ECLI:NL:RBAMS:2026:10562

ECLI:NL:RBAMS:2026:10562

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 27-10-2026
Zaaknummer 13/017596-26
Rechtsgebied Strafrecht; Internationaal strafrecht
Procedure Tussenuitspraak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Executie-EAB Zweden. Tussenuitspraak. Art. 6a OLW. "De rechtbank begrijpt uit het vorenstaande dat de Zweedse autoriteiten zich op het standpunt stellen dat zij pas een certificaat kunnen verstrekken nadat de rechtbank de overlevering heeft geweigerd. De rechtbank is echter van oordeel dat de straf pas door Nederland kan worden overgenomen als de Zweedse bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland door middel van het verstrekken van het certificaat." Heropening onderzoek om nogmaals het certificaat op te vragen bij de Zweedse autoriteiten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/017596-26

Datum uitspraak: 6 oktober 2026

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering van 21 juli 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 14 januari 2026 door the Swedish Prosecution Authority, National Public Prosecution Department, National Unit Against Organised Crime, Zweden, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1965 in [geboorteplaats] ,

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[BRP-adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 september 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. L.C. Cox, advocaat in Amersfoort.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Zweedse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrest van the Göta Court of Appeal van 2 maart 2023 met kenmerk B 1755-22.

ÁG313127645485TÈ

G313127645485

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Zweden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog ongeveer vier maanden en twintig dagen.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Oordeel van de rechtbank

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het arrest van the Göta Court of Appeal van 2 maart 2023 met kenmerk B 1755-22 toetsen aan artikel 12 OLW.

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

5. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 1 en feit 2 aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Zweden een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.

Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit 3 niet aangeduid als lijstfeit. De rechtbank stelt vast dat dit feit – het gebruik van amfetamine – naar Nederlands recht niet strafbaar is.

Artikel 7, tweede lid, OLW bevat echter een facultatieve weigeringsgrond. Dat houdt in dat de rechtbank de overlevering van de opgeëiste persoon kan weigeren als een niet-lijstfeit naar Nederlands recht niet strafbaar is, maar dat de rechtbank niet verplicht is om de overlevering te weigeren. De rechtbank kan ook afzien van weigering. In dit geval ziet de rechtbank daartoe aanleiding, omdat feit 3 heeft in Zweden heeft plaatsgevonden. Weigering van de overlevering op deze grond zou bovendien leiden tot straffeloosheid en dat moet in beginsel worden voorkomen. Daarnaast kan de overlevering voor de andere twee feiten worden toegestaan

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De opgeëiste persoon heeft mede de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen.

Kan de opgelegde vrijheidsstraf door Nederland worden overgenomen?

De rechtbank moet beoordelen of de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.

De weigeringsgronden die in dit geval aan de orde kunnen zijn, staan niet in de weg aan overname van de straf.

Feiten 1 en 2 zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

de meerdaadse samenloop van:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf lager is dan de straffen die in Nederland maximaal voor dit soort feiten kunnen worden opgelegd. Bovendien zijn de opgelegde sancties naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. De vrijheidsstraf hoeft daarom niet aangepast te worden.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.

De binding van de opgeëiste persoon met Nederland

Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende familiale, taalkundige en culturele banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.

Toestemming voor overname en tenuitvoerlegging van de straf?

De straf kan door Nederland pas worden overgenomen als de Zweedse bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland. De bevoegde autoriteit geeft deze toestemming door het toesturen van een certificaat, en een kopie van het veroordelende vonnis.

De Zweedse autoriteiten hebben een kopie van het veroordelende arrest toegestuurd.

Wat het certificaat betreft, blijkt uit een e-mail van 3 september 2026 van the Senior Public Prosecutor dat de Zweedse autoriteiten op dit moment niet voornemens zijn het certificaat te verstrekken. Hierbij is door the Legal Adviser van the Swedish Prison and Probation Service de volgende toelichting gegeven:

“Under Swedish law, applying article 4.6 of the Framework Decision 2002/584/JHA combined with article 25 of the Framework Decision 2008/909/JHA, the Swedish Prison and Probation Service requires a decision of refusal to surrender the sentenced person and that the executing state undertakes to execute the sentence in order to make a decision to forward the certificate and judgment on this ground. Under section f) of the certificate to forward the judgment for enforcement and recognition (Relation to any earlier European Arrest Warrant), reference has to be made to a decision that the executing state refuses to surrender the sentenced person and undertakes to execute the sentence.

Under Swedish law, when article 4.6 of the Framework decision 2002/584/JHA applies and the Swedish Prison and Probation Service has received the decision of refusal to surrender and to undertake to execute the sentence, there is

a simpler and faster process when deciding to forward the judgment and certificate for recognition and enforcement of the sentence, referring to section f) of the certificate.

Given the judgment of the Court of Justice of the EU in case C.J. (C-305/22) ECLI:EU:C:2025:665, the state issuing the European arrest warrant must consent to the sentence being enforced in the executing state before the executing state can decide to recognize and enforce the sentence. Following the judgment, the Swedish Prosecution Authority, responsible for the issued European arrest warrant, may be asked for a prior consent from the Netherlands. Thereafter, when the Swedish Prison and Probation Service receives the decision to refuse the European arrest warrant stating that the Netherlands undertakes to execute the sentence, the Swedish Prison and Probation Service can decide to forward the judgment and certificate for recognition and enforcement in the Netherlands.

It is correct that in the surrender procedure that you refer to, the Swedish Prison and Probation Service has decided to forward the certificate and judgment before a decision to refuse the surrender has been made. However, in that case, the decision to forward the judgment and certificate has been made referring to section g) of the certificate.

Since the procedure to surrender a sentenced persons based on a European arrest warrant are usually urgent matters and the fact that the sentenced person is often detained awaiting the Court hearing, the Swedish Prison and Probation Service would strongly advocate, if it is possible under Dutch law, that the Netherlands decide on the European arrest warrant and to undertake the execution of the sentence after having obtained the consent of the Swedish Prosecution Authority and that the Swedish Prison and Probation Service thereafter decides to forward the judgment for recognition and enforcement in the Netherlands referring to section f) of the certificate.”

De rechtbank begrijpt uit het vorenstaande dat de Zweedse autoriteiten zich op het standpunt stellen dat zij pas een certificaat kunnen verstrekken nadat de rechtbank de overlevering heeft geweigerd. De rechtbank is echter van oordeel dat de straf pas door Nederland kan worden overgenomen als de Zweedse bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven voor overname en tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland door middel van het verstrekken van het certificaat.

De rechtbank overweegt dat zij voornemens is over te gaan tot weigering van de overlevering (met overname van de straf) zodra ook het certificaat is verstrekt. De rechtbank verzoekt de officier van justitie om nogmaals het certificaat op te vragen bij de daartoe bevoegde Zweedse autoriteiten en deze autoriteiten daarbij erop te wijzen dat de rechtbank in deze tussenuitspraak al haar voornemen heeft uitgesproken om over te gaan tot weigering met overname van de straf.

8. Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd in verband met hetgeen de rechtbank onder 7 heeft overwogen.

VERLENGT op grond van artikel 22, derde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 30 dagen.

BEPAALT dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 12 november 2026 (dus uiterlijk op

29 oktober 2026).

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. L. Sanders, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en D.L.S. Ceulen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L. Sanders

Griffier

  • mr. M.D. Dijkstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand