RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/205589-26
Datum uitspraak: 6 oktober 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 3 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 13 juli 2026 door the Court of Magistrates, Malta (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] (Jamaica),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 22 september 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.S. Rozenbeek, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Engelse taal. De raadsman heeft zich op de zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Jamaicaanse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the Court of Magistrates (Malta) van 13 juli 2026.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Maltees recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft een deel van de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Malta een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of deze feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, meermalen gepleegd.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De advocaat heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. Op die manier kan de opgeëiste persoon de straf in Nederland ondergaan als hij in Malta wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van
artikel 6, derde lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:
De eerste voorwaarde
Omdat de opgeëiste persoon beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd hoeft de opgeëiste persoon niet aan de hand van andere stukken aan te tonen dat hij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
De tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Uit de brief van de IND van 25 augustus 2026 blijkt dat de in Malta gepleegde misdrijven geen gevolgen hebben voor de verblijfsvergunning van de opgeëiste persoon. Dit betekent dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan.
Garantie
De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon naast de ononderbroken rechtmatige verblijfsduur zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Malta. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland.De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag uitzitten als hij na overlevering in Malta wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 9 september 2026 de volgende garantie gegeven:
“Consents that [de opgeëiste persoon] , after being heard before the Maltese Courts, is returned to the Kingdom of the Netherlands in order to serve any custodial sentence or detention order which could potentially be passed against him following criminal proceedings before the Maltese Courts.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Inleiding
Het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) heeft op 20 augustus 2026 de volgende vragen gesteld aan de Maltese autoriteiten:
“1. In which prison will Mr [de opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender?
From the Response of the Maltese Government to the report, we understand that the Maltese authorities acknowledge the challenges posed by the current infrastructure limitation, particularly the capacity to accommodate one person per cell and that the facility’s constraints mean that achieving the minimum standard of 4m2 per prisoner in multiple occupancy cells, excluding sanitary facilities, is not immediately feasible.
2. Will Mr [de opgeëiste persoon] be placed in a single-occupancy cell or in a multi-occupancy cell?
3. Should Mr [de opgeëiste persoon] be placed in a multi-occupancy cell, can it in that case be guaranteed that Mr [de opgeëiste persoon] will have at least 3m2 personal space (excluding sanitary facilities)?”
Bij brief van 1 september 2026 heeft the Correctional Services Agency onder meer de volgende informatie verstrekt:
“Following his surrender to Malta, Mr [de opgeëiste persoon] will be admitted to the Corradino Correctional Facility, which is administered by the Correctional Services Agency and constitutes Malta's principal correctional facility.
On the basis of the accommodation arrangements presently envisaged, Mr [de opgeëiste persoon] is expected to be accommodated in a dual-occupancy cell, subject to the outcome of the admission and risk-assessment process and any particular circumstances identified upon admission.
The CSA acknowledges that the Corradino Correctional Facility is presently experiencing population pressures and that overcrowding remains an operational challenge. As a result, double occupancy is currently utilised within a number of divisions of the Facility. Notwithstanding these pressures, the allocation and accommodation of persons in custody continue to be managed having regard to their safety, dignity and wellbeing.
Certain multi-occupancy cells provide approximately 4m2 or more of personal living space per prisoner, excluding sanitary facilities, whilst cells within other divisions provide approximately 3m2 of personal living space per prisoner, excluding sanitary facilities.
As indicated above, the particular division and cell to which Mr [de opgeëiste persoon] will be allocated cannot be predetermined prior to his admission, since his placement will be determined following the individual risk assessment carried out at that stage.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de detentieomstandigheden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte detentiegarantie voldoende is en dat de overlevering kan worden toegestaan.
