ECLI:NL:RBAMS:2026:10410

ECLI:NL:RBAMS:2026:10410

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 23-10-2026
Datum publicatie 23-10-2026
Zaaknummer 13/166352-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar voor poging tot moord

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Parketnummer: 13.166352.26

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/166352-26

Datum uitspraak: 23 oktober 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] 1981,

wonende op het adres [adres] , thans gedetineerd te: [detentieadres] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 oktober 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L. Vermeulen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof, die waarneemt voor mr. B.H. van der Zwan, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en wat [naam 1] van Slachtofferhulp namens de benadeelde partij hierover ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – samengevat – ten laste gelegd dat hij op 5 juni 2026 te Amsterdam zich schuldig heeft gemaakt aan

primair: een poging tot moord/doodslag op [benadeelde partij] ;

subsidiair: zware mishandeling met voorbedachte raad van [benadeelde partij] ;

meer subsidiair: een poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad van [benadeelde partij] .

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte degene is geweest die de baksteen heeft gegooid tegen het hoofd van [benadeelde partij] . Hij heeft daarbij voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [benadeelde partij] . Verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. De officier van justitie vindt daarmee dat poging tot moord bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het primair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat de persoon op de scooter degene is geweest die de baksteen heeft gegooid en ook niet dat die persoon verdachte was. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van voorbedachte raad. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat geen sprake is van opzet op de dood, zodat verdachte ook hiervan moet worden vrijgesproken. Voor wat betreft de meer subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het primair ten laste gelegde

Het gooien van de baksteen door verdachte

Op grond van de in bijlage opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 5 juni 2026 omstreeks 21:40 uur rijdt een persoon op een scooter langs een rondvaartboot die dan is aangemeerd aan de kade aan de Boerenwetering achter de RAI bij het Europaplein te Amsterdam. Op dat moment wordt er een baksteen via een open raam van de rondvaartboot de boot ingegooid. De baksteen raakt het hoofd van [benadeelde partij] die daardoor bewusteloos raakt en ernstig letsel aan haar hoofd oploopt. Zij wordt met spoed naar het ziekenhuis overgebracht. Het moment dat de scooterrijder langs de boot rijdt, is vastgelegd op camerabeeld. Op basis van de beschrijving van die beelden stelt de rechtbank vast dat de baksteen is gegooid door de scooterrijder.

De opvarenden van de rondvaartboot zijn eerder die avond ter hoogte van de Ruysdaelkade te Amsterdam in conflict gekomen met twee opvarenden, een man en een vrouw, van een zeilbootje.

Verdachte heeft op de terechtzitting erkend dat hij en zijn partner [naam 2] de personen zijn geweest op het zeilbootje maar dat hij geen ‘actieve herinnering’ heeft aan de gebeurtenissen van die avond. Wel herinnert hij zich na het zien van een filmpje op tiktok van ‘de bootruzie’ nog vaag dat er eerder die avond inderdaad een conflict was tussen hen en (opvarenden van) de rondvaartboot. Hij zegt dat hij pas weer herinneringen heeft vanaf het moment dat hij de volgende ochtend met een stevige hoofdpijn wakker werd. Verdachte heeft verder verklaard dat hij niet weet of hij degene is geweest die de baksteen heeft gegooid, en dat hij zich niet herkent op de beelden van de scooterrijder.

Op grond van de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de scooterrijder is geweest en dat verdachte dus degene is geweest die de baksteen door het open raam de rondvaartboot ingegooid heeft. Voor dat oordeel zijn de volgende feiten en omstandigheden redengevend.

Aan de hand van camerabeelden van 5 juni 2026 omstreeks 16.18:55 uur van Albert Heijn, filiaal aan het [adres] te Amsterdam, heeft de politie vastgesteld welke kleding en schoenen verdachte die dag droeg en dat verdachte een tatoeage heeft op zijn linker onderarm. Verdachte heeft bevestigd dat hij de persoon is op de camerabeelden van Albert Heijn.

Onderzoek heeft uitgewezen dat het zeilbootje (van de partner) van verdachte die dag omstreeks 16.33:22 uur lag aangemeerd ter hoogte van de [adres] te Amsterdam. Op camerabeelden wordt door de politie waargenomen dat verdachte omstreeks dat tijdstip samen met zijn partner op een bromfiets komt aangereden en op de boot stapt. Hij draagt op dat moment dezelfde kleding als te zien op de beelden van Albert Heijn. De bromfiets waarop zij rijden komt sterk overeen met de bromfiets die op naam staat van de zoon van verdachte.

Uit camerabeelden ter hoogte van de [adres] blijkt dat ‘de bootruzie’ zich heeft afgespeeld vanaf omstreeks 21.13:42 uur die avond. Uit de beschrijving van de TikTok-beelden blijkt dat verdachte op dat moment dezelfde kleding draagt als eerder die dag bij de Albert Heijn.

Omstreeks 21.27:59 uur meren verdachte en zijn partner met hun zeilbootje weer aan ter hoogte van de [adres] te Amsterdam. Om 21.33:28 uur stapt verdachte op de bromfiets en vertrekt richting Stadionkade.

Om 21.39:19 uur verschijnt een bromfiets in beeld van de camera bij ingang P9 bij de RAI. De bromfiets komt overeen met de bromfiets waarop verdachte eerder aan de Mozartkade is gezien en de kleding van de bestuurder komt overeen met de kleding die verdachte die dag droeg. Die scooter rijdt dan vervolgens via de Parallel Wielingenstraat over de kade aan de Boerenwetering waar de rondvaartboot op dat moment aanmeert. Om 21.40:08 uur komt diezelfde bromfiets in beeld en gooit de bestuurder de steen door het open raam de rondvaartboot in. De bestuurder rijdt dan via het evenemententerrein van de RAI terug richting de Wielingenstraat. Omstreeks 21.40:18 uur komt hij in beeld van Camera 4. Op beelden van die camera wordt waargenomen dat de scooterrijder op die plek een (naar later blijkt) zelfde type baksteen achterlaat. Op beelden aan de [adres] komt de bromfiets omstreeks 21.41:22 uur in beeld en wordt waargenomen dat die sterk overeenkomt met de scooter van de zoon van verdachte. Ook wordt waargenomen dat de bestuurder een donkere verkleuring op zijn linker onderarm heeft en dat de kleding sterk overeenkomt met de kleding die verdachte die dag droeg.

Tot slot verklaren getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] dat zij de bestuurder van de bromfiets herkennen als de persoon met wie opvarenden van de rondvaartboot eerder op de dag een conflict op het water hadden, te weten verdachte. Hoewel de door hun opgegeven uiterlijke kenmerken van de persoon op het zeilbootje en de persoon op de scooter niet steeds volledig overeenkomen, acht de rechtbank hun herkenningen – in onderlinge samenhang bezien met de hierboven beschreven feiten en omstandigheden – betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de bestuurder van de bromfiets is geweest en dat hij de (bak)steen heeft gegooid. Het signalement, de tijdlijn en de bromfiets passen daarbij. De ruzie op het water ook. Kennelijk wilde verdachte verhaal halen.

De vraag is vervolgens hoe dit handelen juridisch moet worden gekwalificeerd.

Voorwaardelijk opzet op de dood

Het dossier bevat geen bewijs dat verdachte het slachtoffer moedwillig heeft proberen te doden met het gooien van de baksteen. Vol opzet op de dood is daarmee niet bewezen.

Opzet op een bepaald gevolg kan echter ook worden aangenomen indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte van relatief korte afstand de (bak)steen door een open raam de rondvaartboot heeft ingegooid. De omstandigheid dat verdachte op dat moment reed op een scooter is redengevend voor de vaststelling dat de baksteen met enige snelheid c.q. kracht het hoofd van het slachtoffer heeft geraakt. Door het eerdere conflict met de rondvaartboot wist verdachte dat er zich in de boot een groot aantal mensen bevond. Uit de camerabeelden en de getuigenverklaringen volgt dat de boot nog maar net was aangemeerd en dat deze personen ook op het moment dat verdachte de baksteen gooide nog op de boot aanwezig waren. Verdachte moet dat hebben gezien toen hij langs reed en de baksteen gooide. Verder volgt uit onderzoek dat de baksteen 3,358 kilogram woog. Door het gooien van een baksteen op hoofdhoogte in een boot met een groot aantal personen, heeft verdachte de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de baksteen een van die personen tegen het hoofd zou raken. Naar algemene ervaringsregels levert het gooien van een baksteen van een dergelijk gewicht met enige kracht en snelheid tegen het hoofd, de aanmerkelijke kans op de dood van die persoon op. Verdachte moet zich daar, zoals ieder weldenkend mens, van bewust zijn geweest op het moment dat hij de baksteen de boot ingooide. Uit de doelgerichte gedragingen van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard.

Daarmee is voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer bewezen.

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechtbank het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Vaststaat dat verdachte eerder op de avond bij de Ruysdaelkade een conflict heeft gehad met opvarenden van de rondvaartboot. Uit de getuigenverklaringen van [getuige 4] en [getuige 2] volgt dat verdachte vanaf het moment van het conflict op enkele centimeters van de rondvaartboot is gaan varen en tegen de boot aan bleef varen, ondanks pogingen van de getuige [getuige 2] om het bootje van verdachte af te houden. Ook blijkt uit de getuigenverklaringen dat verdachte vervolgens achter de rondvaartboot is aangevaren en om de rondvaartboot heen is gaan varen. Omdat de schipper - getuige [getuige 4] - de situatie bedreigend vond, heeft hij 112 gebeld en om hulp van de politie gevraagd. [getuige 4] is de rondvaartboot toen gaan aanmeren bij de RAI. Verdachte is in de tussentijd aangemeerd bij de Mozartkade en is vrijwel direct op de scooter gestapt en naar de aanmeerplek van de rondvaartboot gereden. Verdachte heeft de rondvaartboot dus doelbewust opgezocht.

