RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/348899-24
Datum uitspraak: 4 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] , [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 en 10 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 4 februari 2026 (sluiting en uitspraak).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.L.M. van Poll, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.C.J. Tuip, naar voren hebben gebracht.
Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering benadeelde partij van [medeverdachte 1] , en van wat mr. C.J. Nierop namens [medeverdachte 1] in dat verband naar voren heeft gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 1 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, eenmaal of meermalen met een vuurwapen op/naar/in de richting van die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art. 289 Wetboek van Strafrecht, art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij op of omstreeks 1 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
(art. 26 lid 1 Wet wapens en munitie)
3
hij op of omstreeks 1 november 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer onbekend gebleven personen opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, eenmaal of meermalen met een vuurwapen een of meer kogels op en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer onbekend gebleven personen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
(art. 289 Wetboek van Strafrecht, art. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Vormverzuim
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat in het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) onderzoek heeft plaatsgevonden in de telefoons van de verdachten, zonder dat daarvoor een machtiging door de rechter-commissaris was afgegeven. Inmiddels zijn, naar aanleiding van de uitspraken van het Hof van Justitie in de zaak ‘Landeck’ en daarop volgend de Hoge Raad in 2025, de regels over opsporingsonderzoek aan smartphones aangescherpt. Die aanscherping komt, voor zover hier relevant, erop neer dat indien een meer dan beperkte inbreuk is te voorzien op de persoonlijke levenssfeer, de rechter-commissaris moet beslissen over de vraag of dat onderzoek mag worden uitgevoerd. Volgens de officier van justitie was er bij het onderzoek in de telefoons van de verdachten een meer dan beperkte inbreuk te voorzien op de persoonlijke levenssferen. Er dan ook vooraf een machtiging van de rechter-commissaris moeten worden verkregen. Dat is niet gebeurd. Er is volgens de officier van justitie echter sprake van een beperkte inbreuk, waardoor kan worden volstaan met de constatering van het vormverzuim.
De verdediging heeft over het mogelijke vormverzuim geen standpunt ingenomen.
De rechtbank is van oordeel dat in het licht van genoemde jurisprudentie inderdaad een machtiging van de rechter-commissaris was vereist voor het onderzoek in de telefoons van de verdachten. De rechtbank zal echter volstaan met de constatering van het vormverzuim, omdat gesteld noch gebleken is dat sprake is van daadwerkelijk nadeel voor verdachte. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sprake was van een onderzoek naar ernstige strafbare feiten en dat de aard van die feiten een onderzoek aan de telefoons rechtvaardigde. Indien de machtiging van de rechter-commissaris (op de juiste wijze) zou zijn aangevraagd, zou deze naar alle waarschijnlijkheid zijn verkregen. Verdachte is daarom door het vormverzuim niet in een nadeligere positie geraakt ten opzichte van de situatie dat dit verzuim niet zou zijn begaan. Er worden aan dit vormverzuim dan ook geen gevolgen verbonden.
5. Beoordeling van de tenlastegelegde feiten
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten kunnen niet worden bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Het onder 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van een vuurwapen kan wel worden bewezen op grond van de bewijsmiddelen in het dossier. Verdachte wist dat [medeverdachte 2] een vuurwapen mee had naar de ontmoeting bij de Hakfort. Vervolgens heeft verdachte tijdens het schietincident dat wapen van [medeverdachte 2] overgenomen en vastgehad, waarbij verdachtes DNA op de trekker(beugel) is terechtgekomen.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten omdat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft geschoten met het vuurwapen (van [medeverdachte 2] ).
Evenmin kan een bewezenverklaring volgen voor feit 2. Verdachte wist niet dat [medeverdachte 2] een vuurwapen mee had naar de ontmoeting bij de Hakfort. Ten aanzien van het kortstondige moment dat verdachte ten tijde van hun vlucht het vuurwapen onverhoeds en ongewild in zijn handen heeft gekregen, is sprake van de door de Hoge Raad beschreven uitzonderingssituatie waarin de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen niet volstaat voor het oordeel dat verdachte dat wapen voorhanden had.
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Aanleiding onderzoek en bevindingen ter plaatse
Op 1 november 2024 omstreeks 20:44 uur horen verbalisanten op metrostation Bullewijk te Amsterdam Zuidoost een aantal schoten gevolgd door salvo’s automatisch vuur, komend uit de richting van de nabij gelegen flat Hakfort. Rond dat moment komen bij de meldkamer van de politie verschillende meldingen binnen van een schietpartij bij de flat Hakfort.
