ECLI:NL:RBAMS:2026:10458

ECLI:NL:RBAMS:2026:10458

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 20-10-2026
Datum publicatie 26-10-2026
Zaaknummer 13-225533-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Executie-EAB uit Roemenië. Samenvoegingsvonnis. Artikel 12 OLW: niet van toepassing. Roemeense detentieomstandigheden: detentiegarantie. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-225533-26 (EAB 2)

Datum uitspraak: 20 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 24 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 7 augustus 2026 door the Brăila Court, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 2002,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A. Petrescu, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. De rechtbank stelt vast dat in de ID-staat betreffende de opgeëiste persoon als geboortedatum [geboortedag] 2002 vermeldt. Aangezien zowel het onderhavige EAB als het eerste EAB dat onder parketnummer 13-222578-26 aanhangig is [geboortedag] 2002 als geboortedatum vermeldt en de opgeëiste persoon ter zitting heeft bevestigd dat dit de juiste geboortedatum is, zal de rechtbank daarvan uitgaan.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the Brăila Court van 2 juli 2026, met kenmerk 1068 en zaaknummer 16936/196/2024. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan op 28 juli 2026.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een samengevoegde vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren. Bij deze samenvoeging zijn, naast het hiervoor vermelde vonnis van 2 juli 2026, ook de vonnissen betrokken van:

De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het vonnis van 2 juli 2026 (hierna: het samenvoegingsvonnis) en hij moet deze straf ondergaan in Roemenië. Op deze straf wordt de reeds uitgezeten periode van 31 juli 2024 tot 28 maart 2026 in mindering gebracht.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Subsidiair moet de zaak worden aangehouden om de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen omtrent de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW, nu de gegeven antwoorden onduidelijkheden bevatten.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. De opgeëiste persoon is in persoon is verschenen op de zitting die heeft geleid tot het samenvoegingsvonnis. Ten aanzien van het eerste onderliggende vonnis, de beslissing met in eerste aanleg kenmerk 921 en in tweede aanleg kenmerk 1086/A, geldt dat de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld, maar daarna het hoger beroep heeft ingetrokken. De officier van justitie is daarom van mening dat verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in eerste aanleg getoetst moeten worden. Hiervoor geldt dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg in persoon is verschenen. Ten aanzien van het tweede onderliggende vonnis met in hoger beroep kenmerk 66/A geldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn advocaat.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het samenvoegingsvonnis

Op grond van het EAB en de aanvullende informatie van 1 september 2026 kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

Ten aanzien van het vonnis met kenmerk 921 en het arrest met kenmerk 1086/A

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit de aanvullende informatie van 1 september 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing in eerste aanleg. In hoger beroep is de opgeëiste persoon, op dat moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting van Galaţi, via videoverbinding aanwezig geweest bij een behandeling van de zaak op 12 november 2025 en werd hij bijgestaan door een advocaat. Nadat de behandeling van de procedure in hoger beroep is aangehouden tot 20 november 2025 en de opgeëiste persoon zijn appel heeft ingetrokken, is op 20 november 2025 het arrest gewezen. Door de intrekking van het appel is voorstelbaar dat in hoger beroep geen beoordeling ten gronde heeft plaatsgevonden. Nu de rechtbank dit niet met zekerheid kan vaststellen, zal zij zekerheidshalve beide procedures aan artikel 12 OLW toetsen.

Voornoemde aanvullende informatie vermeldt dat de opgeëiste persoon zowel in eerste als in tweede aanleg in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissingen heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

Ten aanzien van het vonnis met kenmerk 1315 en het arrest met kenmerk 66/A

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het arrest met kenmerk 66/A toetsen aan artikel 12 OLW.

De aanvullende informatie van 1 september 2026 vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

5. Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

straatschenderij;

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

diefstal;

verduistering.

6. Artikel 11 OLW: Roemeense detentieomstandigheden

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft haar zorgen geuit over de Roemeense detentieomstandigheden, ondanks de ten behoeve van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie. Het recente rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 3 september 2026 moet leiden tot een uitbreiding van het reeds aangenomen algemeen gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling in verband met agressie van personeel tegen gedetineerden en geweld tussen gedetineerden onderling.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De geboden garantie neemt het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon weg. Het recente CPT-rapport van 3 september 2026 maakt bovendien ook niet dat moet worden getwijfeld of de verstrekte garantie nog wel kan worden nageleefd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, waaronder met name de overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). De rechtbank constateert dat het recente CPT-rapport van 3 september 2026 het reeds aangenomen algemeen gevaar van een onmenselijke en vernederende behandeling bevestigt. De raadsvrouw heeft onvoldoende onderbouwd waarom het rapport tot nieuwe inzichten moet leiden. Uit het CPT-rapport blijkt niet dat de door de raadsvrouw gestelde problematiek met betrekking tot geweld tegen gedetineerden zich voordoet in de penitentiaire instellingen van Bucharest-Rahova en Brăila, waar de opgeëiste persoon volgens de aanvullende informatie van 26 augustus 2026 naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Immers blijkt uit het CPT-rapport dat het geweld tussen gedetineerden onderling over het algemeen beperkt is in ernst en frequentie in Bucharest Rahova Penitentiary, waarbij het personeel en het management passend reageerden op gemelde incidenten. Hoewel Brăila Penitentiary niet is bezocht door de CPT, heeft de rechtbank ook geen aanleiding om aan te nemen dat er zorgen zijn ten aanzien van Brăila Penitentiary als het gaat om geweld tussen gedetineerden onderling. Als het gaat om agressie van personeel tegen gedetineerden merkt CPT in haar rapport op dat sprake is van een aanzienlijk lager aantal meldingen van mishandeling in vergelijking met eerdere bezoeken. De raadsvrouw heeft ten aanzien van beide detentie-instellingen geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit een algemeen gevaar blijkt voor geweld tussen en tegen gedetineerden en de rechtbank is ambtshalve niet met dergelijke gegevens bekend. Daarom verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw voor zover zij heeft betoogd dat het reeds vastgestelde algemeen gevaar moet worden uitgebreid.

De Roemeense autoriteiten hebben op 21 augustus 2026 ten behoeve van de opgeëiste persoon een detentiegarantie verstrekt, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“In the situation in which the person deprived of liberty shall be surrendered to the Romanian authorities on the Henri Coandă Airport of Bucharest, the person will initially be detained in the Bucharest Rahova Penitentiary during the quarantine period, for a period of 21 days, in a room that provides a minimum space of 3 square meters.(…)

Considering the amount of the sentence, he will most likely serve his initial custodial sentence in a semi-open regime . At the same time, given his domicile, he will most likely initially serve his sentence in Brăila Penitentiary . (…)

According to the law, after the execution of one fifth of the sentence , the convict will be re-analyzed in order to change the regime of execution of the sentence. The evolution of the regime of execution of the sentence cannot be predicted as it depends, mainly, on the behavior adopted during the execution of the sentence. In the event that the detainee's execution regime changes to the open regime , he will most likely remain in the custody of the Braila Penitentiary. (…)

The named [opgeëiste persoon] will benefit from a minimum individual space of 3 square meters, during the entire period of execution of the sentence, except for the distribution within the open regime, during which he will benefit from 4 square meters , including the bed and the related furniture, without including the space intended for the sanitary group , the number of detainees being configured in relation to the surface area of the room. Each detainee will be provided with an individual bed equipped with specific barracks. (…)

The National Penitentiary Administration guarantees that, throughout the period of execution of the sentence, including the bed and related furniture, without including the space intended for the sanitary group, the prisoner will benefit from a minimum individual space) as follows:

- 3 square meters during the quarantine and observation period; (…)

- 3 square meters in the case of execution of the sentence in a semi-open regime;

- 4 square meters in the case of execution of the sentence in an open regime.

The National Penitentiary Administration guarantees the execution of the

sentence of deprivation of liberty throughout its period, including the quarantine

and observation period, in decent conditions that ensure respect for human

dignity.”

Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Roemeense autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor het toestaan van de overlevering.

7. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

8. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 285, 321, 424 Wetboek van Strafrecht, 27, 54 Wet wapens en munitie, en 2, 5 en 7 OLW.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Brăila Court, Roemenië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A.B.M. Wijnveldt, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en L. Baroud, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Mulder en mr. E.A. Harland, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.B.M. Wijnveldt

Griffier

  • mr. E.A. Harland

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand