hersteld in de bezwaarfase. Verzoekster heeft ter zitting een visie gegeven en kan dit nogmaals op de hoorzitting in de bezwaarfase doen. Dit is dus geen reden om aan te nemen dat de last in bezwaar geen stand zal houden.

20. Verzoekster heeft zich met name beroepen op de gang van zaken in aanloop naar de last. Kern van haar betoog, zo begrijpt de voorzieningenrechter, is dat de aanwezigheid van het horecabedrijf en de geurinstallatie in het verleden zijn vergund. Nota bene met een korte(re) afvoerpijp. Een eerdere, langere versie van de pijp moest juist weer worden teruggebracht naar de vergunde, huidige versie.

21. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoekster geschetste gang van zaken geen reden om aan te nemen dat de last in de bezwaarfase geen stand zal houden. Volgens de toelichting van het college op de zitting is op 22 oktober 2024 een gebonden omgevingsvergunning verleend voor, onder meer, de huidige opstelling van de ontgeuringsinstallatie. Die vergunning betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter niet dat geurhinder mag worden veroorzaakt en dat het college daar dan niet tegen op mag treden. In de omgevingsvergunning is een disclaimer opgenomen waarin staat dat er mogelijk, naast de vergunning, nog andere toestemmingen of handelingen nodig zijn. Het voorkomen van geurhinder is opgenomen in het Omgevingsplan en is zo’n andere handeling die moet worden nageleefd, ook als de geurinstallatie zelf is vergund.

22. De omstandigheid dat het college eerder heeft bepaald dat de verlengde pijp weer moest worden ingekort maakt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. De voorzieningenrechter wil wel aannemen dat de pijp destijds juist is verlengd om minder hinder te veroorzaken, maar dat had dan op basis van een vergunning gemoeten. Op de zitting is besproken dat verzoekster, op aanbeveling van het college, inmiddels een conceptaanvraag heeft ingediend voor een vergunning voor een hoge(re) afvoerpijp. Het college heeft daarover toegelicht dat de bereidheid bestaat een vergunning met een vrijstelling van het Omgevingsplan te verlenen. Volgens het college zal de hogere afvoerpijp een oplossing bieden voor de hinder.

23. Voor zover verzoekster aanvoert dat het college om deze reden af moet zien van handhaving, of het handhavingsbesluit in ieder geval moet schorsen, volgt de voorzieningenrechter dat niet. Dat de hogere afvoerpijp straks mogelijk een oplossing biedt voor de geurhinder maakt niet dat daarmee de overtredingen van de artikelen 9.85 en 9.143 Omgevingsplan worden gelegaliseerd. Er is dus geen concreet zicht op legalisatie als bedoeld in overweging 18 hierboven, er is slechts zicht op de oplossing van het probleem. Als er nu wordt geschorst of wordt afgezien van handhaving, herleeft onmiddellijk de onrechtmatige toestand en de hinder voor de omwonenden. Dat acht de voorzieningenrechter niet wenselijk.

24. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook de belangen die verzoekster heeft gesteld. Verzoekster wijst onder meer op de belangen van de eigenaren en de gevolgen voor de medewerkers. Uit overweging 18 volgt echter al dat het college in beginsel moet optreden tegen een overtreding van het Omgevingsplan. Alleen bij bijzondere omstandigheden waaraan een zwaar gewicht toekomt kan daarvan worden afgezien. Zulke bijzondere omstandigheden zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gesteld of gebleken. Het behoort nu eenmaal tot de verantwoordelijkheid van een onderneming dat zij haar bedrijf voert in overeenstemming met de regels, waarbij dus geen sprake mag zijn van geurhinder. De voorzieningenrechter is ook niet van oordeel dat aan verzoekster onvoldoende tijd is gegund om maatregelen te treffen voordat de last werd opgelegd. Blijkens de onderliggende stukken waren er al langer klachten van omwonenden en was dat ook bekend bij verzoekster. De last is bovendien voorafgegaan door verschillende inspecties en een voornemen om een last op te leggen, zodat verzoekster voldoende heeft kunnen anticiperen op de uiteindelijke last.

25. Het voorgaande betekent dat het college handhavend moet optreden en dat, op basis van de huidige gegevens, geen sprake is van een bijzonder geval om daar van af te zien.

26. Wat betreft de begunstigingstermijn overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de aan een last verbonden begunstigingstermijn ertoe strekt de overtreding op te heffen. Als uitgangspunt voor de lengte van de begunstigingstermijn geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. In dit geval kunnen de overtredingen worden opgeheven door het gas van de kooktoestellen uit te zetten. De begunstigingstermijn is daarom geen onredelijke termijn. Dat verzoekster liever langer de tijd had gekregen kan de voorzieningenrechter begrijpen, maar de begunstigingstermijn wordt bepaald op basis van het voornoemde.

27. De voorzieningenrechter komt daarmee tot het oordeel dat het bezwaarschrift bij de huidige stand van zaken geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om desalniettemin aan te nemen dat het belang van verzoekster, dat gebaat is bij schorsing van het besluit zodat het bedrijf voorlopig kan worden voortgezet, zwaarder moet wegen dan het belang van de omwonden, dat gebaat is bij een woon- en leefklimaat zonder geurhinder.

Conclusie en gevolgen

28. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de last onder bestuursdwang in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.J. Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand