RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/348951-24
Datum uitspraak: 4 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de Basisadministratie Personen op het adres
[adres] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 9 en 10 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 4 februari 2026 (sluiting en uitspraak).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.L.M. van Poll, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. W. Drummen, naar voren hebben gebracht.
Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen benadeelde partij van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , en van wat mr. C.C.J. Tuip namens [medeverdachte 1] en mr. R. Takens namens [medeverdachte 2] in dat verband naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 1 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, eenmaal of meermalen met een vuurwapen op/naar/in de richting van die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art. 289 Wetboek van Strafrecht, art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 1 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
(art.26 lid 1 Wet wapens en munitie)
3
hij op of omstreeks 1 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer onbekend gebleven personen opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, eenmaal of meermalen met een vuurwapen een of meer kogels op en/of in derichting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer onbekend gebleven personen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
(art. 289 Wetboek van Strafrecht, art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 47 lid 1
ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Vormverzuim
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat in het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) onderzoek heeft plaatsgevonden in de telefoons van de verdachten, zonder dat daarvoor een machtiging door de rechter-commissaris was afgegeven. Inmiddels zijn, naar aanleiding van de uitspraken van het Hof van Justitie in de zaak ‘Landeck’ en daarop volgend de Hoge Raad in 2025, de regels over opsporingsonderzoek aan smartphones aangescherpt. Die aanscherping komt, voor zover hier relevant, erop neer dat indien een meer dan beperkte inbreuk is te voorzien op de persoonlijke levenssfeer, de rechter-commissaris moet beslissen over de vraag of dat onderzoek mag worden uitgevoerd. Volgens de officier van justitie was er bij het onderzoek in de telefoons van de verdachten een meer dan beperkte inbreuk te voorzien op de persoonlijke levenssferen. Er had dan ook vooraf een machtiging van de rechter-commissaris moeten worden verkregen. Dat is niet gebeurd. Er is volgens de officier van justitie echter sprake van een beperkte inbreuk, waardoor kan worden volstaan met de constatering van het vormverzuim.
De verdediging heeft over het mogelijke vormverzuim geen standpunt ingenomen.
De rechtbank is van oordeel dat in het licht van genoemde jurisprudentie inderdaad een machtiging van de rechter-commissaris was vereist voor het onderzoek in de telefoons van de verdachten. De rechtbank zal echter volstaan met de constatering van het vormverzuim, omdat gesteld noch gebleken is dat sprake is van daadwerkelijk nadeel voor verdachte. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake was van een onderzoek naar ernstige strafbare feiten en dat de aard van die feiten een onderzoek aan de telefoons rechtvaardigde. Indien de machtiging van de rechter-commissaris (op de juiste wijze) zou zijn aangevraagd, zou deze naar alle waarschijnlijkheid zijn verkregen. Verdachte is daarom door het vormverzuim niet in een nadeligere positie geraakt ten opzichte van de situatie dat dit verzuim niet zou zijn begaan. Er worden aan dit vormverzuim dan ook geen gevolgen verbonden.
5. Beoordeling van de tenlastegelegde feiten
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De laste gelegde feiten kunnen niet worden bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten wegens gebrek aan bewijs. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte een vuurwapen in zijn handen heeft gehad, laat staan dat hij daarmee heeft geschoten.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Aanleiding onderzoek en bevindingen ter plaatse
Op 1 november 2024 omstreeks 20:44 uur horen verbalisanten op metrostation Bullewijk te Amsterdam Zuidoost een aantal schoten gevolgd door salvo’s automatisch vuur, komend uit de richting van de nabij gelegen flat Hakfort. Rond dat moment komen bij de meldkamer van de politie verschillende meldingen binnen van een schietpartij bij de flat Hakfort.
Wanneer verbalisanten vervolgens ter plaatse komen, treffen zij in de speeltuin gelegen tussen Hakfort en het Abcouderpad, naast het klimrek, [medeverdachte 2] aan liggend op de grond. [medeverdachte 2] heeft drie schotwonden in zijn lichaam. Eén in de borst en één in ieder been. Onder [medeverdachte 2] wordt een vuurwapen (kaliber 9 mm kort .380 auto) aangetroffen.
In kapperszaak Mag Magic Hair & Beauty (hierna: Mag Magic), gelegen aan [adres kapperszaak] (ingang zit in de onderdoorgang van de flat Hakfort) wordt verdachte aangetroffen met een schotwond ter hoogte van de buik / ribbenkast. Verdachte is gewond de kapperszaak binnen gekomen nadat – buiten – is geschoten.
Omstreeks 21:02 uur krijgen verbalisanten de melding te gaan naar [adres] , waar zich mogelijk een derde slachtoffer van de schietpartij zou bevinden. Ter plaatse treffen verbalisanten [medeverdachte 1] aan. Hij heeft een schotwond in de linkervoet en een schampschot in zijn nek.
Alle drie de gewonden zijn aangehouden als verdachte van poging moord dan wel doodslag en vuurwapenbezit.
Forensisch onderzoek
Op de plaats delict worden drie verschillende soorten hulzen aangetroffen, passend bij drie verschillende vuurwapens. Het forensisch onderzoek levert het volgende beeld op.
Op het trottoir voor de galerijflat Hakfort, ingang Zeepaard, zijn tien hulzen van het kaliber 9 mm Luger (parabellum) aangetroffen. Gelet hierop is het aannemelijk dat er op die plek, tussen de centrale toegangsdeur van de flat Hakfort (de rechtbank begrijpt ingang Zeepaard) en het Bullewijkpad, ten minste tien keer is geschoten met dat kaliber. Omdat geen projectielen zijn aangetroffen, is onbekend in welke richting is geschoten. Uit munitie-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is gebleken dat de tien hulzen vermoedelijk zijn verschoten met één vuurwapen. Tevens is gebleken dat het zeer veel waarschijnlijker is dat deze hulzen zijn verschoten met een semi automatisch werkend pistool van het merk Heckler & Koch, aangetroffen op 14 mei 2025 in Den Haag, dan dat de hulzen zijn verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber.
Op het Bullewijkpad nabij de kruising met Hakfort zijn vier hulzen aangetroffen van het kaliber 9 mm kort .380 auto. In de brievenbus van [adres] bij de centrale toegangsdeur van de flat (ingang Zeepaard) is één projectiel passend bij de hulzen van voornoemd kaliber aangetroffen. Gelet hierop is waarschijnlijk op het Bullewijkpad nabij de kruising met Hakfort ten minste vier keer geschoten met het kaliber 9 mm kort .380 auto, waarvan ten minste één keer in de richting van centrale toegangsdeur van de flat Hakfort. De locatie waar voornoemd projectiel werd aangetroffen is in de nabijheid van kapperszaak Mag Magic, waar verdachte gewond is aangetroffen. Uit munitie-onderzoek van het NFI is gebleken dat het extreem veel waarschijnlijkeris dat de voornoemde vier hulzen zijn verschoten met het vuurwapen dat bij [medeverdachte 2] is aangetroffen dan dat de hulzen zijn verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber. Ten aanzien van het projectiel in de brievenbus van [adres] volgt uit (indicatief) onderzoek dat de daarin aangetroffen afvuur-sporen passen bij een omgebouwd gas- of alarmpistool van het kaliber 9mm kort en de resultaten die het NFI uit het onderzoek heeft verkregen worden verwacht wanneer deze kogel is verschoten uit de loop van het bij [medeverdachte 2] aangetroffen vuurwapen (het omgebouwde gas- of alarmpistool van het merk Zoraki, model 906).