Wanneer verbalisanten ter plaatse komen, treffen zij in de speeltuin gelegen tussen Hakfort en het Abcouderpad, naast het klimrek, [medeverdachte 2] aan liggend op de grond. [medeverdachte 2] heeft drie schotwonden in zijn lichaam. Eén in de borst en één in ieder been. Onder [medeverdachte 2] wordt een vuurwapen (kaliber 9 mm kort .380 auto) aangetroffen. [medeverdachte 2] verklaart dat dit zijn vuurwapen is.
In kapperszaak Mag Magic Hair & Beauty (hierna: Mag Magic), gelegen aan [adres] (ingang zit in de onderdoorgang van de flat Hakfort) wordt [medeverdachte 1] aangetroffen met een schotwond ter hoogte van de buik / ribbenkast. [medeverdachte 1] is gewond de kapperszaak binnen gekomen nadat – buiten – is geschoten.
Omstreeks 21:02 uur krijgen verbalisanten de melding te gaan naar [adres] , waar zich mogelijk een derde slachtoffer van de schietpartij zou bevinden. Ter plaatse treffen verbalisanten verdachte aan. Hij heeft een schotwond in de linkervoet en een schampschot in zijn nek.
Alle drie de gewonden zijn aangehouden als verdachte van poging moord dan wel doodslag en vuurwapenbezit.
Forensisch onderzoek
Op de plaats delict worden drie verschillende soorten hulzen aangetroffen, passend bij drie verschillende vuurwapens. Het forensisch onderzoek levert het volgende beeld op.
Op het trottoir voor de galerijflat Hakfort, ingang Zeepaard, zijn tien hulzen van het kaliber 9 mm Luger (parabellum) aangetroffen. Gelet hierop is het aannemelijk dat er op die plek, tussen de centrale toegangsdeur van de flat Hakfort (de rechtbank begrijpt ingang Zeepaard) en het Bullewijkpad, ten minste tien keer is geschoten met dat kaliber. Omdat geen projectielen zijn aangetroffen, is onbekend in welke richting is geschoten. Uit munitie-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) is gebleken dat de tien hulzen vermoedelijk zijn verschoten met één vuurwapen. Tevens is gebleken dat het zeer veel waarschijnlijker is dat deze hulzen zijn verschoten met een semi automatisch werkend pistool van het merk Heckler & Koch, aangetroffen op 14 mei 2025 in Den Haag, dan dat de hulzen zijn verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber.
Op het Bullewijkpad nabij de kruising met Hakfort zijn vier hulzen aangetroffen van het kaliber 9 mm kort .380 auto. In de brievenbus van [adres] bij de centrale toegangsdeur van de flat (ingang Zeepaard) is één projectiel passend bij de hulzen van voornoemd kaliber aangetroffen. Gelet hierop is waarschijnlijk op het Bullewijkpad nabij de kruising met Hakfort ten minste vier keer geschoten met het kaliber 9 mm kort .380 auto, waarvan ten minste één keer in de richting van centrale toegangsdeur van de flat Hakfort. De locatie waar voornoemd projectiel werd aangetroffen is in de nabijheid van kapperszaak Mag Magic, waar [medeverdachte 1] gewond is aangetroffen. Uit munitie-onderzoek van het NFI is gebleken dat het extreem veel waarschijnlijkeris dat de voornoemde vier hulzen zijn verschoten met het vuurwapen dat bij [medeverdachte 2] is aangetroffen dan dat de hulzen zijn verschoten met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber. Ten aanzien van het projectiel in de brievenbus van [adres] volgt uit (indicatief) onderzoek dat de daarin aangetroffen afvuur-sporen passen bij een omgebouwd gas- of alarmpistool van het kaliber 9mm kort en de resultaten die het NFI uit het onderzoek heeft verkregen worden verwacht wanneer deze kogel is verschoten uit de loop van het bij [medeverdachte 2] aangetroffen vuurwapen (het omgebouwde gas- of alarmpistool van het merk Zoraki, model 906).
Nabij de kruising Bullewijkpad en Abcouderpad zijn 30 hulzen van het kaliber 7.62 aangetroffen. In de speeltuin nabij het klimrek waar [medeverdachte 2] lag, is een projectiel passend bij dat kaliber aangetroffen. Gelet hierop is het aannemelijk dat er nabij voornoemde kruising ten minste 30 keer is geschoten met dat kaliber, waarvan ten minste één keer in de richting van het klimrek waar [medeverdachte 2] lag. Uit munitie-onderzoek van het NFI is gebleken dat de dertig hulzen vermoedelijk zijn verschoten met één (semi)-automatisch werkend machinepistool kaliber 7,62 mm Tokarev, van het merk Ceska Zbrojovka (model VZ26).
Het NFI heeft onderzoek gedaan naar de kogel die in het lichaam van [medeverdachte 1] zat. Gebleken is dat het veel waarschijnlijker is dat die kogel van het kaliber 9 mm kort (en dus passend bij het bij [medeverdachte 2] aangetroffen wapen) is, dan van de andere twee op de plaats delict aangetroffen kalibers.
Aan het bij [medeverdachte 2] aangetroffen vuurwapen is DNA-onderzoek verricht. Uit de bemonstering van de trekker en trekkerbeugel is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren verkregen. Het DNA-profiel van verdachte matcht met dit DNA-mengprofiel. De bewijskracht is ongeveer 30 duizend. Het DNA-profiel van [medeverdachte 2] levert ook een match op met dit DNA-mengprofiel. Die bewijskracht is meer dan 1 miljard.
Er is tevens onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van schotresten op de handen en de mouwen van de jas van verdachte. De bevindingen van dit onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese A1 (op de bemonsteringen zijn schotresten aanwezig) waar is, dan wanneer hypothese A2 (op de bemonsteringen zijn geen schotresten aanwezig) waar is.
Camerabeelden flat Hakfort ingang Zeepaard
Op de camerabeelden van de centrale toegangsdeur van de flat Hakfort, ingang Zeepaard, is het volgende te zien.
Omstreeks 20:44:36 uur zijn drie personen zichtbaar voor de ingang Zeepaard, hierna te noemen: NN1, NN2 en NN3. Om 20:44:45 uur is te zien dat een vierde persoon in beeld komt, hierna te noemen NN4. Te zien is dat NN4 dicht in de buurt voor NN1 staat. Om 20:44:47 uur is te zien dat NN1 een voorwerp vastpakt en dit voorwerp richt op NN2 en NN3. NN2, NN3 en NN4 reageren hierop door naar achteren te stappen. Hierna is te zien dat er vijf lichtflitsen uit dit voorwerp komen. Om 22:44:51 uur is te zien dat een vijfde persoon in beeld komt, NN5. Te zien is dat NN4 achterover valt en op de grond neerkomt. Het lijkt alsof NN1 wederom het voorwerp richt in de richting van NN4. Er zijn geen lichtflitsen te zien. NN5 loopt weg, NN2 rent richting het fietspad en NN3 rent globaal richting de Gaasperdammerweg.
NN1 is geheel gekleed in het zwart en draagt een rood/oranje kleurige rugtas. De kleding van NN2 komt overeen met de kleding die verdachte droeg die avond en verdachte heeft verklaard dat hij denkt dat hij NN2 is. NN4 draagt witte schoenen en een grijze broek, dat overeenkomt met de schoenen en broek die [medeverdachte 2] droeg die avond. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij op deze plek (zichtbaar op de beelden) achterover is gevallen nadat er hier op hem werd geschoten. De rechtbank leidt hieruit af dat NN2 verdachte is en NN4 [medeverdachte 2] .
Verklaring getuige [slachtoffer 1]
Getuige [slachtoffer 1] verklaart dat hij schoten hoorde en vervolgens twee mannen zag die wilden vluchten met een fatbike richting het poortje/hek. Hierna hoorde hij meerdere knallen achter elkaar. Het leek op een automatisch wapen. Een van de mannen liep hinkend. Die man is later meegenomen door de ambulance (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2]). De ander probeerde zijn vriend te helpen en mee te nemen, maar is uiteindelijk weggevlucht. Bij die man zag [slachtoffer 1] een zilverkleurig voorwerp, gelijkend op een (hand)vuurwapen, in de hand.
Verklaring [medeverdachte 2]
verklaart dat hij de avond van 1 november 2024 werd gebeld door verdachte die in paniek was. Verdachte had ruzie met ‘die gasten van de Carwash’ (de rechtbank begrijpt [naam carwash] gelegen aan de [adres]). Dit was volgens verdachte begonnen in de kapperszaak en ging over iets met een aan verdachte opgelegde boete. Verdachte vroeg aan [medeverdachte 2] of hij kon bemiddelen. heeft toen via Signal een telefoonnummer ontvangen van een van die gasten van de Carwash. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] telefonisch contact gehad met die persoon, en is afgesproken elkaar te ontmoeten bij de kapper Mag Magic, gelegen in de flat Hakfort. De rechtbank stelt vast dat deze gang van zaken steun vindt in het onderzoek in de telefoon van [medeverdachte 2] . Hieruit volgt dat [medeverdachte 2] omstreeks 20:08 uur – via Signal – een telefoonnummer heeft doorgestuurd gekregen en met dat nummer vervolgens telefonisch contact heeft gehad.
[medeverdachte 2] heeft, voordat ze naar de Hakfort zijn gelopen, eerst thuis een vuurwapen gepakt, geladen en meegenomen. Dit is het onder [medeverdachte 2] aangetroffen vuurwapen. Volgens [medeverdachte 2] heeft hij dit wapen voor zijn eigen veiligheid gepakt, omdat verdachte zei dat de gasten van de Carwash bewapend waren. [medeverdachte 2] heeft thuis ook een fiets gepakt en die aan [verdachte] aangereikt. Vervolgens zijn ze richting de Hakfort gegaan.
Aangekomen bij de Hakfort werden [medeverdachte 2] en verdachte opgewacht door [medeverdachte 1] met een paar ‘gastjes’ eromheen. [medeverdachte 2] en verdachte liepen naar hen toe en [medeverdachte 2] vroeg aan [medeverdachte 1] hoe het zat met ‘ [verdachte] ’ (de rechtbank begrijpt: verdachte). [medeverdachte 1] stond op dat moment tegenover [medeverdachte 2] en naast [medeverdachte 1] stond ook iemand. Verdachte stond naast [medeverdachte 2] . Ze stonden op dat moment voor ingang Zeepaard van de flat Hakfort. Vervolgens begon de jongen die (rechts) naast [medeverdachte 1] stond, en in het zwart was gekleed, met schieten. [medeverdachte 2] werd meteen geraakt. [medeverdachte 2] heeft ter verdediging teruggeschoten. Vanaf dat moment was het proberen weg te komen, terwijl hij van meerdere kanten werd beschoten, onder meer met een automatisch wapen. [medeverdachte 2] is hinkend weggevlucht, waarbij verdachte [medeverdachte 2] op enig moment op verzoek van [medeverdachte 2] heeft ondersteund. Verdachte hielp [medeverdachte 2] naar het hek waar ze doorheen moesten. Op het moment dat verdachte [medeverdachte 2] moest ondersteunen, had [medeverdachte 2] het wapen nog in zijn hand. Verdachte heeft toen het wapen even van [medeverdachte 2] overgenomen. [medeverdachte 2] pakte het wapen vervolgens weer terug. Volgens [medeverdachte 2] heeft verdachte niet geschoten met het wapen.
Verklaring verdachte
Verdachte verklaart over de avond van 1 november 2024 het volgende.
Er was eerder die dag iets voorgevallen bij kapsalon Mag Magic. Hierover wil verdachte niet nader verklaren in verband met zijn veiligheid. Verdachte heeft [medeverdachte 2] om hulp gevraagd, in die zin dat [medeverdachte 2] een gesprek zou voeren namens verdachte. [medeverdachte 2] en verdachte zijn vervolgens samen naar Hakfort gegaan om het uit te praten. Voordat ze richting Hakfort gingen, zijn ze nog even langs het huis van [medeverdachte 2] gegaan en hebben daar de fiets van [medeverdachte 2] gepakt. Verdachte wist niet dat [medeverdachte 2] daar een vuurwapen ging pakken. Hij wist in het geheel niet dat [medeverdachte 2] een vuurwapen bij zich had. Aangekomen bij Hakfort werden [medeverdachte 2] en verdachte opgewacht (door de andere partij) en gingen ze in gesprek. Vervolgens werden [medeverdachte 2] en verdachte beschoten door iemand (van de andere partij) die tegenover hen stond. Volgens verdachte is dit ook te zien op de camerabeelden van ingang Zeepaard. [medeverdachte 2] werd als eerste geraakt. [medeverdachte 2] heeft teruggeschoten uit zelfverdediging. Verdachte en [medeverdachte 2] probeerden vervolgens daar weg te komen. Verdachte heeft op enig moment de gewonde [medeverdachte 2] daarbij geholpen, omdat [medeverdachte 2] ter hoogte van het daar aanwezige hek moeite had met opstaan en verdachte om hulp vroeg. Toen verdachte [medeverdachte 2] probeerde te helpen heeft verdachte het wapen van [medeverdachte 2] een paar seconden vastgehouden en vervolgens weer teruggegeven aan [medeverdachte 2] . Verdachte heeft niet geschoten. Tijdens het helpen van [medeverdachte 2] hoorde verdachte het geluid van een automatisch wapen en vlogen de kogels langs verdachtes oren. [medeverdachte 2] is vervolgens op de grond gevallen en toen is verdachte weggefietst.
Oordeel over de feiten 1 en 3
De rechtbank acht de onder 1 en 3 tenlastegelegde poging moord dan wel doodslag niet bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.
Op grond van de inhoud van het dossier kan weliswaar worden vastgesteld dat verdachte op enig moment een vuurwapen in zijn handen heeft gehad, maar niet dat hij daarmee heeft geschoten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat ten aanzien van de uitkomsten van het schotrestenonderzoek geldt dat op grond van alleen die resultaten niet kan worden geconcludeerd of verdachte wel of niet heeft geschoten. De bevindingen van het schotrestenonderzoek passen evengoed bij het scenario dat verdachte kort na het schieten door [medeverdachte 2] het wapen ‘slechts’ even in zijn handen heeft gehad zonder het af te vuren.
Ook het schieten door [medeverdachte 2] kan naar het oordeel van de rechtbank niet aan verdachte worden toegerekend in de vorm van het tenlastegelegde medeplegen. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat ten aanzien van het schieten door [medeverdachte 2] sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2] en verdachte.
Oordeel over feit 2
Verdachte erkent dat hij het vuurwapen van [medeverdachte 2] op enig moment in zijn handen heeft gehad. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of hiermee in strafrechtelijk verwijtbare zin sprake is geweest van het voorhanden hebben van een vuurwapen.
Voor een veroordeling van het voorhanden hebben van een vuurwapen is vereist dat de verdachte het wapen bewust aanwezig had. Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen dat de verdachte feitelijke macht daarover kon uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van artikel 26, eerste lid, Wet wapens en munitie. Dat kan volgens de Hoge Raad bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt.
Verdachte verklaart dat hij niet wist dat [medeverdachte 2] een vuurwapen mee had naar de ontmoeting bij Hakfort. Uit de verklaring van [medeverdachte 2] , dan wel anderszins uit het dossier, volgt die wetenschap evenmin. De enkele omstandigheid dat verdachte tegen [medeverdachte 2] heeft gezegd dat degenen met wie ze de ontmoeting hadden bewapend (‘lodit’) zouden zijn, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen bij [medeverdachte 2] voorafgaand aan het schietincident.
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier (de hiervoor in 5.3.1. genoemde feiten en omstandigheden) wel vast dat toen verdachte en [medeverdachte 2] werden beschoten met meerdere vuurwapens en zij probeerden te vluchten, verdachte op enig moment het wapen van [medeverdachte 2] kort in zijn handen heeft gehad.
Verdachte stelt zich ten aanzien daarvan op het standpunt dat toen hij de door kogels geraakte [medeverdachte 2] probeerde te helpen vluchten, hij het wapen van [medeverdachte 2] onverhoeds en tegen wil en dank in zijn handen kreeg. Verdachte heeft het een paar seconden vastgehouden en vervolgens weer teruggegeven aan [medeverdachte 2] . Verdachte verklaart dat hij op dat moment in shock was vanwege het vuurwapengeweld dat op hen werd uitgeoefend en nauwelijks besefte wat er gebeurde.
[medeverdachte 2] bevestigt deze lezing van verdachte en dit scenario wordt ook niet weerlegd door de overige inhoud van het dossier. De rechtbank gaat dan ook van deze lezing uit en is van oordeel dat de gegeven situatie kan worden aangemerkt als het door de Hoge Raad beschreven bijzondere geval dat een verdachte onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen van een ander in handen krijgt. Onder die omstandigheden volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen voorhanden had in strafrechtelijk verwijtbare zin.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen van het onder 2 tenlastegelegde voorhanden hebben van een vuurwapen. Verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
6. Ten aanzien van de benadeelde partij
De vordering
De benadeelde partij [medeverdachte 1] vordert – na wijziging op zitting – in totaal € 51.938,23 aan vergoeding van materiële schade en in totaal € 43.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot het moment van algehele voldoening. De benadeelde partij verzoekt verdachte en [medeverdachte 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de gevraagde schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Het standpunt van de officier van justitie
De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in de vordering, omdat verdachte moet worden vrijgesproken van het schade veroorzakende feit (1).
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de verzochte vrijspraak moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Een eventuele bewezenverklaring en strafoplegging ter zake feit 2 leidt niet tot ontvankelijkheid van de benadeelde partij, omdat door dat feit aan de benadeelde partij geen rechtstreekse schade is toegebracht.
Subsidiair moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en sprake is van medeschuld van de benadeelde aan het ontstaan van de schade.
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat aan verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.
De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.
7. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij
Verklaart de benadeelde partij [medeverdachte 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P.K. Oosterling – van der Maarel, voorzitter,
mrs. J. Thomas en B.C. Langendoen rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 februari 2026.