Oordeel van de rechtbank
In zijn arrest van 5 april 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) vooropgesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen
De rechtbank heeft hiervoor acht geslagen op onder meer het CPT-rapport van 10 juli 2025. Blijkens dit rapport heeft het CPT onder meer de Corradino Correctional Facility bezocht. Het CPT heeft onder meer geconstateerd dat de omstandigheden op de mannenafdelingen in deze detentie-instelling slecht waren (“poor”) met kleine ramen die te weinig licht en ventilatie toelaten. Vooral de cellen in divisie vijf waren slecht en in divisie zes waren meerdere cellen zonder raam. Veel cellen, die oorspronkelijk bedoeld waren voor één gedetineerde met ongeveer 6 tot 9 m2 inclusief sanitair, werden nu gebruikt voor twee gedetineerden. Daarnaast was in divisie twee, drie en vijf sprake van vieze, niet afgescheiden toiletten in de cellen die erg dicht bij de bedden geplaatst waren, en veel gemeenschappelijke sanitaire faciliteiten waren kapot. Over divisie zes is in het rapport geschreven dat die oorspronkelijk bedoeld is als transitieafdeling voor nieuwe gedetineerden in de detentie-instelling, maar dat sommige gedetineerden voor onbepaalde tijd in die divisie vastgehouden werden waarbij het niet alleen ging om nieuwe gedetineerden. Er is sprake van een extreem beperkt regime in deze divisie waarbij gedetineerden 23 uur per dag opgesloten in hun cel doorbrengen. Er is geen sprake van een afgescheiden toilet in de cel. Door deze omstandigheden is volgens het CPT in divisie zes een situatie gecreëerd die “may well (…) be considered as amounting to inhuman and degrading treatment”.
De Maltese overheid heeft op 10 juli 2025 gereageerd op het CPT-rapport. In deze reactie staat onder meer dat er plannen zijn om een nieuwe vleugel te bouwen waardoor de capaciteit van de detentie-instelling wordt uitgebreid en er meer eenpersoonscellen zijn. Er is al sprake van herstelwerkzaamheden in divisie twee, drie en vijf om de leefomstandigheden te verbeteren. Verder zullen eind 2026 alle toiletten in de cellen volledig afgescheiden zijn. De ramen in de oudere delen van de detentie-instelling, inclusief divisie zes, zullen groter gemaakt worden. Divisie zes zal vanaf juli 2024 niet langer voor nieuwe gedetineerden gebruikt worden, maar alleen voor segregatiedoeleinden en dat alleen als laatste mogelijkheid.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval van de opgeëiste persoon worden geëerbiedigd, is de rechtbank verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Malta een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten in de detentie instelling waar hij zal worden gedetineerd.
De rechtbank stelt op grond van de verstrekte informatie van 1 september 2026 vast dat de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid gedetineerd zal worden in de Corradino Correctional Facility. De rechtbank zal daarom uitsluitend de detentieomstandigheden onderzoeken van deze detentie-instelling.
De rechtbank ziet, gelet op de hiervoor weergegeven bevindingen in het CPT-rapport, de reactie daarop van de Maltese overheid en de aanvullende informatie van 1 september 2026, aanleiding om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Om te kunnen beoordelen of sprake is van een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden in de mannenafdeling van de Corradino Correctional Facility zal de rechtbank dan ook het onderzoek ter zitting heropenen en de officier van justitie verzoeken aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen te stellen:
1. Wat is de huidige bezettingsgraad (één- of tweepersoons cel) van de mannenafdeling van de Corradino Correctional Facility , en wat is de specifieke bezettingsgraad van de afdeling waarin de opgeëiste persoon na de overlevering zal worden vastgehouden?
2. Hoeveel persoonlijke ruimte – exclusief de sanitaire voorzieningen – is er beschikbaar voor gedetineerden in de verschillende afdelingen, zowel in eenpersoons- als in meerpersoons cellen? Zijn de sanitaire voorzieningen in de cellen voldoende afgeschermd zodat privacy en hygiëne voldoende gewaarborgd worden?
3. Als gedetineerden een individuele leefruimte (persoonlijke ruimte) hebben – exclusief sanitaire voorzieningen – van tussen de 3 m² en 4 m², kunt u dan – in het licht van het Dorobantu-arrest (ECLI:EU:C:2019:857, punt 75) – de volgende vragen beantwoorden?
a. Hoeveel uur per dag brengen gedetineerden in hun cel door?
b. Welke mogelijkheden hebben gedetineerden voor recreatie in de buitenlucht, werk, sport, onderwijs en andere activiteiten buiten hun cel?
c. Zijn deze mogelijkheden beschikbaar voor alle gedetineerden?
d. Hoeveel uur per dag kunnen gedetineerden deelnemen aan deze activiteiten? (Ervan uitgaande dat ze zich ook aanmelden voor de beschikbare opties.)
e. Zijn de detentieomstandigheden op de mannenafdeling in de Corradino Correctional Facilityover het algemeen fatsoenlijk, en wordt de opgeëiste persoon niet blootgesteld aan andere factoren die als verzwarende omstandigheden worden beschouwd en die bijdragen aan slechte detentieomstandigheden?
4. Als gedetineerden minder dan 3 m² persoonlijke ruimte hebben – exclusief de ruimte van de sanitaire voorzieningen – kunt u dan, in het licht van het Dorobantu-arrest (ECLI:EU:C:2019:857, punten 72 en 73), de volgende vragen beantwoorden?
a. Is deze beperking van de persoonlijke leefruimte beperkt tot korte perioden, incidentele gevallen en een kleine afwijking van het vereiste minimum van 3 m²?
b. Is er voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel, en worden er passende activiteiten buiten de cel aangeboden?
c. Zijn de detentieomstandigheden op de mannenafdeling in de Corradino Correctional Facility over het algemeen fatsoenlijk, en wordt de opgeëiste persoon niet blootgesteld aan andere factoren die als verzwarende omstandigheden worden beschouwd en die bijdragen aan slechte detentieomstandigheden?
5. Als gedetineerden meer dan 4 m² persoonlijke ruimte hebben – exclusief de ruimte van de sanitaire voorzieningen – kunt u dan, in het licht van het Dorobantu-arrest (ECLI:EU:C:2019:857, punt 76), de volgende vraag beantwoorden?
a. Zijn de detentieomstandigheden op de mannenafdeling in de Corradino
Correctional Facility over het algemeen fatsoenlijk, en wordt de opgeëiste persoon niet blootgesteld aan andere factoren die als verzwarende omstandigheden worden beschouwd en die bijdragen aan slechte detentieomstandigheden?
6. Hebben alle gedetineerden op de mannenafdeling van de Corradino Correctional Facility toegang tot een eigen bed met matras en beddengoed?
7. De rechtbank heeft kennisgenomen van het antwoord van de Maltese autoriteiten op het CPT-rapport van 10 juli 2025 over de omstandigheden in Maltese detentiecentra. De rechtbank leidt uit dit antwoord af dat de Maltese autoriteiten maatregelen hebben aangekondigd en bijzondere aandacht hebben besteed aan onder meer de volgende maatregelen:
a. de invoering van elektronische monitoring;
b. de fysieke omstandigheden van detentiecentra;
c. overbevolking;
d. het gebruik van geweld door gevangenispersoneel tegen gedetineerden;
e. interpersoonlijk geweld tussen gedetineerden;
f. de opnameprocedure;
g. toegang tot gezondheidszorg en psychologische ondersteuning;
h. continue videobewaking;
i. het tekort aan medisch personeel;
j. het ontbreken van klachtenprocedures voor gedetineerden.
Kunt u met betrekking tot deze specifieke kwesties toelichten hoe de situatie is op de mannenafdeling in de Corradino Correctional Facility welke concrete verbeteringen er sindsdien in die inrichting zijn doorgevoerd naar aanleiding van het CPT-rapport, en welke maatregelen nog gepland staan?
8. Welke andere concrete verbeteringen ten aanzien van de materiële omstandigheden zijn er na het verschijnen van het CPT-rapport van 10 juli 2025 geweest in de mannenafdeling in de penitentiaire inrichting Corradino Correctional Facility, en dan in het bijzonder de afdelingen twee, drie, vijf en zes, en welke maatregelen staan er nog gepland en binnen welke termijn zullen deze zijn gerealiseerd?
7. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder 6 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.
VERLENGT op grond van artikel 22, derde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 30 dagen.
BEPAALT dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 16 november 2026 (dus uiterlijk op 29 oktober 2026).
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Engelse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. L. Sanders, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.D. Dijkstra griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 oktober 2026.