RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Parketnummer: 13.187424.26
[verdachte]
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/187424-26
Datum uitspraak: 23 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortedatum] 2006, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, volgens eigen opgave ter terechtzitting feitelijk verblijvende op het adres [adres] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. van der Veen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.J.E. Berfelo, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – primair ten laste gelegd dat hij zich op 20 februari 2026 te Lelystad heeft schuldig gemaakt aan de uitlokking van het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing bij de voordeur van het pand aan de [adres] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Subsidiair wordt verdachte verweten het medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van de ontploffing en meer subsidiair wordt verdachte verweten medeplichtigheid aan het teweegbrengen van de ontploffing.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden bewezen dat verdachte de uitlokker is van de ontploffing op 20 februari 2026. Bij de uitlokking van het feit was gemeen gevaar voor goederen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde feit. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.
Oordeel van de rechtbank
[naam 1] heeft de explosie veroorzaakt
Op basis van het dossier kan het volgende worden vastgesteld. Op 20 februari 2026 heeft er een ontploffing plaatsgevonden aan de [adres] . Aangever heeft verklaard via de ringdeurbel te hebben gezien dat een persoon, die later medeverdachte [naam 1] bleek te zijn, twee flessen op de grond legde. Aangever zag dat [naam 1] het voorwerp aanstak. [naam 1] is ter plekke aangehouden en heeft het volgende verklaard. Hij heeft een explosief bij de woning aan de [adres] laten afgaan. Via Snapchat was hij benaderd om voor € 3.000,- een cobra met benzine bij een huis aan te steken, waarbij hij het explosief moest neerzetten en een video moest maken. Hij is door twee jongens is opgehaald en naar Lelystad gebracht. Hij heeft van de bijrijder het explosief gekregen, te weten een pakketje met 3 cobra's en 4 flessen wasbenzine.
Verdachte is gebruiker van het account ‘ [accountnaam] ’
Uit onderzoek van de telefoon van [naam 1] volgt dat er, een half uur voor de explosie aan de [adres] , een chatgesprek is gestart tussen [naam 1] en ‘ [accountnaam] ’. In het gesprek werden twee video’s gedeeld, te weten een video van het aansteken en het laten afgaan van het explosief. [naam 1] kreeg middels ‘ [accountnaam] ’ aanwijzingen over wat hij ter plaatse op de locatie moest doen.
Verdachte verklaart ter terechtzitting dat ‘ [accountnaam] ’ zijn accountnaam betreft. Hij verklaart ook dat hij toegang had tot het account, maar hij ontkent in de chat met [naam 1] instructies met betrekking tot de ontploffing te hebben gegeven.
Volgens verdachte hadden meerdere personen toegang tot het account. Ook na doorvragen van de rechtbank heeft verdachte hierover verder niets concreets verklaard. Deze bewering is daardoor op geen enkele manier te controleren.
De feiten die wel zijn komen vast te staan, wijzen erop dat verdachte niet alleen de gebruiker is geweest van het account ‘ [accountnaam] ’, maar dat hij ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor de instructies die via dat account kort voor de ontploffing aan [naam 1] zijn gegeven. Ten eerste heeft verdachte de tas met daarin explosieven in de auto aan [naam 1] overhandigd. Ten tweede heeft verdachte zelf verklaard dat hij wist dat er een ontploffing zou plaatsvinden. Ten derde, verdachte heeft kort nadat de instructies zijn gegeven, de video van de ontploffing gezien terwijl hij in de auto zat. Die video is door [naam 1] aan ‘ [accountnaam] ’ gezonden.
Op grond van de genoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte de gebruiker is van het account ‘ [accountnaam] ’ en ook verantwoordelijk is geweest voor het sturen van de berichten met instructies.
Vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde
De rechtbank acht niet bewezen dat daarmee sprake is geweest van uitlokking. Om te kunnen spreken van (strafbare) uitlokking, moet worden voldaan aan vijf vereisten: 1) de uitlokker moet willen dat een specifiek strafbaar feit wordt gepleegd en dat een ander dat gaat doen, hij moet met andere woorden zowel opzet hebben op het uitlokken als op het strafbare feit dat hij of zij uitlokt (dubbel opzet), 2) de uitlokker moet die ander aanzetten het strafbare feit te begaan, 3) de uitlokker moet gebruik maken van een of meer uitlokkingsmiddelen, 4) het uitgelokte delict moet zijn gevolgd en 5) degene die is uitgelokt, moet strafbaar zijn.
In dat kader overweegt de rechtbank het volgende. Op basis van het dossier is niet vast te stellen dat verdachte degene is geweest die [naam 1] heeft benaderd om voor € 3.000,- een cobra met benzine bij een huis aan te steken, ook al is [naam 1] nadat hij was benaderd wel in een snapchat-gesprek terecht gekomen waar ook “ [accountnaam] ’ deelnemer was. Maar daarmee is niet komen vast te staan dat het verdachte is geweest die [naam 1] eerst heeft benaderd en met de belofte van een groot geldbedrag heeft aangezet de ontploffing uit te voeren. Verdachte zal dan ook van het primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Het oordeel over het subsidiair tenlastegelegde
Het medeplegen van het veroorzaken van de ontploffing acht de rechtbank wel bewezen. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen is vereist dat verdachte en zijn medeverdachte het feit gezamenlijk hebben uitgevoerd, of dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte. Voor dit laatste geval moet op basis van het dossier vast komen te staan dat verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het delict.