Nabij de kruising Bullewijkpad en Abcouderpad zijn 30 hulzen van het kaliber 7.62 aangetroffen. In de speeltuin nabij het klimrek waar [medeverdachte 2] lag, is een projectiel passend bij dat kaliber aangetroffen. Gelet hierop is het aannemelijk dat er nabij voornoemde kruising ten minste 30 keer is geschoten met dat kaliber, waarvan ten minste één keer in de richting van het klimrek waar [medeverdachte 2] lag. Uit munitie-onderzoek van het NFI is gebleken dat de dertig hulzen vermoedelijk zijn verschoten met één (semi)-automatisch werkend machinepistool kaliber 7,62 mm Tokarev, van het merk Ceska Zbrojovka (model VZ26).
Het NFI heeft onderzoek gedaan naar de kogel die in het lichaam van verdachte zat. Gebleken is dat het veel waarschijnlijker is dat die kogel van het kaliber 9 mm kort (en dus passend bij het bij [medeverdachte 2] aangetroffen vuurwapen) is, dan van de andere twee op de plaats delict aangetroffen kalibers.
Er is door het NFI ook onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van schotresten op de mouwen van de jas van verdachte. De bevindingen van dit onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese A1 (op de bemonsteringen zijn schotresten aanwezig) waar is, dan wanneer hypothese A2 (op de bemonsteringen zijn geen schotresten aanwezig) waar is.
Camerabeelden flat Hakfort ingang Zeepaard
Op de camerabeelden van de centrale toegangsdeur van de flat Hakfort, ingang Zeepaard, is het volgende te zien.
Omstreeks 20:44:36 uur zijn drie personen zichtbaar voor de ingang Zeepaard, hierna te noemen: NN1, NN2 en NN3. Om 20:44:45 uur is te zien dat een vierde persoon in beeld komt, hierna te noemen NN4. Te zien is dat NN4 dicht in de buurt voor NN1 staat. Om 20:44:47 uur is te zien dat NN1 een voorwerp vastpakt en dit voorwerp richt op NN2 en NN3. NN2, NN3 en NN4 reageren hierop door naar achteren te stappen. Hierna is te zien dat er vijf lichtflitsen uit dit voorwerp komen. Om 22:44:51 uur is te zien dat een vijfde persoon in beeld komt, NN5. Te zien is dat NN4 achterover valt en op de grond neerkomt. Het lijkt alsof NN1 wederom het voorwerp richt in de richting van NN4. Er zijn geen lichtflitsen te zien. NN5 loopt weg, NN2 rent richting het fietspad en NN3 rent globaal richting de Gaasperdammerweg.
NN1 is geheel gekleed in het zwart en draagt een rood/oranje kleurige rugtas. De kleding van NN2 komt overeen met de kleding die [medeverdachte 1] droeg die avond en [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij denkt dat hij NN2 is. NN4 draagt witte schoenen en een grijze broek, dat overeenkomt met de schoenen en broek die [medeverdachte 2] droeg die avond. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij op deze plek (zichtbaar op de beelden) achterover is gevallen nadat er hier op hem werd geschoten. De rechtbank leidt hieruit af dat NN2 [medeverdachte 1] is en NN4 [medeverdachte 2] .
Verklaring [medeverdachte 2]
heeft – kort samengevat en voor zover hier relevant – verklaard dat [medeverdachte 1] ruzie had met ‘gasten’ van de Carwash (de rechtbank begrijpt [naam carwash] , gelegen aan de [adres] waar verdachte werkzaam is). Dit was volgens [medeverdachte 1] begonnen in de kapperszaak. [medeverdachte 1] had [medeverdachte 2] gevraagd te bemiddelen. heeft in de avond van 1 november 2024 een telefoonnummer ontvangen van een van die gasten van de Carwash en daarmee telefonisch contact gehad. In dit gesprek is afgesproken elkaar te ontmoeten bij kapper Mag Magic, gelegen in de flat Hakfort. Aangekomen bij de Hakfort werden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opgewacht door verdachte met een paar ‘gastjes’ eromheen. en [medeverdachte 1] liepen naar hen toe en [medeverdachte 2] vroeg aan verdachte hoe het zat met ‘ [medeverdachte 1] ’ (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1]). Verdachte stond op dat moment tegenover [medeverdachte 2] en naast verdachte stond ook iemand. Vervolgens begon de jongen die (rechts) naast verdachte stond, met schieten, waarbij [medeverdachte 2] meteen werd geraakt. Hierop heeft [medeverdachte 2] ter verdediging teruggeschoten met het vuurwapen dat hij bij zich had, en zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] weggevlucht. Volgens [medeverdachte 2] werden [medeverdachte 1] en hij van meerdere kanten beschoten, waaronder met een automatisch wapen. Op de vraag of [medeverdachte 2] heeft gezien of verdachte een wapen trok of iets deed, verklaart [medeverdachte 2] dat hij niet weet wat ‘die gasten onderling hebben gedaan’.
Verklaring [medeverdachte 1]
heeft – kort samengevat en voor zover hier relevant – het volgende verklaard. [medeverdachte 1] had een conflict omdat iets was voorgevallen bij kapper Mag Magic, maar hij wil hier vanwege zijn veiligheid niet nader over verklaren. heeft [medeverdachte 2] om hulp gevraagd en is met [medeverdachte 2] in de avond van 1 november 2024 naar de Hakfort gegaan. Daar aangekomen werden ze opgewacht door de andere partij en gingen ze in gesprek. Wie daarbij aanwezig waren, en of verdachte erbij was, wil [medeverdachte 1] niet zeggen. Vervolgens werden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] beschoten door iemand die tegenover [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] stond. wil niet zeggen wie dat is. [medeverdachte 2] werd hierdoor als eerste geraakt. [medeverdachte 2] heeft teruggeschoten uit zelfverdediging. en [medeverdachte 2] probeerden vervolgens daar weg te komen en werden toen beschoten, door onder meer een automatisch wapen. Of verdachte heeft geschoten kan [medeverdachte 1] niet zeggen. Hij heeft verdachte ook niet gezien.
Verklaring verdachte
Verdachte verklaart dat hij naar kapper Mag Magic ging om zich te laten knippen. Omdat de kapper op dat moment even geen tijd had, ging verdachte buiten wachten en een sigaretje roken. Toen verdachte buiten stond hoorde hij ineens schoten en werd hij in zijn buik geraakt. Verdachte heeft niet geschoten. Ook de verklaring van [medeverdachte 2] , inhoudende dat verdachte ‘erbij betrokken’ zou zijn, is een ‘lul verhaal’, aldus verdachte.
Oordeel over feit 1
Verdachte wordt vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde poging tot moord dan wel doodslag op [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] .
Op grond van de inhoud van het dossier kan de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte op 1 november 2024 heeft geschoten met een vuurwapen.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ten aanzien van de uitkomsten van het schotrestenonderzoek geldt dat op grond van alleen die resultaten niet kan worden geconcludeerd of verdachte wel of niet heeft geschoten. De bevindingen van het schotrestenonderzoek kunnen evengoed worden verklaard door de omstandigheid dat verdachte aanwezig was op de plek waar de schietpartij plaatsvond en bovendien zelf ook is geraakt door een kogel (afkomstig uit het wapen van [medeverdachte 2] ).
Het enkele feit dat getuige [naam getuige] verdachte in verband heeft gebracht met de schietpartij, is in licht van de overige bevindingen in het dossier en tegen de achtergrond van de kanttekeningen die kunnen worden geplaatst bij wat deze getuige toen en daar nu exact heeft kunnen waarnemen, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.
Evenmin kan worden vastgesteld dat het schieten door degene(n) die op [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] heeft/hebben geschoten, aan verdachte kan worden toegerekend in de vorm van het tenlastegelegde medeplegen. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat ten aanzien van het schieten op [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de schutter(s) die op [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] hebben geschoten. Voor medeplegen moet sprake zijn van een – intellectuele en/of materiële – bijdrage van voldoende gewicht aan het delict. Uit het dossier blijkt daarvan niet.
Verdachte wordt daarom vrijgesproken van dit feit.
Oordeel over feit 2
Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de inhoud van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte op 1 november 2024 een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van dit feit.
Oordeel over feit 3
Op grond van de inhoud van het dossier kan evenmin een bewezenverklaring volgen van poging moord dan wel doodslag op de in feit 3 genoemde personen. Verdachte wordt ook van dit feit vrijgesproken.
6. Beslag
In beslag genomen goederen
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- 1 patroon (goednummer 6576378);
- 40 stuks munitie (goednummers 6576486, 6576490, 6576492, 6576494, 6576497, 6576498, 6576499, 6576505, 6576506, 6576508, 6576509, 6576510, 6576511, 6576512, 6576513, 6576514, 6576516, 6576518, 6576520, 6576524, 6576525, 6576526, 6576527, 6576528, 6576530, 6576531, 6576534, 6576536, 6576550, 6576592, 6576594, 6576596, 6576597, 6576598, 6576601, 6576604, 6576605, 6576608, 6576609 6577089;
- 2 handschoenen (goednummers 6576630 en 6576631).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het patroon en alle munitie worden onttrokken aan het verkeer. De handschoenen kunnen worden geretourneerd aan verdachte.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van het beslag wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Onttrekking aan het verkeer (patroon en munitie)
Niettegenstaande de vrijspraak van het tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat uit de inhoud van het dossier volgt dat een strafbaar feit is begaan . Er is namelijk op 1 november 2024 geschoten met meerdere vuurwapens die meerdere schutters voorhanden zouden hebben gehad. [medeverdachte 2] is ook veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen.
Het patroon en de munitie zijn tot bet begaan van zo een feit bestemd en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. De voorwerpen worden daarom onttrokken aan het verkeer.
Teruggave aan beslagene (handschoenen)
De handschoenen behoren aan verdachte toe. Aangezien deze voorwerpen gelet op de daartoe geldende wettelijke bepalingen niet voor onttrekking aan het verkeer vatbaar zijn en niet voor verbeurdverklaring in aanmerking komen, worden deze aan verdachte teruggegeven.
7. Ten aanzien van de benadeelde partijen
De vorderingen
De benadeelde partij [medeverdachte 2] vordert – na wijziging op zitting – in totaal € 609,12 aan vergoeding van materiële schade en in totaal € 51.216,- aan vergoeding van immateriële schade. Verzocht wordt voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De benadeelde partij [medeverdachte 1] vordert in totaal € 5.200,- aan vergoeding van materiële schade en in totaal € 20.000,- aan vergoeding van immateriële schade. Verzocht wordt voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie
De benadeelde partijen dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vordering, omdat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De benadeelde partijen moeten niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering vanwege de verzochte vrijspraak van het tenlastegelegde.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partijen zullen in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde en hem ter zake daarvan dus geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.
De benadeelde partijen en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De maatregel van onttrekking aan het verkeer is gegrond op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
- 1 patroon (goednummer 6576378);
- 40 stuks munitie (goednummers 6576486, 6576490, 6576492, 6576494, 6576497, 6576498, 6576499, 6576505, 6576506, 6576508, 6576509, 6576510, 6576511, 6576512, 6576513, 6576514, 6576516, 6576518, 6576520, 6576524, 6576525, 6576526, 6576527, 6576528, 6576530, 6576531, 6576534, 6576536, 6576550, 6576592, 6576594, 6576596, 6576597, 6576598, 6576601, 6576604, 6576605, 6576608, 6576609 6577089.
Gelast de teruggave aan de beslagene, te weten verdachte, van:
- 2 handschoenen (goednummers 6576630 en 6576631).
Verklaart de benadeelde partijen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] niet-ontvankelijk in hun vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partijen en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.K. Oosterling – van der Maarel, voorzitter,
mrs. J. Thomas en B.C. Langendoen rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 februari 2026.