RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-175689-26
Datum uitspraak: 27 oktober 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 26 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 juni 2026 door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. J. H. de Krijger, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. K. Durdu, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak onder verschillende voorwaarden, waaronder handhaving van de door de opgeëiste persoon betaalde borgsom van € 4.000,-.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsmandaat bij verstek van 18 juni 2026 afgeleverd door de onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
- deelneming aan een criminele organisatie, en
- witwassen van opbrengsten van misdrijven, en
- informaticacriminaliteit.
Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in België. De opgeëiste persoon heeft namelijk het centrum van zijn belangen in Nederland.De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in België wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De Procureur des Konings te Turnhout heeft op 2 september 2026 de volgende garantie gegeven:
“Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België tot een onherroepelijke vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.
Bij brief van 1 september 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:
“1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Nieuw Dendermonde indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden
7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW: lopende strafvervolging in Nederland voor hetzelfde feit
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het nieuwe rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van
8 september 2026 het al aangenomen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vanwege de algemene detentieomstandigheden in België, waaronder met name de overbevolking en grondslapers in de gevangenissen, bevestigt.
De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 1 september 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. De rechtbank is, gelet op de garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, omdat hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden). De rechtbank ziet in het nieuwe CPT-rapport geen aanleiding om het algemene gevaar uit te breiden of te concluderen dat de afgegeven individuele detentiegarantie niet meer volstaat.
Inleiding
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is.
Naar aanleiding van de in dit kader gestelde vragen door het Internationaal Rechtshulp Centrum van het Openbaar Ministerie (IRC) heeft de Nederlandse zaaksofficier van justitie van het onderzoek met parketnummer 10-352321-25, op 30 september 2026 het volgende mailbericht verstuurd:
“Nederlandse onderzoek (Dekaak)
In het onderzoek Dekaak is onderzoek gedaan naar verdachte [opgeëiste persoon] , dat heeft geleid tot een (nog niet aangebrachte) tenlastelegging met de verdenking van het vervaardigen/ontvangen/verschaffen/etc, in ieder geval het voorhanden hebben van o.a. phishingteksten, leadslijsten, phishingpanels, afbeeldingen van ingelogde bankomgevingen (234 lid 1Sr) en vervaardigen/ontvangen/verschaffen/etc, in ieder geval het voorhanden hebben van phishingpanels van o.a. klanten van Belgische banken, [klant] , [klant 2] , [klant 3] , [klant 4] , [klant 5] en de Vlaamse overheid (139d lid 2 sub a Sr). Deze tenlastelegging betreft enkel de periode 29 mei 2025 tot en met 8 juli 2025, pleegplaats Hellevoetsluis/Den Haag, althans Nederland. Het onderzoek is afgerond, de zaak is klaar om ter zitting aangebracht te worden. Vooralsnog is geen zicht op een zittingsdatum.
Belgische onderzoek
Het Belgische onderzoek richt zich blijkens het EAB op de betrokkenheid van verdachte bij fraude, waar Belgische slachtoffers zijn gemaakt. Verdachte zou daarbij gebruik hebben gemaakt van een panel (‘ [naam] ’), waarbij verdachte zorgde voor de betaling en hosting en eveneens zorgde voor de verzending van de phishingmails.
Standpunt
De Nederlandse feiten zijn in Nederland gepleegd, bij de Belgische feiten is het effect en de pleegplaats in principe België. De Nederlandse zaak is thans beperkt tot de periode 29 mei 2025 tot en met 8 juli 2025. Beide verdenkingen zien op wezenlijk andere feiten: in Nederland ligt het strafrechtelijk verwijt in het bezit van de tools en gegevens, die aan verdachte gerelateerd konden worden; in België wordt hij verdacht van het zelfstandig plegen van fraude door gebruik maken van phishingpanels en gegevens van slachtoffers. Onderhavige verdenkingen raken in juridische zin een ander beschermd belang. Het betreft dan ook verschillende strafbare feiten.
Eventuele overdracht van de Belgische zaak aan ons lijkt mij niet aangewezen. Blijkens het EAB betreft het een verdenking van diverse strafbare feiten, waar de focus ligt op België (het panel ‘ [naam] ’), de feiten in België gepleegd zijn en Belgische slachtoffers geraakt zijn. Het ligt dat ook in de rede dat de zaak aan een Belgische rechter wordt voorgelegd.”
Bij e-mailbericht van 9 oktober 2026 heeft de Belgische Substituut-procureur des Konings als volgt geantwoord op vragen van het IRC:
“Zoals meegedeeld in de eerdere EOB’s en het uitgevaardigde EAB werd bij de Belgische onderzoeksrechter (…) een onderzoek geopend dat zich toespitst op feiten van phishing in bende, hiervoor werden in beginsel de kwalificaties criminele organisatie (artikel 406 Belgisch Strafwetboek), informaticabedrog (artikel 488 Belgisch Strafwetboek) en witwassen (artikel 502 Belgisch Strafwetboek) voorzien..
Aan deze kwalificaties werd als pleegplaats/plaats van uitwerking Dendermonde voorzien, maar bij uitbreiding het Belgische Rijk, Nederland en Duitsland. Daarnaast werd een incriminatieperiode voorzien vanaf 15 mei 2025.
Belangrijk om mee te geven is dat deze kwalificaties, zowel qua inhoud, territoriaal als in de tijd op het einde van het onderzoek volledig worden gekwalificeerd op basis van de bezwaren/bewijzen die in het dossier voorhanden zijn lastens de betrokkenen.
Daarnaast wens ik nog te onderstrepen dat ons dossier zich in de eerste plaats richt op Belgische slachtoffers en dat het territorialiteitsgegeven met betrekking tot Nederland en Duitsland voornamelijk ingegeven is omwille van de woonplaats van de verdachten of andere elementen die in ons eerste onderzoek naar voor kwamen.
Om terug te komen op de door U gestelde kan ik bij deze bevestigen dat:
(1) De verdenking van de manipulatie van informaticagegevens in België (zogenaamd informaticabedrog waarvan hoger sprake) geen betrekking heeft op het vervaardigen, verkopen of het anderszins ter beschikking stellen of voorhanden hebben van een phishingpanel zoals voorzien in jullie Nederlandse concept-tenlastelegging. Bijgevolg stelt zich op heden geen probleem van overlappende feiten op vlak van de huidige tenlasteleggingen waarvoor het gerechtelijk onderzoek werd geopend.
(2) Op basis van hetgeen hoger uiteengezet (definitieve kwalificatie en eventuele vervolging pas bij afsluiting van het gerechtelijk onderzoek), maak ik mij sterk dat dhr. [opgeëiste persoon] in België niet zal vervolgd worden voor een overlappend feit inzake het ter beschikking stellen of voorhanden hebben van een phishingpanel. Meer bepaald:
- zal de verwijzing naar Nederland als pleegplaats niet weerhouden worden bij een eventuele vervolging voor ter beschikking stellen of voorhanden hebben van een phishingpanel;
- zal een eventuele vervolging voor ter beschikking stellen of voorhanden hebben van een phishingpanel buiten Nederland enkel weerhouden worden voor feiten na 12 augustus 2025 met België als pleegplaats
(3) In jullie conceptnota is ook het vervaardigen, ontvangen, verschaffen, verkopen, verwerven, verspreiden, ter beschikking stellen en/of voorhanden hebben van phishingteksten, leads, combo’s, … voorzien. In theorie zou hier een mogelijke overlap kunnen zijn met het misdrijf ‘informaticabedrog’ omdat deze “instrumenten” gebruikt worden om de feiten van informaticabedrog te plegen, maar dit is louter theoretisch gezien het bezit, verkopen of voorhanden hebben van deze data eerder te plaatsen is onder het helen gehackte gegevens en/of valsheid in informatica. In dat theoretische geval maak ik mij sterk dat dhr. [opgeëiste persoon] in België niet zal vervolgd worden voor een overlappend feit zoals voorzien in jullie conceptnota en zal in elk geval geen verwijzing worden voorzien naar Nederland als pleegplaats bij een eventuele vervolging voor een mogelijks overlappend feit.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om meer duidelijkheid te verkrijgen over de eventuele overlap tussen de verdenking van de feiten in het EAB en de verdenking in de Nederlandse strafzaak. In tegenstelling tot de zaken van de twee medeverdachten van de opgeëiste persoon, is er in deze zaak geen (concept) tenlastelegging van het Nederlandse Openbaar Ministerie overgelegd. Het Belgische Openbaar Ministerie heeft ook geen tenlastelegging toegezonden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 9 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Omdat het een vervolgings-EAB is, is het logisch dat er nog onderzoek moet worden gedaan om tot een definitieve tenlastelegging te komen. Net als in de zaken van de twee medeverdachten, heeft afstemming plaatsgevonden tussen de Nederlandse en Belgische autoriteiten over de afbakening van de vervolgingen.
Oordeel van de rechtbank
Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is. De rechtbank dient dan vast te stellen dat er in Nederland een strafvervolging tegen de opgeëiste persoon loopt en dat die strafvervolging betrekking heeft op dezelfde feiten als het EAB.
Blijkens de feitomschrijving in onderdeel e) van het EAB bestaan er ernstige aanwijzingen dat de opgeëiste persoon over een phishingpanel beschikte en instond voor de betaling van de hosting ervan. De rechtbank stelt op basis van voormeld e-mailbericht van de Nederlandse zaaksofficier van justitie verder vast dat de opgeëiste persoon in Nederland verdacht wordt van het vervaardigen, het voorhanden hebben en de verkoop van phishingpanels in de periode van 25 mei 2025 tot en met 8 juli 2025 en dat voor deze feiten een strafvervolging in Nederland gaande is. Volgens het e-mailbericht van de Belgische substituut-procureur des Konings wordt de opgeëiste persoon in België onder andere verdacht van manipulatie van informaticagegevens door middel van phishingpanels vanaf 15 mei 2025 tot heden. De pleegdata van de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, vallen dus deels binnen de pleegperiode van de feiten waarvan hij in Nederland wordt verdacht.
Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van de rechtbank het e-mailbericht van de Belgische Substituut-procureur des Konings – met name gelet op de daarin gebruikte bewoordingen “maak ik mij sterk dat (…)” – onvoldoende om vast te stellen dat de opgeëiste persoon in België niet zal worden vervolgd voor een feit ter zake waarvan tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat, anders dan de officier van justitie heeft gesteld, uit de verstrekte aanvullende informatie niet duidelijk blijkt dat overleg is geweest tussen de Nederlandse en Belgische autoriteiten over de afbakening van de vervolging in beide landen. Daarnaast zijn er geen (concept) tenlasteleggingen beschikbaar. Op grond van de informatie waarover de rechtbank nu beschikt, kan de rechtbank niet beoordelen of sprake is van overlap tussen de Nederlandse en de Belgische strafvervolging.
De rechtbank verzoekt de officier van justitie daarom de volgende vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:
- Ziet de verdenking in België waarvoor de overlevering wordt gevraagd, tevens op het vervaardigen/ontvangen/verschaffen, in ieder geval het voorhanden hebben van onder andere phishingteksten, leadslijsten, phishingpanels, afbeeldingen van ingelogde bankomgevingen en vervaardigen/ontvangen/verschaffen, in ieder geval het voorhanden hebben van phishingpanels van onder andere klanten van Belgische banken, [klant] , [klant 2] , [klant 3] , [klant 4] , [klant 5] en de Vlaamse overheid over de periode van 25 mei 2025 tot en met 8 juli 2025?
- Zo ja, kan worden toegezegd, zoals in de zaken van de medeverdachten met parketnummers 13-143689-26 en 13-146151-26, dat de opgeëiste persoon in België niet vervolgd zal worden voor hetgeen waarvoor hij in Nederland vervolgd zal worden?
8. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van de beantwoording van de door de rechtbank onder 7 geformuleerde vragen door de uitvaardigende justitiële autoriteit.
BEPAALT dat de zaak uiterlijk op 11 november 2026 opnieuw wordt ingepland op een zitting.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. L. Sanders, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en M.W. Speksnijder, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.H. Wisgerhof, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.