RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-294810-25
Datum uitspraak: 3 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 14 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 3 oktober 2025 door the Wels Public Prosecutor’s Office,Oostenrijk – met goedkeuring op dezelfde datum van Wels Regional Court, Oostenrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C.W. Houtepen, advocaat in
's-Hertogenbosch.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest warrant issued by the Wels Public Prosecutor's Office (Staatsanwaltschaft Wels) on 3 October 2025, file number 9 Hr 141/25a, reference 16 St 83/25s.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Oostenrijks recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Standpunt officier van justitie
Het feit van valsheid in geschrifte met een kenteken kan niet onder het lijstfeit vallen, maar is ook strafbaar naar Nederlands recht. De overige feiten vallen onder de lijstfeiten.
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst een deel van de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Oostenrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Het tweede door de uitvaardigende justitiële autoriteit in het EAB onder 2. genoemde feit kan blijkens de strafbaarstelling naar Oostenrijks recht niet onder de aangekruiste lijstfeiten vallen, aangezien volgens de verstrekte wetsartikelen naar Oostenrijks recht slechts een maximale vrijheidsstraf van zes maanden (Section 127 StGB) en één jaar (Section 229 StGB) op is gesteld. Het is daarmee geen feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van art. 41 lid 1, aanhef en onder a, WVW 1994.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft en dat daarmee aan de eerste eis van artikel zes, derde lid, OLW is voldaan. Aan de tweede in dat lid geformuleerde eis is echter niet voldaan omdat de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) in de brief van 22 december 2025 aangeeft dat dat de strafrechtelijke feiten van dit EAB ertoe kunnen leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:
De eerste voorwaarde
Omdat de opgeëiste persoon geen burger is van de Europese Unie én beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, hoeft de opgeëiste persoon niet meer aan de hand van andere stukken aan te tonen dat hij gedurende een periode van minimaal vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
De tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van IND. Uit de brief van de IND van 22 december 2025 blijkt het volgende:
“In antwoord op uw adviesverzoek van 18 december 2025 laat ik u weten dat de strafrechtelijke feiten die u beschrijft ertoe kunnen leiden dat de heer [de opgeëiste persoon] zijn verblijfsrecht verliest.
(…)
Een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd kan op grond van
artikel 22, lid 2, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet worden
ingetrokken, indien de vreemdeling onherroepelijk is veroordeeld voor een
misdrijf met een maximumstraf van drie jaar gevangenis of meer.
(…)
Aan uw verzoek ontleen ik dat de Oostenrijkse Justitie betrokkene wegens
misdrijven vervolgt. Op 25 april 2025 zou de heer [de opgeëiste persoon] zich hebben schuldig
gemaakt aan kentekendiefstal, deelname aan een criminele organisatie en het
ten minste tweemaal opblazen van een geldautomaat, met als doel het geld
daarin te stelen.
(…)
De maximumstraffen zijn achtereenvolgens zes jaar, twee jaar,
vier jaar, twaalf jaar, twaalf jaar, zes jaar en zes jaar gevangenis. Bij een
poging is de maximumstraf een derde lager.
(…)
Op basis van deze gegevens acht ik intrekking van het verblijfsrecht mogelijk.
Met zijn strafblad in Nederland geldt de heer [de opgeëiste persoon] al als veelpleger. Bij een
bewezenverklaring in Oostenrijk is dit eens te meer het geval. Bij een
verblijfsduur van meer dan vijftien jaar geldt een maximaal toelaatbare
(totale) gevangenisstraf van veertien maanden en die norm wordt dan ruim te
boven gegaan. (…)
Standpunt partijen
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het bericht van de IND onvoldoende is om te concluderen dat niet aan de laatste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan omdat het gaat om een verwachting en er bovendien geen rekening is gehouden de persoonlijke feiten en omstandigheden van de opgeëiste persoon.
De officier van justitie stelt dat er niet voldaan is aan de voorwaarden van gelijkstelling gelet op de verklaring van de IND
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw. Uit artikel 6, derde lid, OLW kan worden afgeleid dat alleen vereist is dat de verwachting wordt uitgesproken dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet verliest. De wetgever heeft daarmee aan de overleveringsrechter een beoordeling met een voorlopig karakter opgedragen. Daarbij is al rekening gehouden met de mogelijkheid dat de beoordeling door de IND over de vraag of de opgeëiste persoon na een veroordeling daadwerkelijk zijn verblijfsrecht zal verliezen, afwijkt van de beoordeling in voornoemd advies. Gelet op voornoemd bericht van de IND kan niet worden gezegd dat ten aanzien van de opgeëiste persoon niet de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Er is dus niet voldaan aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander, zodat geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6 OLW.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 41 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan Wels Regional Court,Oostenrijk, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.