Verdachte heeft verklaard dat hij wist wat er ging gebeuren, namelijk het teweegbrengen van een explosie bij een woning. Daarnaast heeft verdachte [naam 1] naar de [adres] gebracht, het explosief aan [naam 1] overhandigd en [naam 1] instructies gegeven. Voorts heeft verdachte afgewacht wat er zou gebeuren, heeft op zijn account een video ontvangen van de ontploffing en is na dit gezien te hebben, weggevlucht. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat voldoende kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het teweegbrengen van een explosie.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Subsidiair
hij, op 20 februari 2026 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht en een ontploffing teweeg heeft gebracht, door explosieven zijnde Cobra's, gekoppeld aan flessen met brandbare vloeistof, bij en/of tegen de voordeur van een woning te leggen en/of bevestigen, en (vervolgens) aan te steken, waardoor dit explosief totontploffing is gebracht en brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning/het pand gelegen aan de [adres] en/of voor naastgelegen en/of tegenovergelegen panden/woningen te duchten was;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij het opleggen van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing in Lelystad.
Bij de weging van de ernst van het feit betrekt de rechtbank dat de samenleving in toenemende mate wordt geconfronteerd met dergelijke explosies met alle gevolgen van dien. Steeds vaker worden op lichtzinnige wijze explosieven ingezet als druk- of vergeldingsmiddel met als doel om schade toe te brengen aan (bezittingen van) slachtoffers of gevoelens van angst bij hen teweeg te brengen. Niet zelden worden ook naastgelegen panden beschadigd en worden personen in gevaar gebracht. Ook komt het voor dat de plegers zich in het adres vergissen waardoor explosieven tot ontploffing worden gebracht bij willekeurige slachtoffers. Slachtoffers weten vaak niet van wie het geweld afkomstig is en waarom zij doelwit zijn geworden. Dat lijkt ook in deze zaak het geval te zijn. De gevoelens van angst raken met dit alles niet alleen de personen die rechtstreeks met de explosies worden geconfronteerd, maar treffen de samenleving als geheel. Ook betrekt de rechtbank bij de weging van de ernst van het feit dat veelal zeer jeugdige personen worden overgehaald om de ontploffingen uit te voeren, zo ook in deze zaak. Ook weegt mee dat verdachte door middel van het teweegbrengen van de explosie heeft aangetoond zich weinig aan te trekken van de hierboven beschreven gevolgen. Al met al heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig en gevaarlijk strafbaar feit.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 september 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf.
Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, d.d. 25 september 2026. De reclassering stelt dat er risicofactoren zijn op het gebied van het psychosociaal functioneren van verdachte en zijn sociale netwerk. De reclassering acht het noodzakelijk dat het reclasseringstoezichtkader wordt gecontinueerd. De reclassering adviseert bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, ambulante behandeling, een verblijf in begeleid wonen, een contact- en locatiegebod, dagbesteding en aflossing van schulden.
De op te leggen straf
Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor het bewezen verklaarde feit gekeken naar deze oriëntatiepunten. Hieruit volgt dat het uitgangspunt bij een bewezenverklaring van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel een gevangenisstraf van drie jaren is. Dit oriëntatiepunt ziet in het bijzonder op een plofkraak.
Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, kan niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank meer dan de officier van justitie rekening heeft gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en met de bevindingen van de reclassering. De rechtbank legt een aanzienlijk deel van de straf voorwaardelijk op, omdat de reclassering nog mogelijkheden ziet om met het stellen van bijzondere voorwaarden gedragsverandering te bewerkstelligen. Het voorwaardelijke deel van de straf dient tevens als stevige stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw in de fout te gaan. Doet hij dat toch dan weet hij dat daaraan direct consequenties verbonden kunnen worden en dat hij het resterende deel van de straf alsnog zal moeten uitzitten.
Alles afwegende legt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaren aan verdachte op. Daarnaast worden aan verdachte de bijzondere voorwaarden opgelegd zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.
8. Voorlopige hechtenis
Bij bevel van 2 juli 2026 heeft de rechter-commissaris de bewaring van verdachte bevolen. Op 13 juli 2026 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen voor de duur van 30 dagen. Op 27 juli 2026 is de voorlopige hechtenis met ingang van 31 juli 2026 geschorst onder voorwaarden. Verdachte is sindsdien onder voorwaarden in vrijheid gesteld in afwachting van de uitkomst van dit strafproces.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven. De rechtbank begrijpt haar standpunt zo dat bij een veroordeling van verdachte tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf het strafvorderlijk belang bij het direct executeren van die straf zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van verdachte bij schorsing.
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte, bij een veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zijn straf direct wil uitzitten ook als dat betekent dat hij op de datum van de uitspraak weer komt vast te zitten. De rechtbank begrijpt dit standpunt zo dat verdachte bij een veroordeling niet langer een zwaar(der)wegend persoonlijk belang heeft bij het in vrijheid afwachten van de uitkomsten van een eventueel hoger beroep.
Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat het strafvorderlijk belang bij opheffing van de schorsing zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van verdachte. De rechtbank zal daarom de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 10 (tien) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:
Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Leger des Heils Reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Ambulante behandeling
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meewerkt aan diagnostiek en zich aansluitend laat behandelen door de forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op delictpreventie, gezinssysteem en/of andere problematiek.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Dat veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij Stichting Exodus of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Contactverbod
Dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de medeverdachte(n): [naam 1] , geboren [geboortedatum] en [naam 2] geboren [geboortedatum] .
Locatiegebod (met elektronisch toezicht)
Dat veroordeelde gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling heeft veroordeelde 2 uur vrij te besteden en op dagen in het weekend 4 uur. De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Tevens is het zo dat veroordeelde voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Smit, voorzitter,
mrs. A.M. Loots en M. Bakhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M. Essink, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 oktober 2026.