De omstandigheid dat verdachte bij het verlaten van de plaats delict een tweede baksteen heeft achtergelaten, en het feit dat er in de omgeving geen bestrating aanwezig was die uit dezelfde stenen was opgebouwd, is redengevend voor de conclusie dat verdachte die bakstenen heeft meegenomen vanaf een andere locatie naar de plaats delict toe.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte het al vanaf het conflict op het water ter hoogte van de Ruysdaelkade op de opvarenden van de rondvaartboot had voorzien. Vanaf het moment van het conflict heeft hij ze in een tijdsbestek van circa 27 minuten aangevaren, achterna gevaren en is hij dreigend om hen heen gaan varen. Vervolgens is hij teruggevaren naar zijn vaste aanmeerplek om snel de scooter te pakken. Vervolgens heeft hij twee grote bakstenen bemachtigd, is hij met twee bakstenen doelbewust naar de aanmeerplek van de rondvaartboot gereden en heeft hij op relatief korte afstand al rijdend vanaf de baksteen de rondvaartboot in gegooid. Dit alles wijst op de uitvoering van een tevoren gemaakt plan.

De rechtbank neemt op grond van al deze gerichte handelingen aan dat verdachte vóór de uitvoering van zijn daad heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. Verdachte heeft ook voldoende tijd gehad om over de consequenties na te denken. Dat hij onder invloed van alcohol was, doet hier niets aan af. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken.

Van enige contra-indicaties, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is de rechtbank evenmin gebleken. Verdachte gooit kennelijk zonder enige aarzeling de baksteen in de rondvaartboot. Niets van het handelen van verdachte wijst erop dat hij zich daarna heeft bekommerd om de gevolgen van zijn handelen en om het slachtoffer, terwijl hij moet hebben meegekregen dat mensen uitstapten en riepen. Verdachte is van de plaats delict weggereden, teruggegaan naar zijn boot en is samen met zijn partner met de scooter weggereden.

Uit de berichten aan zijn partner [naam 2] blijkt dat verdachte zich er wel degelijk van bewust is geweest dat zijn handelen ernstige gevolgen had. Zo hield hij er rekening mee dat hij enige tijd moest verdwijnen. In het licht van die berichten acht de rechtbank niet geloofwaardig dat verdachte zich werkelijk niets meer van zijn handelen kan herinneren. Desondanks is verdachte, ook op doorvragen van de rechtbank, blijven volhouden dat hij er ‘geen actieve herinnering’ meer aan heeft. Verdachte heeft hierdoor geen enkel inzicht gegeven waarom hij die avond zo heeft gehandeld. Ook in zoverre zijn geen contra-indicaties gebleken die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

Conclusie

Bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot moord.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Primair

op 5 juni 2026 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachte raad een ander, te weten [benadeelde partij] van het leven te beroven, een (bak)steen, tegen het hoofd van die [benadeelde partij] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf van negen jaren op te leggen, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij het opleggen van een straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord. Het baart de rechtbank zorgen dat een zo geringe aanleiding als een ruzie tijdens het varen, de verdachte ertoe heeft gebracht om de opvarenden doelbewust op te zoeken en een baksteen tegen het hoofd van het slachtoffer te gooien. Voor zover de rechtbank kan vaststellen was het slachtoffer niet betrokken bij het conflict, maar ook als dat wel het geval zou zijn geweest, is het handelen van verdachte onaanvaardbaar. Het slachtoffer mag van geluk spreken dat zij de klap op haar hoofd heeft overleefd. Maar dat neemt niet weg dat haar letsel zeer ernstig was en dat zij daarvan nog altijd ingrijpende beperkingen ondervindt. Zo is zij niet meer in staat om te werken en kan zij ook veel alledaagse handelingen niet zelfstandig meer doen. Zij kan niet meer alleen thuis zijn en er moet altijd iemand uit haar gezin thuis aanwezig zijn om haar te helpen. Haar leven en dat van haar gezin is hierdoor volledig ontwricht geraakt en het is onzeker of zij ooit volledig zal herstellen.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 15 september 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit.

Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, d.d. 24 september 2026. Hieruit volgt — kort weergegeven — dat de Reclassering risicofactoren ziet ten aanzien van het alcoholgebruik, het psychosociaal functioneren en de financiële situatie. Dat verdachte een stabiele woonplek heeft, hulp krijgt van een professional bij zijn financiële situatie en hij een ‘gezond’ sociaal netwerk heeft ziet de reclassering als beschermende factoren.

De op te leggen straf

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende komt de rechtbank tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren.

De rechtbank wijkt hiermee af van de vordering van de officier van justitie, omdat de rechtbank, in ieder geval meer dan de officier van justitie, rekening houdt met de omstandigheid dat het hier voorwaardelijk opzet betreft en dat verdachte niet het volle opzet heeft gehad om iemand potentieel dodelijk te raken.

8. Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:

Standpunten

De officier van justitie heeft gevorderd dat het goed onder nummer 1 moet worden verbeurdverklaard, het goed onder nummer 2 moet worden onttrokken aan het verkeer en het goed onder nummer 3 mag worden geretourneerd aan verdachte.

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het beslag.

Oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

Het goed onder nummer 1 behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.

Onttrekking aan het verkeer

Het goed onder nummer 2, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden onttrokken aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, nu dit voorwerp is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek van het door verdachte begane misdrijf, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Teruggave aan verdachte

Het goed onder nummer 3 behoort aan verdachte toe. Deze wordt teruggegeven aan verdachte, omdat hiervan niet kan worden vastgesteld dat het goed in verband staat tot het bewezen geachte feit en het beslag dus geen strafvorderlijk doel meer dient.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij vordert € 5.985,78 aan vergoeding van materiële schade en € 137.500, aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunt van de officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot materiele- en immateriële schadevergoeding toe te wijzen.

De raadsman heeft ten aanzien van het immateriële deel van de vordering betwist dat de medische onderbouwing toereikend is. Volgens de raadsman geven de medische bijlagen aanleiding tot nader onderzoek, zodat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten aanzien van het materiële deel heeft de raadsman aangevoerd dat de kosten voor het gehoorapparaat en de huishoudelijke hulp onvoldoende zijn onderbouwd en daarom eveneens niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat [benadeelde partij] als gevolg van het bewezen geachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Materiële schade

De rechtbank acht toewijzing van de schadeposten ‘ziekenhuis daggeldvergoeding’ (€ 76,-) en de reiskosten (€ 316,28) aan de orde. Zij acht de gevorderde schade het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. De verdachte is voor deze schade aansprakelijk.

Ten aanzien van de schadepost ‘toekomstige schadepost gehoorapparaat’ zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij zal tevens niet-ontvankelijk worden verklaard in de schadepost ‘huishoudelijke hulp’, omdat onvoldoende is onderbouwd waarom het gehanteerde tarief die geldt voor een gezin met thuiswonende minderjarige kinderen passend zou zijn terwijl de (weliswaar thuiswonende) kinderen van de benadeelde partij meerderjarig zijn.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 392,28 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, tot de dag van de voldoening.

Immateriële schade

Vast staat dat de benadeelde partij letsel heeft opgelopen dat heel ernstig van aard is en dat zij mogelijk nog jaren zal moeten herstellen en revalideren. Ook staat vast dat dit tot aanzienlijke fysieke beperkingen heeft geleid. Door de verdediging is echter, zoveel als redelijkerwijs kan worden verwacht binnen het beperkte bestek van de behandeling van een civiele vordering van deze omvang binnen het strafproces, gemotiveerd betwist dat het letsel de aard en omvang heeft zoals die door de benadeelde partij is gesteld.

De rechtbank acht niet verzekerd dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van hun standpunten kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren. Wel acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de schade van de benadeelde partij naar billijkheid op minimaal € 37.500,- kan worden vastgesteld.

Voor het resterende deel van de vordering is nader debat en wellicht nadere bewijslevering noodzakelijk. Daarvoor is binnen het strafgeding echter geen ruimte. Dit zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal, daarom gelet op het bepaalde in art. 6 lid 1 EVRM, de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat zij dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 45, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen:

Verklaart verbeurd:

2e baksteen aangetroffen op 7 juni 2026: 3,5 kg (PL1300-2026144180-6824176);

Verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende goederen:

Stootwapen (Boksbeugel) (PL1300-2026144180-6837173);

Gelast de teruggave aan rechthebbende van:

Communicatieap (Telefoon) Google Pixel (PL1300-2026144180-6837167).

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 392,28 (driehonderdtweeënnegentig euro en achtentwintig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 37.500 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 37.892,28 (zevenendertigduizend achthonderdtweeënnegentig euro en achtentwintig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (5 juni 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 184 (honderdvierentachtig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Smit, voorzitter,

mrs. A.M. Loots en M. Bakhuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Essink, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Smit

Griffier

  • mr. A.M. Essink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand